|
|
|
| | | | | |
Het Brabantse gezicht van de Amsterdamse rederijkerskamer
‘Het Wit Lavendel’
Mieke B. Smits-Veldt
De leden van de Amsterdamse rederijkerskamer ‘Het Wit Lavendel’ beoefenden vanaf 1598 tot
1632 ‘en groupe’ de Nederlandse poëzie, net zoals hun
collega's in de kamer ‘D'Eglentier’,
waarin al veel eerder Amsterdamse burgers literair actief waren. Wat de leden
van ‘Het Wit Lavendel’ onderscheidde van die andere rederijkers was
hun afkomst: of zijzelf of hun ouders waren geboren in de Zuidelijke
Nederlanden, met name Brabant. Ook in de inhoud van hun toneelwerk profileerden
zij zich als ‘anders’ dan hun Hollandse kunstbroeders. Op dit punt
wil ik nader ingaan, toegespitst op de vraag: is er daarbij ook sprake van een
‘Brabants point of view’? Dit zal op zijn minst in twee stukken,
respectievelijk uit 1615 en 1616, het geval blijken te zijn.
Als ‘Brabanders’ behoorden de leden van ‘Het Wit
Lavendel’ in het begin van de zeventiende eeuw tot een veelal als
‘vreemd’ en ‘anders’ beschouwde groep.
1 Zoals men
weet, waren immigranten uit het Zuiden om religieuze en/of economische redenen
in enorme aantallen naar het Noorden uitgeweken, velen in het begin nog met de
hoop op terugkeer naar hun vaderland. Van degenen die zich in
Amsterdam vestigden, kwam een zeer groot deel uit het in 1585
voorgoed Spaans geworden Antwerpen. Het Zuidnederlandse
bestanddeel van de Amsterdamse populatie ca. 1621 is in sommige publikaties
geschat op van het totaal, d.w.z. ca. 35.000 personen op meer dan 100.000
inwoners, waaronder inmiddels ook zeer veel immigranten van andere
nationaliteit.
2 Zoals onder andere uit de recente publikaties van
Briels blijkt, hebben Zuidnederlanders een aanzienlijk aandeel gehad in de
opbloei van de Noordnederlandse economie en cultuur in Amsterdam en andere
steden, maar zorgde de gigantische aanwas eveneens voor grote sociale
problemen. Volgens de stadsbeschrijver
Pontanus waren ca. 1611 maar 200 van de
2511 bedeelde gezinnen in Amsterdam van Hollandse origine. Onder de andere
nationaliteiten waren zowel Frans- en Nederlandstalige Zuidnederlanders als
o.a. berooiden uit de Duitse gebieden.
3
Reacties van de autochtone Amsterdammers op de ingrijpende
veranderingen in de sociale en culturele verhoudingen die van deze invasie het
gevolg waren, vindt men samengevat bij Briels, die onder meer beroep doet op
uitspraken van
Roemer Visscher en Hollanders in
toneelteksten van
Bredero,
Coster en
Biestkens, allen uit de kring van
‘D'Eglentier’ en de in 1617 gestichte Nederduytsche Academie.
4
In Bredero's Spaansche Brabander vindt men de distantie
ten opzichte van de in Hollandse ogen misplaatste zwierigheid van de berooide
Antwerpenaar terug. Uit het stuk spreekt evenzeer de wrevel over het toenemende
beroep op de armenzorg door zoveel vreemdelingen; in dit geval doelt Bredero
met name op de Duitsers. Veel Brabanders konden door hun kundig koopmanschap
echter ook een op reële rijkdom gebaseerde elegante levensstijl ten toon
spreiden. Het kostte vooral de oudere Hollanders kennelijk moeite om de mede
hierdoor veranderende normen te accepteren.
| | | |
De Brabanders van ‘Het Wit
Lavendel’ reageerden ook zelf op hun nieuwe situatie. Voor ik
hierop inga volgt eerst een aantal feitelijke gegevens over het ledenbestand en
de produktie van de kamer.
Voor zover wij hen kennen, behoorden de leden van ‘Het Wit
Lavendel’ tot een middenklasse van boekverkopers en uitgevers,
schoolmeesters, winkeliers en handwerkslieden. Anders dan
Hooft en
Coster, de leidende figuren in
‘D'Eglentier’, waren ze geen
academici; ook hadden zij geen toegang tot bestuurlijke functies. Het aantal
leden is onzeker. Briels noemt, verspreid over de dertig jaar
vóór ca. 1628 (als de kamer van karakter verandert) een kleine
veertig personen, evenals het totale Brabantse bevolkingsdeel in
Amsterdam voor het overgrote deel afkomstig uit
Antwerpen. Deze mensen zijn echter lang niet alle aanwijsbaar met
de kamer te verbinden. Meeus geeft in zijn proefschrift over
Zacharias Heyns voor de eerste periode tot
1606 nog een aantal andere namen.
5 Hoewel de twee Amsterdamse rederijkerskamers vooral
via
Bredero, maar bijvoorbeeld ook door
gemeenschappelijke deelname aan rederijkersfeesten, goede contacten
onderhielden, zullen de Brabanders zich zeker in de eerste tijd ook zelf
beschouwd hebben als een aparte groep, gebonden door een gemeenschappelijke
achtergrond, wat betreft afkomst, sociaal niveau en ook, zoals uit hun werk is
af te lezen, gelovig protestantse levensovertuiging.
6
Uit de jaren voor 1607 kennen we van hun literaire werk vooral dat
van de factor, de boekverkoper en uitgever
Zacharias Heyns. Deze schreef behalve
diverse drempeldichten ook een aantal toneelstukken, waarvan twee als bijdrage
tot een rederijkersfeest. Behalve de deels door het schooldrama beïnvloede
Vriendts-Spieghel, zijn al deze spelen nog
ouderwets-allegorisch van vorm en religieus van inhoud, heel anders dan de
dramaproduktie van de jonge
Hooft in ‘D'Eglentier’. Na
Heyns' vertrek naar Zwolle trad de jonge
Vondel naar voren, met lyriek en de
tragicomedie Pascha (1612), die waarschijnlijk al in 1610
werd opgevoerd. In dit jaar verscheen ook de eerste bundel Boertighe
Cluchten van
Gerrit Hendericxsz van Breughel, die de
komische toneelproduktie van de kamer verzorgde; ook hij was hij boekverkoper
en uitgever.
7In deze tijd
betrok de kamer voor haar bijeenkomsten de zolder van de Mariënkerk aan
het Rokin. Hummelen wees erop dat deze verhuizing mogelijk
samenvalt met een belangrijke verandering in het optreden van de kamer: voor
het eerst zou men nu binnenshuis spelen zijn gaan opvoeren, voor een algemeen,
betalend publiek. ‘D'Eglentier’ was de Brabantse kamer hierin al
voorgegaan.
8
Volgens Hummelen ontvingen zo omstreeks 1610 nu dus ook de Brabantse
rederijkers voor het eerst ‘thuis’, waar ze zich als groep
presenteerden door middel van toneel. Niet alleen in een wat behoudender
formele dramaopvatting, maar ook in een belangrijk deel van hun
‘ernstige’ stofkeuze onderscheidden ze zich in de periode tot 1617
van hun Hollandse collega's. Na Vondels Pascha, het eerste Nederlandse
bijbelse spel in een moderne dramavorm, schreef de nieuwe factor
Abraham de Koningh (weer een boekverkoper)
voor de kamer nog vier andere stukken met een onderwerp uit het Oude Testament,
voorafgegaan door een spel naar aanleiding van de dood van de Franse koning
Henri IV. Binnen ‘D'Eglentier’ werden noch bijbelse noch
eigentijdse onderwerpen gedramatiseerd:
Hooft en
Coster lieten zich inspireren door
klassieke en pastorale stof, Hooft alléén door
historisch-vaderlandse;
Bredero dramatiseerde amoureuze novellen.
Al gauw trad naast De | | | | Koningh als de andere toneeldichter van de
Brabantse kamer de gereformeerde schilder
Jan Sieuwertsz Kolm op, die overigens zelf
in Amsterdam was geboren
9. Kolm was gevoelig voor de attractie van de modieuze
novellenstof: hij publiceerde in 1615 zijn eerste spel in dit genre, mogelijk
dan al geïnspireerd door
Theodoor Rodenburgh, die overigens zelf
geen aanwijsbaar lid van de kamer was. Een jaar later werd door
‘Het Wit Lavendel’ Kolms
Nederlants treur-spel opgevoerd: het eerste
Amsterdamse spel waarin gebeurtenissen uit de eigentijdse strijd tegen Spanje
waren gedramatiseerd. Ook in deze keuze onderscheidden de Brabanders zich ten
opzichte van de Hollanders. In 1615 presenteerden beide Amsterdamse kamers zich
bij eenzelfde gelegenheid: met spelen voor de tweede Amsterdamse loterij ten
behoeve van het Oude Mannen en Vrouwenhuis, geschreven door respectievelijk
De Koningh en
Coster.
De leden van ‘Het Wit Lavendel’ waren ballingen, zelf of
via hun oudere familieleden slachtoffers van de in het Zuiden rigoureus
uitgevoerde Spaanse onderdrukking: een in hun nieuwe bestaan doorwerkende
gemeenschappelijke ervaring die door de meeste Hollandse Amsterdammers niet in
zijn volle omvang kon worden begrepen. Ik ga nu in op een paar toneelteksten
waarin dit Brabantse verleden een neerslag vindt.
Uit een paar stukken spreekt een preoccupatie die zeker
niet-exclusief Zuidnederlands was, maar die waarschijnlijk wel een bij de
Brabanders sterk levende overtuiging weerspiegelt. Ik doel op de formulering
van de bij protestanten geliefde parallel tussen de lotgevallen van het
uitverkoren, oudtestamentische Joodse volk en de Nederlanders. Deze vindt men
zowel in Vondels
Pascha als in De Koninghs
Jephthahs ende zijn eenighe dochter treur-spel
(1615): respectievelijk na en aan het einde van deze stukken.
10 De gedachte is steeds dat zowel
het Joodse als het Nederlandse volk verlost werden uit slaafse tirannie door de
wonderbaarlijke genade van God, die zich in het verleden bediende van
Mozes of Jefta en in het heden van de Oranjes. In
De Koninghs andere oudtestamentische spelen (Achab,
Hagars vluchte en Simson) is een
dergelijke expliciete parallel afwezig; wel wordt in Hagars
vluchte(1616) verwezen naar de eigentijdse godsdienststrijd.
11
De Koningh lijkt zich hierin aan de zijde
van de contra-remonstranten te scharen, net zoals de kamer twee jaar later
ondubbelzinnig zal doen in de tableaux vivants bij de intocht van Maurits.
12 In haar religieuze gerichtheid en nadruk op de
religieuze basis van de strijd tegen Spanje profileert de kamer zich veel
duidelijker als orthodox protestants dan in deze periode ‘D'Eglentier’.
In de loterijspelen van 1615 komt het verschil in ‘point of
view’ tussen beide kamers op een andere wijze naar voren. Waar het erom
gaat de Amsterdammers op te wekken om een lot te kopen ten behoeve van de arme
oude medemens, doen natuurlijk zowel
De Koningh in zijn Spel van
sinne als
Coster in zijn Spel vande
rijcke-man een beroep op de plicht tot christelijke naastenliefde.
13 De Koningh stelt deze voor als een door God geïnspireerde
liefde, die als vrucht van het geloof de mens het eeuwig heil deelachtig doet
worden. Coster legt echter ook de nadruk op de noodzaak van goed gedrag hier op
aarde, wat inhoudt dat men in matigheid tevreden is met het hoogst nodige en
het onnut bezit verdeelt onder de armen.
14 De Brabander
en de Hollander onderscheiden zich echter vooral van elkaar in hun voorstelling
van de Brabantse ingezetenen én van ‘de oude armen’. Dit
verschil is wel duidelijk terug te voeren op het verschil in achtergrond.
| | | |
Eerst het Hollandse standpunt, vervat in een paar
passages die het door Briels gebruikte materiaal aanvullen. In het tweede
bedrijf van zijn spel introduceert
Coster Ghemeene-man, die op zijn beurt, na
de rijke man, door Waerheydt moet worden overgehaald om geld in te leggen. In
een verhaal waaruit moet blijken hoe onverantwoordelijk sommige mensen goede
sier maken, vertelt hij over een bekakte Brabantse juffer, een soort zusje van
de Spaanse Brabander Jerolimo. Ze wil alleen het uitgelezenste gevogelte op
haar tafel en voert grote staat, terwijl haar man al tweemaal bankroet is
gegaan: ‘die Luy [...] hebben noch goet noch eer te verliesen’
(vss. 583-4). In een andere scène voert Coster bij monde van Armoede en
Ouderdom zelf een aantal argumenten tegen genereuze charitas aan: arme oude
mensen zijn door eigen onbezonnenheid in hun jeugd in hun akelige staat
vervallen en er wordt een enorm misbruik van de stedelijke sociale zorg
gemaakt: het ontbreekt de mensen aan eigen verantwoordelijkheid! En wie zijn
die profiteurs? Het zijn
maer een hoope Knoeten [= moffen],
Wt Eyderste [= Eiderstedt] van daen, en Burghers die te met
Voor vond'ling aen de Camper Steygher zijn gheset.
Die t'Amsterdam maer op een stroo-wis komen
dryven,
Of die niet langher in haer Lant en mochten blyven,
En dat om de Schriftuer die daer staet aen de wandt.
(S.Coster, Spel vande rijcke-man, vss.
821-826)
Met andere woorden: armen uit het Duitse kustgebied, die met hoop op
betere levensomstandigheden naar de Republiek zijn vertrokken, en andere
berooiden, én degenen die ter wille van hun geloof zijn uitgeweken. Ze
worden alle onder één noemer geschaard, in een afwerende
vreemdelingenvisie die twee jaar later ook geformuleerd zou worden door de
Amsterdammer Jan Knol, in de Spaansche Brabander.
15 Waerheydt, die overigens het bestaan van misbruik ten
volle erkent, haast zich om deze uitspraken te nuanceren: een arme vrome
vreemdeling is meer waard is dan een onvroom burger van de stad!
Anders dan in Costers stuk wordt er in het spel van
‘Het Wit Lavendel’ geen kwaad woord
van de Brabanders gezegd; ook hoeven de ‘rechte’ oude armen daarin
niet verdedigd te worden tegen argwaan. Nadat
De Koningh in zijn opdracht de regenten
van het Oude Mannen en Vrouwenhuis heeft aangemoedigd om hun christelijke
liefde ook in toenemende mate uit te strekken naar vreemde en uitheemse armen,
voert hij als potentiële afnemers van de armenzorg de figuren Out, Arm
én Vreemde in. De vreemdeling, een oude ‘verstoten arme’ uit
het Vlaamse Belle, die om zijn godsdienst uit zijn land is gejaagd, krijgt
uitvoerig de kans om zijn droeve lotgevallen te vertellen.
16 Nadat zijn vader wegens zijn geloof ter dood werd gebracht,
vluchtte hij met zijn moeder naar het Noorden, waar hij dertig jaar in
Naarden een eenvoudige kost verdiende. Zijn huis verbrand, zonder
familie, smeekt hij nu via de burgers de regering van het rijke
Amsterdam om hulp (fol. B2r.-v.). Als tegenpool van de
‘rechte’, oude armen, waartoe de Brabanders behoren, voert de
Koningh in een paar komische scènes een werkschuwe ‘Onnutte
bedelaer’ op, die, net als hij op het punt staat met een mantel vol geld
de stad te verlaten, door een als rijke verklede schoutsdienaar in de kraag
wordt gepakt. In de stereotiepe voorstelling van de valse arme is de bedelaar
natuurlijk een krompratende ‘Poep’. De zorg van ‘Het Wit
Lavendel’ voor de belangen van de Zuidnederlandse immigranten, die in de
visie van deze kamer terecht op het Amsterdamse burgerschap mogen hopen, is
evident.
| | | |
Het tweede geval van duidelijk Brabantse preoccupatie
vinden we in Kolms
Nederlants Treur-spel, over de gebeurtenissen
die vijftig jaar tevoren in de Zuidelijke Nederlanden leidden van het
smeekschrift der edelen tot de gruwelijke vervolging van edelen en burgers,
culminerend in de executie van onder anderen de twee jeugdige Gelderse heren
van Batenburch en de graven Egmond en Horne.
17 Deze laatsten werden op 5
juni 1568 terechtgesteld, dat wil zeggen: de zaterdag voor Pinksteren.
18 Kolms stuk, ook vlak voor Pinksteren in mei 1616 in de
kamer opgevoerd, diende ter herdenking van de zware beproevingen waarmee de
vrijheid duur werd gekocht, zoals
Kolm in een inleiding tot zijn toehoorders
vermeldt. Kolm spoort het publiek aan om nu, in het Bestand, Gods genade niet
te vergeten, noch ‘d'oude rechte Godtsalighe ijver, inde tijdt der
Babelsche ghevanckenisse met groot perijckel van leven’ (fol. *5v.).
19 Als bron noemt hij
het historiewerk van de uit Antwerpen afkomstige
Emanuel van Meteren, dat hij in
één van de Nederlandse edities tussen 1599 en 1614 zal hebben
gelezen. De herinnering aan de executie van de Batenburgers en de twee hoge
gezagdragers Egmond en Horne werd in deze zelfde tijd eveneens levend gehouden
door twee aanschouwelijke prenten, oorspronkelijk gegraveerd door
Fr. Hogenberg. Het Nederlandse publiek kon
deze kennen uit de uitgave van
W. Baudartius' De Nassausche
oorloghen (Amsterdam 1615) en die van
J. Gysius'
Oorsprong en voortgang der Neder-lantscher beroerten ende
ellendicheden (Leiden 1616).
20
Op één niveau van de gedramatiseerde geschiedenis, die
opent met een monoloog van het ontredderde Belgica, speelt de hoge en lage
Nederlandse adel de belangrijkste rol; hieronder bevinden zich ook de
Batenburgers. Tegenover deze redelijke edelen staan de kwade raadgevers van de
landvoogdes, in het Brussels hof. Valsch Hypocrisie (een katholiek geestelijke)
en Bloedtdorstigh Ghewelt zetten aan tot jacht op ketters en
‘geuzen’ en zijn daarmee verantwoordelijk voor de escalatie der
troebelen. Dan ontmoeten we de passieve slachtoffers van de brute Spaanse
agressie in het schone Brabant. Meest Elck Een (‘Een statelijck Borger
met Vrou en kint’, fol. B1r.), vindt met zijn klachten over de gruwelijke
geloofsvervolging bij Oranje gehoor. Hij is dan echter al gauw getuige van het
begin van de wanhopige exodus, samen met het personage D'ouders, dat probeert
d'Oproerige Ghemeent tot bedaren te brengen. Intussen raakt de Lant-man in
discussie met Valsch Hypocrisie: hij is katholiek gebleven, maar het door de
geestelijke goedgeprate Spaanse optreden bevalt hem helemaal niet. In het
laatste bedrijf, na de aankomst van Alva, neemt Meest Elck Een klagend afscheid
van zijn ‘lief vaderlandt vol rijck-bewoonde steden’ om met Gods
hulp de tirannie te ontvluchten (fol. G3v.). Lant-man blijft achter,
verontwaardigd over de gevangenneming van de adel en vol wantrouwen tegen de
hypocriete geestelijkheid.
21 Na de vertoning van de executie van
Egmond en Horne plaatst de Tydt ten slotte de benauwenis van de ballingen in
het gewenste oudtestamentische perspectief. Hij spoort Nederland aan om het
verdrukte volk van haar vriendin Belgica liefderijk te ontvangen en stelt een -
succesrijke - strijd voor de vrijheid in het vooruitzicht.
Kolm was niet de eerste auteur die door
middel van toneel gebeurtenissen uit de strijd tegen Spanje herdacht.
Jacob Duym, een andere Zuidnederlandse
rederijker in het Noorden en wel de factor van de Vlaamse kamer
‘D'Oraigne Lelie’ te
Leiden, had dit al tien jaar eerder gedaan, met verschillende
spelen. Duym had in zijn bewerking van
Heinsius' Auriacus
de Vlaamse en Brabantse ballingen zelfs | | | | opgevoerd als argument in
de dan gevoerde politieke discussie over het sluiten van het Bestand.
22 Nu, in 1616, lijken de Amsterdamse Brabanders hun
mede-stadsbewoners vooral ook te hebben willen herinneren aan het feit dat de
slachtoffers van de Spaanse tirannie het eerst en meest ingrijpend vielen op
Brabantse en Vlaamse bodem.
In de komende jaren zou ‘Het Wit
Lavendel’, anders dan de inmiddels gestichte Academie van
Hooft en
Coster, Maurits verwelkomen als kampioen
van de orthodoxie. Als de kamer in de loop van de twintiger jaren het toneel
van Costers Nederduytsche Academie gaat bespelen en voormalige Academisten in
haar kring opneemt, verdwijnt de vroegere ideologische profilering en wordt ook
het Brabantse gezicht meer algemeen-Hollands gekleurd.
|
1Gegevens over de Zuidnederlandse populatie in
de Republiek en Amsterdam bij: J. Briels. Zuid-Nederlandse immigratie
1572-1630. Haarlem 1978, en J.G.C.A. Briels.
Zuid-Nederlanders in de Republiek 1572-1630. Een demografische en
cultuurhistorische studie. Sint-Niklaas 1985.
2Briels, Zuid-Nederlanders enz. (noot 1),
p. 116-125. Sinds 1585 was het totaal van de Amsterdamse bevolking wel driemaal
zo groot geworden.
3Geciteerd bij Briels, Zuid-Nederlanders
enz, p. 120-121.
4J.G.C.A. Briels.
‘Brabantse blaaskaak en Hollandse botmuil.
Cultuurontwikkelingen in Holland in het begin van de Gouden
Eeuw’. In: De zeventiende eeuw 1 (1985), p. 12-36.
5Lijsten (met veel vraagtekens) van de leden van
‘Het Wit Lavendel’ in 1598-ca.1628 in: J.G.C.A. Briels.
‘Reyn Genuecht. Zuidnederlandse kamers van Rhetorica
in Noordnederland 1585-1630’. In: Bijdragen tot de
geschiedenis bijzonderlijk van het oud hertogdom Brabant 57 (1974), p.
3-89; m.n. p. 16-20; in 1598-1606: H. Meeus. Zacharias Heyns,
uitgever en toneelauteur. Leuven 1990 [ongepubliceerde diss. K.U.
Leuven], p. 104-109. Veel gegevens over de periode tot 1632 bij: W.M.H.
Hummelen.
Amsterdams toneel in het begin van de Gouden Eeuw.
Studies over Het Wit Lavendel en de Nederduytsche Academie.
's-Gravenhage 1982.
6Voor de relatie tussen Bredero en leden van
‘Het Wit Lavendel’: Aug. Keersmaekers.
‘Bredero en de Zuidelijke Nederlanden’.
In: Handelingen Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en
Letterkunde en Geschiedenis 22 (1968), p. 238-261.
7Zie voor Van Breughel: J.A. van Leuvensteijn.
De kluchten van Gerrit Hendericxsz van
Breughel. Amsterdam 1985. 3 dln.; I, p. 3-7.
8Hummelen, Amsterdams toneel enz. (noot 5),
p. 25-35.
9Over Kolm: M.B. Smits-Veldt.
‘Het gezicht van een Amsterdamse rederijker. De
nalatenschap van Jan Sijwertsz Kolm’. In: Literatuur 8
(1991), p. 93-102.
10Cf. W.J.M.A. Asselbergs. Pascha
problemen. Hilversum 1940.
11In het koor na het tweede bedrijf; cf. E.P.M.
van Gemert. Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in
Nederlandstalig toneel 1556-1625. Deventer 1990. Diss. R.U.
Utrecht, p. 205-206. Hagars vluchte werd in 1990 uitgegeven in het derde
handschriftencahier van het Antwerpse Centrum Renaissancedrama, UFSIA.
Biografica over De Koningh: W. Zuidema.
‘Abraham de Coninck’. In:
Oud-Holland 22 (1904), p. 155-176; G.R.W. Dibbets.
‘Abraham de Koning: van Antwerpen’. In:
Spiegel der letteren 11 (1968-1969), p. 126-128.
12Cf. M.B. Smits-Veldt.
‘Menenius Agrippa op het rederijkerstoneel in
Vlaardingen en Amsterdam’. In: Liber amicorum Prof. dr. Kare
Langvik-Johannessen. Herausg. v. K. Porteman und K.E. Schöndorf.
Leuven 1989, p. 185-197.
13Een inhoudsopgave van beide stukken vindt men
in: G. van Eemeren. Elck raept wat. Inhoudsopgaven van de ernstige
Nederlandse toneelstukken uit de periode 1575-1650. I. Leuven 1991
(Uitgave van het Centrum Renaissancedrama UFSIA), p. 174-178, resp. 187-190. De
twee spelen werden zeer summier op vorm en inhoud vergeleken in: L. Rens.
‘Twee Amsterdamse loterijspelen van 1615’.
In: Een spyeghel voor G.Jo Steenbergen. O.r.v. Fr. Daems en L. Goossens.
Leuven enz. 1983, p. 243-251. Voor de inhoud van de reien in beide spelen cf.
Van Gemert, Tussen de bedrijven door enz. (noot 11), p. 155-156,
204-205.
14[A. de Koningh]. 'tSpel van sinne,
vertoont op de Tweede Lotery van d'Arme Oude Mannen ende Vrouwen
Gast-huys. Amsterdam, voor A. de Koningh, 1616 (cf. de
slotscène met Liefde); Costers Spel vande
Rijcke-man in: S. Coster. Werken. Uitg. door R.A. Kollewijn.
Haarlem 1883, p. 141-205. De normen ten aanzien van bezit zijn zeer
Costeriaans; cf. M.B. Smits-Veldt, Samuel Coster,
ethicus-didacticus. Groningen 1986, p. 188-203.
15Cf. G.A. Bredero, Spaanschen Brabander,
o.a. in III, 2.
16Men heeft lange tijd aangenomen dat De
Koninghs levensschets van de ‘Vreemde’ autobiografisch
geïnterpreteerd zou moeten worden. Dit is echter niet het geval. Cf.
Dibbets.
‘Abraham de Koning: van Antwerpen’ (noot
11).
17I.S. Kolm. Nederlants treur-spel.
Inhoudende den oorspronck der Nederlandsche beroerten, 'tscheyden der ed'len,
'tsterven der graven van Egmont, Hoorn, ende der Batenborgers
[enz.]. Amsterdam, Abr. Huybrechtsz., 1616. Inhoudsopgave bij Van Eemeren,
Elck raept wat (noot 13), p. 198-201.
18E.I. Strubbe en L. Voet. De
chronologie van de middeleeuwen en de moderne tijden in de
Middeleeuwen. Groningen enz. 1960, p. 124: Pasen viel in 1568 op 18
april (O.S.).
19Als Kolm de periode waarin de nu Amsterdamse
Brabanders onder de gewetensdwang van de Spaanse inquisitie zuchtten
vereenzelvigt met de Babylonische gevangenschap van de Joden bevestigt hij dat
zij (nu) de Republiek als hun vaderland beschouwen.
20De in totaal 221 prenten van Hogenberg die op
de Nederlandse geschiedenis van 1158 tot 1610 betrekking hebben, werden in
verkleinde vorm en met 64 nieuwe vermeerderd opgenomen door Baudartius (cf. Fr.
Muller. De Nederlandsche geschiedenis in platen I.
Amsterdam 1863, p.40-43). Ik zag de Franse editie: G. Baudart. Les guerres
de Nassau. Amsterdam, M. Colin, 1616; de prenten met de executies op resp.
p. 49 en 55. Kopieën van Hogenbergs prenten van de executies met
toevoeging van realistische details vindt men in Gysius' eerst anoniem
verschenen editie van de Oorsprong en voortgang der Neder-lantscher
beroerten ende ellendicheden [...]. [Leiden] 1616, als dubbelbladen na
resp. p. 260 en 266 (cf. Atlas van Stolk. I. Amsterdam 1895, nrs. 423 en
426; E.O.G. Haitsma Mulier [en] G.A.C. van der Lem. Repertorium van
geschiedschrijvers in Nederland 1500-1800. Den Haag 1990, p.
166-167).
21Als Lant-man alleen is gelaten door Valsch
Hypocrisie, vraagt hij zich af wat te doen, nu de eendracht is verstoord en
‘swijghert hout de kaers’ (cf. WNT VII, I, k. 682; ‘Voor
iemand de kaars houden’, in figuurlijke zin: hem behulpzaam zijn, zijn
medeplichtige zijn), waarna hij besluit: ‘Ick volgh hem wel by tijts eer
quader wert ons deel’ (fol. H2r.). Volgens Van Eemeren (noot 13, p. 200)
zou hij hiermee bedoelen dat hij op het voorbeeld van (Willem) de Zwijger ook
maar zal uitwijken. Er zijn echter geen aanwijzingen dat Willem van Oranje al
in de zeventiende eeuw algemeen met deze volgens Fruin ‘ongepaste’
naam werd betiteld. Wel heeft Kolm de voor het eerst door Van Meteren vermelde
anecdote kunnen lezen waaruit kan blijken dat Granvelle Oranje zo noemde, o.a.
in de editie van 1608. (Cf. R. Fruin.
‘Willem de Zwijger’. In: idem. De
tachtigjarige oorlog. Historische opstellen. 's-Gravenhage 1909. II, p.
248-255). Kolm refereert echter nergens in zijn spel daaraan, en ook de context
van de passage steunt deze interpretatie niet. M.i. bedoelt de landman juist
dat hij zich maar, wijselijk zwijgend, bij het beleid van de katholieke
geestelijkheid zal neerleggen.
22J. Duym.
Het moordadich stuck van Balthasar Gerards enz.
Ingel. en van aant. voorz. door L.F.A. Serrarens en N.C.H. Wijngaards. Zutphen
z.j. (Inleiding).
|
|