Het Nederlandse renaissancetoneel
Mieke B. Smits-Veldt
verantwoording
©
2007 dbnl / Mieke B. Smits-Veldt
Proloog
I Het Nederlandse Renaissancetoneel: Begrippen en feiten
1. Organisatie van het toneel
2. Genres
3. Dramaproduktie
4. Doel en functie van het toneel
II Voorbeelden en voorgangers
1. De Helicon in Leiden
2. Schooldrama en bijbelse tragedie
3. De tragedies van Seneca
4. De tragedies van Sophocles en Euripides
5. Andere voorbeelden
III Uitgangspunten en dramatheorie
1. Het retorica-onderwijs
2. Voorwaarde tot het navolgen van voorbeelden: principe en techniek van imitatie
3. Theorie
IV Een spiegel van deugd en ondeugd: de eerste toepassing van nieuwe inzichten binnen ‘ D'Eglentier ’
1. Dramaopzet
2. Stof en morele lering
V Ontwikkelingen binnen het renaissancetoneel 1600-1638
1. Doorbraak van nieuwe opvattingen binnen ‘Het Wit Lavendel’
2. Ontwikkelingen binnen ‘ D'Eglentier ’: Rodenburgh tegenover de ‘Nederduytsche Academie’
3. De periode van stabilisatie, 1618-1637
4. Vondel na 1618
5. Toneel buiten Amsterdam
VI Twee conflicterende dramaopvattingen: Vondel en Jan Vos
1. Vondels Gijsbreght van Aemstel
2. 1638-1641: Geïdealiseerde tegenover ongeordende natuur
3. De toneelwetten tegenover natuur en rede
VII De wereld op het speeltoneel: ontwikkelingen binnen de Amsterdamse schouwburg 1638-1669
1. Algemene ontwikkelingen binnen ‘het ernstige’ toneel voor de oprichting van Nil Volentibus Arduum
2. Successtukken uit het repertoire
3. De schouwburg als politieke leerschool
4. De nieuwe koers van Nil Volentibus Arduum
VIII De bestudering van het renaissancetoneel: verleden en toekomst
1. Registraties van het bronnenmateriaal, de teksten
2. Het ‘ernstige’ toneel
3. Het komische toneel
4. Geschiedenis van het Amsterdamse toneel
Register van auteurs en andere personen
Zakenregister
Lijst van illustraties