Een paar maand vóór zijn dood - nl. op 28 maart 1985 - woonde Rector De Somer in de Grote Aula het universiteitsconcert bij van het Universitair Koor onder leiding van dirigent Luc Geusens. Na de uitvoering sprak de Rector enkele woorden, die door een student en door de Audio-Visuele dienst van de Universiteit op band werden opgenomen. Het was waarschijnlijk de laatste keer dat de Rector in de Aula voor zijn studenten optrad. Hij werd herhaaldelijk door studentikoos applaus onderbroken.
Studenten, Dames en Heren,
Het is in naam van ons allen - en ik weet dat U allen daarmee akkoord zult gaan - dat ik het koor geluk wil wensen voor de uitzonderlijke prestatie die ze ons deze avond geleverd hebben. In naam van de Universiteit wil ik ook zeggen dat wij fier zijn op deze jongens en meisjes - ik bedoel natuurlijk: op deze meisjes en jongens! - niet alleen voor de kunst die ze ons gebracht hebben, maar ook voor de manier waarop ze ons die brengen: met enthousiasme namelijk en met overtuiging.
Het spijt ons dat we deze avond afscheid moeten nemen van de familie Geusens, want het werk dat we zojuist gehoord hebben is het resultaat van vier Geusens - of moet ik zeggen: vier ‘geuzen’ - die gedurende bijna twintig jaar de één de andere opvolgden. Dat is een uitzonderlijk feit in de geschiedenis, denk ik, dat in één gezin vier zonen geboren zijn die alle vier dirigenten geworden zijn van een koor. Men vraagt zich bijna af of de familie Geusens iets anders kan voortbrengen dan ... dirigenten.
Het spijt ons dat het nu de laatste van de reeks is, en dat de familie Geusens er nog niet één of twee heeft bijgemaakt, om nog gedurende enkele jaren te kunnen genieten van de prestaties van hun zonen.
Het zal moeilijk zijn de Geusens op te volgen en ik beklaag hun opvolger. Het zal immers moeilijk zijn om met zoveel maëstro en zoveel charme een ijzeren discipline in het koor te brengen, zoals zij dat gedaan hebben. We kunnen dus alleen maar wachten - vermits de familie Geusens genetisch gedetermineerd is - op de volgende generatie. Ik weet niet wanneer ze zal komen, maar binnen vijf of tien jaar, onderstel ik, beginnen we terug aan een nieuwe reeks Geusens.
Laat me hopen dat ze evenveel charme zullen hebben. Het waren immers niet alleen goeie dirigenten; want als ik zie hoe elk jaar in het koor het aantal meisjes groeit, denk ik dat de dirigent ook een buitengewone charmeur was, met een speciale aantrekkingskracht op de dames.
U weet dat de Universiteit U niet veel kan aanbieden. Maar men heeft duidelijk het gevoel dat een universiteit die arm is, het best zingt. Het is als men arm is, geloof ik, dat men het best zingt.
Het is als herinnering aan deze Universiteit, die fier is op U en van U houdt, dat ik U dit boek over onze Universiteit geef, vermits U toch hier niet blijft; - U hebt het mij daarjuist gezegd dat U geen wetenschappelijke carrière zult volgen; met andere woorden wil dat zeggen - en het spijt me - dat U niet wil ‘leren voor professor’.