
Telkens als je een bevalling ‘doet’, krijg je te maken met twee werelden. Enerzijds is er de magie en verwondering: hoe is het in Godsnaam mogelijk dat er uit twee mensen, uit een bevruchte eicel zo groot als een speldenprik, een compleet en perfect kind ontstaat? Dat er steeds weer uit het niets een mens met een bewustzijn tevoorschijn komt? Anderzijds is er de nuchterheid, het aardse: je bent heel praktisch bezig, met poep en bloed, met hard werken, puffen, volhouden en laveren langs de klippen van de pijn. Ook een verloskundige moet zich veel moeite getroosten. Vaak 's nachts op pad, op de idiootste momenten volledig beschikbaar zijn, onregelmatige diensten, helse momenten van vermoeidheid en slaapgebrek. Maar als het kind dan eindelijk tevoorschijn komt en zijn ogen voor de eerste keer opent, ben je opnieuw getuige van dat onpeilbare wonder. Dan staat de wereld even stil. Pure, bibberige onschuld ligt in de armen van een moeder die vastberaden is haar uiterste best te doen om dit kind te beschermen en gelukkig te maken. Zodra een baby zijn ogen opent, kijkt hij de wereld in met die ongelofelijke blik die baby's eigen is. Het is die open blik die je alleen maar bij baby's en geliefden kunt waarnemen. Een hartveroverende en niets verhullende blik, die geen schaamte kent en absolute overgave uitstraalt.
Een baby kijkt als het ware dwars door je heen. Baby's zijn zowel weerloos als krachtig en daarom oefenen ze zo'n onweerstaanbare aantrekkingskracht op ons uit. Iedereen wil zoiets puurs wel even vasthouden, aankijken en toelachen. Als ouders kun je er geen genoeg van krijgen. Als vader en moeder smelt je, keer op keer weer. En als verloskundige laaf je je steeds weer aan die pure rijkdom waarmee je dagelijks, gratis en voor niets, in aanraking komt. Zomaar, midden in de nacht, terwijl de wereld gewoon doordraait, ben je wéér getuige van het mooiste van het mooiste! Zomaar, op twee hoog achter...