De zake die wy hier zullen handelen/ Andachtighe Lezer/ schynt allen onverzóchten int eerste anzien duyster ende onbegrypelyck; ja velen een onnódighe verwerring te brengen in den dingen die uyter Naturen van zelfs klaar ende wel te begrypen zyn. Wort deshalven van zommighe/ als een onnutte wóórdstryding/ veracht; zó de zelve t'enigher tyd inde Scholen óóck ten deele gheweest is/ maar in deze ewe weder tót haar oude klaarheid ghebracht. Welx nutbaarheid tót verscherping des verstands ende zekerheid int óórdelen/ elck duyts (10) klerck door ons behulp zal ghenieten moghen; zó hy hem pynt dezes nuets bolster af te lozen/ der dóppen hardicheid te kraken/ ende de onsmakelycke schil te pellen/ om alzó des kerls zoetheid te smaken: ende dadelyck in waarheid te bevinden/ dat dit een rechtsnoer is/ om bescheydelyck ende bewyslyck/ by ghoede schicking van elck ding/ na eysch te spreken/ ende waarheid van valscheid te scheyden. En al hoe wel eenighe scherpzinnigh zynde van vernuft/ t'zelfde uyter naturen zonder behulp van lering zouden konnen doen: zó is dóch de beslepen kunst in dezen zekerder leydsman als de ongheoeffende Natuur. Want dit zelfde (t'sy men dat een kunst magh heten ófte niet) is een waarneming van veel verstandighe Naturen/ uyt den aart der dingen ende hun eyghenschappen ghevat/ ende is alzó ten lesten veler scherpzinnigher mannen vinding/ tót een zeker eenstemmingh beleed ghebracht: t'welck na reden boven eens menschen natuurlycke begrip te achten is. Van des zelfs waardicheid magh elck na het onderzoeck zelf óórdelen/ immers de daad tuyght daghelyx/ dat door dit behulp de gheleerden den ongheleerden in alles overtreffen. Waarlyck veel verstandighe ver-(11)naamde mannen/ hebben niet te vergheefs de Redenkaveling hóógh gheacht. Eenighe der zelver tuychnissen zullen ons hier ghenoegh zyn/ om des zelfs lóf/ nutbaarheid/ ende eyghenschap/ heerlyck/ verstandelyck ende naacktelyck te verklaren. Augustyn zeyt/ de wetenschap
van Bewysredening is niet by raming inghestelt: maar uyt de onderlinge ghesteltenis der dingen eyghenschap vóórtghekomen. Plato: Oeffent u (byzonder in u jueght) in de Redenkaveling/ die velen t'onrecht een onnutte ende ydele klapperny schynt te wezen: zydy hier in verzuymigh/ de waarheid zal u eewigh ontschuylen. Niemand verwerftse zonder gróte arbeyd/ die een wys mensch met ernst anvaten zal. Het is een ghave door zonderlinge ghoeddadicheid Góóds den menschen verghunt: want van Gód is de zelve door Prometheus als een brandend vonxken tót de menschen ghekomen. Cicero: Zonder t'behulp dezes kunsts achten wy dat elck van de waarheid ghetrocken ende verleyt magh worden: want zy gheeft een middel om waarheid van valscheid te onderscheyden/ ende door gheen waarschynlyke arghelisticheid bedroghen te worden/ verspreyt zich door al de deelen der wysheid/ be-(12)schryft de dingen/ scheyt de onderlinge vermenging/ voeght het ghevólgh te zamen/ ende sluyt iet bestandighs/ onderscheid waarheid van valscheid. T'is een middel ende wetenschap van bewysredening/ uyt de welcke een zonderlinge nutbaarheid spruyt/ om de dingen te overweghen/ óóck een lóflycke vermakelyckheid/ ende een waardighe kennis/ etc. Dien nu lust zulx te ghenieten/ anvaarde met ernst den arbeyd ende moeyelyckheid van leren/ die zó gróót niet is/ alsse wel schynt; zeker zynde dat hy lóónwaardighe vrucht zal ghenieten. Want nóyt heeft eenich mensch hier vernuftighe vlyt te vergheefs anghewent: Ende wat kryghtmen zonder moeyten? Dus laat u de eerste ruwe duysterheid niet afschricken: ófte enighe niewe onghewone wóórden ende namen die wy nóódzakelyck hebben moeten ghebruycken/ om in Duyts duytselyck ende naacktelyck de dingen te handelen. Het zouw ons voorwaar ghereder ghevallen hebben de Latynse kunstwóórden te bezighen/ als wy hadden konnen ghelóven dat die by den onervaren Lezer zó wel verstaan zouden zyn gheweest. Bruycken wy tót een onghehóórt ding een onghewoon wóórd/ dat zelve is uyt ghewone wóór-(13)den ghesproten ófte daar van t'zamen ghezet; door welx betekenis ghy het betekende te beter zult konnen onthouden. Dit bevint elck Latyn ende gheen Griex verstaande over al/ maar byzonder in de Rederyckelycke figuren/ dat zy byt onthouden van de Latynse kunst-namen (dier betekenis zy verstaan) der zelver kracht beter ghedencken/ als by de Griexe/ die hen vreemd zyn: ende zullen lichtelycker onthouden/ wat Gradatio, Ratiocinatio, Incrementum, Repetitio, Interrogatio, etc. Als Tapinosis, Auxesis, Epanodos, etc. beduyden. Dierhalven hebben óóck de Latynen alle wóórden verlatynt: hoe wel datter veel Griexe (alzó hun talen gróte ghemeenschap hebben) meest int ghebruyck ghebleven zyn: maar de Grieken die uyt Egip-
ten de gheleerdheid ten dele ghehaalt hebben/ hebben ghepóóght den Grieken in louter Griex zulx voor te draghen. Dóch wy hebben/ om den ervaarnen Latinisten óóck onze mening kond te doen/ de Latynse wóórden over al op de kant ghestelt: welcke van beyden namaals int ghebruyck zullen blyven/ leert de tyd; t'is ons onteffen. Wy hebben met het overzetten ghemeent den Duytschen klercken het meeste nut te doen: Heeftmen zommi-(14)ghe wóórden niet verstandigh ende duydelyck ghenoegh konnen treffen/ dat is ons te minsten leet. Weet dat wy ons zelven in zulx niet over al hebben konnen vernoeghen/ dies óóck zonder twyfel anderen niet. Maar die iet beters bedenckt maght vóórtbrengen/ zal van niemand meer dancks verwerven als van ons. Wy hebben hier een ghants onghebaande wegh ghehad/ t'zal anderen lichter vallen hier ende daar een wóórd te verbeteren. Dialectike hebben wy niet naarder konnen verduytschen als Redenkaveling: t'welck zommighen herd schynt/ nóchtans ist uyt de dagelyxe ghewoonte van spreken ghenomen. Want deze twee spruecken ghelyckmachtigh zyn: Die man kan wel reen kavelen/ ende hy is een ghoed Dialecticus. Andere noemense Bewyskunst/ welcke naam óóck ghevoeghlyck is/ ghemeenschap hebbende met de werckelycke wóórden dezes kunsts/ als bewysreden ende bewysredening. Zó óóck het onze met Redenkavelen/ t'welck het eyghen werck dezes kunsts is/ dats disserere, waar van Cicero deze kunst Dissertura noemt. Als óóck de Griecken van Dialegome Dialectica. Zulx hebben wy/ zó veel doenlyck was/ met vlyt int overzetten waarghe-(15)nomen/ póghende dat de naam ende het wóórd mochten een zyn/ als Uytbeelding/ Uytbeelden: Scheyding/ Scheyden: Schifting/ Schiften; Besluyting/ Besluyten; Bewysreden/ Bewysredening; Werck/ Wercker/ Wercking/ etc. Voor Uytbeelding/ daar wy Definitio mede verduytschen/ stellen zom Tóón-ding; zom Beschryuing; zom Bepaling. Maar wy hebben dit voor het ghevoeghlyckste na het veelvoudigh ghebruycken ghenomen. Quantitas heeftmen na wil niet konnen overzetten/ t'welck bevat Gróótheid/ Veelheid ende Ghewicht. Deze zyn alle drie onderscheydelyck/ dóch komenze al onder Quantitas/ hier ghebrack ons een alghemeene naam/ ende hebben Gróótheid voor het Alghe meenste ghestelt/ hoe wel onze taal hier in niet arm is: want dezer ghelycke wóórden daar onder vervat worden: gróót/ klein/ dick/ dun/ lang/ kort/ vet/ magher/ plótzigh/ spichtigh/ bol/ tenger/ druystigh/ reyzigh/ lyvigh/ snogger/ vol/ ledigh/ laar/ gróf/ yl/ koever/ hóóp/ veel/ luttel/ weynigh/ vulte/ vuldich/ menight/ ghetal/ zwaarte/ maten ende ghewichten/ etc. Nóch zyn wy verleghen gheweest; andere zullen moghelyck na ons zó hier in/ als in dier ghelycke wóórden daar (16) wy niet ghenoegh hebben konnen doen/
iet ghevoeghlyckers bedencken: Wilt daar en tusschen onze ghoede wil voor t'werck nemen.
T'Vernuft/ het verstand ófte de ziele des menschen is vol fórmen/ beeldenissen ófte kennissen (even ghelyck alle ghewas/ bómen ende kruyden vol vruchten ende zaad) vanden Heere gheschapen. Dóch hoe wel deze dingen in s'menschen ziele zyn/ zynze nóchtans onbekent (als huysraad/ imboel/ ende schildery in een duystere kamer.) Zó komt dan deze Lering als een kaerse/ ende doet anwyzing van zulx/ maar de Oeffening moet mits naarstigh natrachten int onderzoeck alles tót volkomenheid brenghen. Dies is deze /ghelyck al ander kunsten/ een strale der Gódlycker wysheid/ die inde redelycke natuur dit licht onsteeckt/ ende word vóórt ghehulpen en verkreghen door aVernuft, bLering, ende cOeffening, (zó ghezeyd is.) T'vernuft brengdy mede; hier mooghdy de lering ha-(17)len/ maar zyt zeker/ dat zonder t'selfde zelfs in dadelycker oeffening ófte int werck te stellen ghy nemmermeer de zaack recht zult wys worden.
Van elck voorghesteld ding met ghoede redene/ bewyslyck/ grondlyck ende eygentlyck te konnen spreken ende handelen: ófte een middel om waarheid van valscheid te onderscheyden/ ende te verklaren wat elck ding zy/ t'ghevólgh ende het teghendeel van dien: opt kort ghezeyd te konnen bRedenkavelen.
Met ghoede redene de omstandigheid des dings overleggen ende weghen: zó zeydmen/ die man kan wel zyn ty-kavelen: óóck/ hy kan wel reenkavelen ende eerkavelen/ etc.
Die zyn twee/ als Vinding ende Óórdeel. cVinding onderzoeckt ende brengt by al watmen van elck ding zeggen magh: maar (18) dÓórdeel overweeght t'gheen ghevonden is/ ende wyst an de rechte beleding int uytleggen des zaaxs ófte breyden der bewysredenen. Tót de Vinding behóren het eGheschil, de fGhemeene-wóórden, de gZeggelycke-wóórden,
hUytbeelding, iScheyding, kPlaatzen, ende daar uyt vóórtkomende lBewysredenen.
Tót Óórdeel behóórt de mBewysredening, óf handeling der nBesluytredenen, t'welck het rechte eyghen werck van Redenkavelen is. Ende alzó een ghoede schicking den dingen een zonderling licht gheeft/ hebben wy dit alles schickelyck inde byghevoeghde tafel hit kort ghestelt ende verdeelt: de welcke wy int handelen ende breder verklaring vóórts vólghen zullen; slechtelyck de grond (na t'begrip der ankomelinghen) zó kort ende duydlyck ons doenlyck is ontwerpende. Eerst moeter ghespoort zyn/ waar van men Redenkavelen zal: te weten/ wat het aGheschil is/ om t'welck al de moeyte ende arbeid ghedaan wort/ zynde de bStóffe, van Redenkaveling/ als klay de stóffe daar in de póttebacker werckt.
Het voorghestelde daarmen van handelt ófte scheelt/ óf een reden door vraghing in twyfel ghetrocken.
Tweërley eEnkel ende fT'zamenghezet, Enkel gheschil, dat door een ófte luttel wóórden van eenigh ding opt kortst ghevraaght wort: als/ Wat is Redenkaveling/ Wat is Ghelóóf/ zynter Dwerghen/ etc.
T'zamenghezet gheschil, dat door een volkomen reden wordt vóórt-ghestelt/ als óf een Predikant behoeft Redenkaveling te leren/ óf t'Ghelóóf alleen zaligh maackt/ óf de Dwerghen teghen de Kranen vechten etc.
Het T'zamenghezet gheschil word verklaart ende ghehandelt door +Bewysredening daar van wy na spreken zullen: maar het Enkel gheschil zullen wy eerst afhandelen/ alzó dit voorghaat ende wort verklaart door Uytbeelding ende Scheyding. Om tót de welcke te komen ófte die rechtschapen te leren int werck stellen/ zyn voor al nódigh de aGhemeen wóórden ende bZeglycke wóór-(20)den, verklaart/ met der welcker hulp men de Uytbeelding ende Scheyding moet maken.
+Deze zyn als het a b c vant Redenkavelen ófte tittels der wóórden/ ende mercken die de ghemeenschap ende afzondering der verknóchte dinghen te kennen gheven/ ende heten dies Ghemeene wóórden. Alles wat in de Natuur is heeft met andere dingen ghelyckheid óf onghelyckheid/ ghemeenschap
ófte afzondering. Om dan van elck ding onderscheydlyck te konnen spreken/ hebben de Ouden de Ghemeenschap ghedeelt in de minste ghemeenschap/ die zy aGhemeen-ghedaante noemen: als mensch ende beest: Ende inde meeste Ghemeenschap/ dat zy bGheslacht heten: als Dier/ dat mensch ende beest bevat. Desghelyx om de afzondering mede te onderscheyden/ hebben zy in de delen der cZelfstandigheid des dings ghezócht een opmercking die zy dOnderscheid noemen/ als redelyckheid inden mensch: Alzó men dit zwaarlyck inde dingen vinden ófte naspueren kan/ stellen zy daar by nóch een afmercking van (21) enighe oeffening ófte iet dat het ding eyghentlyck an zich heeft; het welck zy dies eEyghenschap noemen: als spreken/ lachen in den mensche. Daar en boven nóch een merck dat by ende van het ding wezen magh/ t'welck zy fToeval heten: als gróótheid/ blanckheid inden mensche/ ende maken te zamen
Ghemeen-ghedaant, Gheslacht, Onderscheid, Eyghenschap ende Toeval: dezer aller óórspronck is het gOndelighe t'welck even ghelyck/ een/ het beghinzel is des ghetals/ is dit het beghin der ghemeen-wóórden; hoe wel t'zelfde daar onder niet gherekent en wort: want zy alle van velen/ ende dit maar van een ghezeyt magh worden.
T'gheen de hLetterwyzen een eyghen name heten: als/ Pieter/ Jan/ Amstelredam/ Hólland/ Amstel/ Ketelduin/ Marcken/ Nierop/ Maymaand/ Zondagh/ ende zó vóórt: te weten /al wat met de óren ghehóórt/ met de óghen ghezien/ ófte met de zinnen ghevoelt magh worden/ is Ondeligh: als/ die Bóóm/ (22) deze Koe/ dat Paerd/ dit Kalf/ die Man/ die ghy ziet is Ondeligh: ende word alzó ghenoemt om datment gheenzins delen magh.
Een zekere fórm/ maxel ófte ghemeen beeldenis/ diemen van de Ondelighe int ghemoet begrypt: ófte een onwezighe fórm óf ghedaant vant Ondelighe int ghemoet gheprent: eens een mensch óf iet ghezien hebbende/ blyft des zelfs beeldenis óf ghedaante in u ghemoed/ waar uyt ghy/ een dierghelycke ziende/ weet dattet een mensch ófte iet zulx is. Die Mensch ófte dat Dórp/
deze Bóóm óf dit Beest/ etc. Die ghy ziet/ zyn Ondelighe: maar de ghemeen beeldenis aller menschen/ Dórpen/ Bómen/ Beesten/ etc. Die ghy door t'ghezicht van d'Ondelighe ghevat hebt/ noemtmen Ghemeen-ghedaant, deze is de naaste ghemeenschap ant Ondelighe: als/ de Ghemeen-ghedaant van Jan/ ófte die mensch die ghy ziet/ is mensch; de Ghemeen-ghedaant van Amsterdam is Stad: klaarlycker in dit vólghende tafelken blyckende.
| Ondelighe. | Ghemeen-ghedaanten. |
|---|---|
| Pieter | Mensch |
| Leyden | Stad |
| Hólland | Landschap |
| Amstel | Stróóm |
| Ketelduin | Duyn |
| Hondsbosch | Dyck |
| Marken | Eyland |
| Nieróp | Dórp |
| Maymaant | Maant |
| Zondagh | Dagh |
Deze Ondelighe mooght ghy zien/ tasten/ etc. Maar de Ghemeen-ghedaant der zelver óf de ghemeenschap ende ghelyckenis hunder wezen/ komt u nimmermeer voor.
Een Naam velen Ghemeen-ghedaanten ghemeen zynde/ t'welck bevat twe ófte meer delen/ door enighe onderlinghe ghemeenschap elck ander ghelyckende; nóchtans in ghedaante onderscheidlyck: Zó dat Ghemeen ghedaante by een stad als Antwerpen óf Amsterdam gheleken word/ daar veel Ondelighe in zyn: ende Gheslacht word gheleken (24) by een Land-schap daar veel zulke steden in zyn/ ófte by een Koning-ryck/ dat veel Landschappen bevangt van verscheyden zeden ende spraken. Te weten/ Dier is een ghemeene naam ende is t'gheslacht van verscheyden Ghemeen-ghedaanten/ die zyn Mensch, Paerd, Koe, etc. Ende zómen vraaght wat is een mensch? Antwóórd/ een Dier. Wat is een Paerd? een Dier. Wat is een Koe? een Dier/ ende zó vóórt als dit tafelken onderscheidlyck tóónt.
| Gheslacht. | Ghemeen-ghedaanten. |
|---|---|
| Dier | Mensch/ paerd/ kat/ hond/ etc. |
| Bóóm | Elzen/ eken/ ypen/ appelbóóm/ etc. |
| Kóórn | Róg/ tarw/ gharst/ etc. |
| Kunst | Letterkunst/ Artseny/ etc. |
| Dueghd | Wysheid/ maticheid/ mildheid/ etc. |
| Plaats | In huys/ op straat/ int veld/ etc. |
| Zomer | Ankoomst/ middel/ nazomer/ etc. |
| Stand | Zitten/ staan/ leggen/ etc. |
| Kleding | Gekleet/ ghewapent/ in de rou/ etc. |
Twevoud; als/ de Onderste Ghemeen-ghedaant/ ende Middel Ghemeen-ghedaant/ (25) alzó óóck het hóóghste ende opperste gheslacht ende t'middel gheslacht; als/ Beest/ zó ghy opwaerts ziet na Dier/ zó ist een Ghemeen-ghedaante/ maar ziet ghy nederwerts na Paert/ Ós/ Varken/ zó ist hun Gheslacht; dit is dan een Middel/ Ghemeen-ghedaant/ ende een Onderste gheslacht. Het hóóghste gheslacht is/ daar onder alle dingen der zelver sóórt vervat worden: zulx zyn de Zeglycke wóórden/ als Zelfstandicheid/ Hoedanicheid/ etc. Ende het Middel-gheslacht is/ dat tusschen het opperste Gheslacht ende d'onderste Ghemeen-ghedaanten ghevoeght is/ blykende an de vólghende nederwerts wassende bóóm/ daar van t'bovenste t'hóóghste Gheslacht is/ ende t'laeghste d'onderste Ghemeen-ghedaante/ waar an de Ondelighe.
| dZelfstandicheid is | ||
| Lichamelyck | onlichamelyck, | |
| Lichaam is | ||
| aLevende | zonder leven, | |
| Levendlichaam is | ||
| bGhevoelyck | onghevoelyck, | |
| Dier | ||
| cVernuftigh | onvernuftigh, | |
| Mensch | ||
| Gedeon, Roemer, Frans. |
In deze twe voorschreven ghemeen-wóórden/ namentlyck /Ghemeen-ghedaant ende Gheslacht hebdy der dingen onderlinghe ghemeenschap/ ande vólghende zuldy hen onderscheid ende verschil moghen mercken.
Het is een deel des dings/ t'welck de Ghemeen-ghedaanten eens zelfden gheslachts onderscheid/ een byzonderste deel der zelfstandicheid des dings: t'welck by t'gheslacht ghevoeght zynde/ een zekere Ghemeen-ghedaante vórmt: als/ Redelyckheid (t'welck een Onderscheid inden mensch is) ghevest zynde an t'Gheslacht; dats Dier/ vórmt een Mensch: ende hier van word ghehandelt int Gheschil/ ahoedanigh is: als/ hoedanigh is de mensch? Antwóórd: Het is een redelyck dier.
Een zeker angheboren vermoghen/ gheneghentheid/ werck/ ampt ófte verciering/ dat een Ghemeen-ghedaante ende allen zyn ondelighen eyghen ende angheboren is: als/ tellen/ spreken/ lachen/ etc. is der menschen (27) Eyghenschap: ende nijen óf brinssen der paerden: blaffen der honden/ etc.
Let op de wóórden der Eyghenschap dat die meer verstaan worden opt vermoghen als opt werck: Want een kind is een mensch/ al kant niet tellen; een stomme is een mensch/ al kan hy niet spreken: Maar zy worden verstaan t'vermoghen te hebben/ hoe wel datter beletsels zyn tót het werck.
Eyghenschap word in vierderley wyze verstaan. Eerstlyck t'gheen dat een Ghemeen-ghedaante alleen eyghen is/ maar niet elken zynder Ondelighen/ als gróótmoedicheid, beleeftheid, etc. zyn enighen menschen angheboren, maar niet allen. Ten tweden/ t'gheen allen Ondelighen der zelver Ghemeen-ghedaant anhangt/ maar die Ghemeen-ghedaant niet alleen: als/ De Kamelion verandert zyn verw/ maar enighe andere dieren óóck. Ten derden/ t'gheen een Ghemeen-ghedaante alleen/ maar niet altyd anhangt: als /Het graauw worden inden mensch/ dóch alleen in d'ouderdom. T'vierde is t'byzonderste/ t'welck een Ghemeen-ghedaante alleen ende allen zyn Ondelighen altyd ankleeft: als/ spreken/ brinssen/ blaffen/ etc. in mensch/ paerd ende hond/ etc.
zeker vermoghen ófte gheneghentheid des ghemeene-ghedaants. Ware Onderscheid der dingen is ons zó verborghen, dat na zommigher mening, in ghene dingen een recht onderscheid te vinden is: maar hier in/ als in vele ander dingen/ voor het ware ghenomen wort t'gheen naast daar by is. Dies ghebruycktmen veeltyds in plaats van Onderscheid (dat wy zelden weten) de Eyghenschappen: dus zeytmen, een hond is een dier, zó is een paerd óóck/ bay viervoetigh/ etc. Wat onderscheid steltmen nu onder hen anders/ als dat de hond blaft/ ende t'paerd brinst? Merckt hier de Eyghenschap voor Onderscheid ghebezight.
T'gheen by hem zelven niet en bestaad/ ende gheen deel der zelfstandicheid is/ maar hangt daar an veranderlyck ende bygheval: ófte t'gheen dat by ende af wezen magh zonder des dings letsel ófte vernieling: als/ de (29) witheid des muurs/ warmte des waters/ verhaartheid/ koude/ dueghd/ gheleertheid inden mensch/ etc.
Nu zynder óóck onschedelycke Toevallen/ die zó an de zelfstandicheid hanghen/ datse daar niet afghescheyden moghen worden: als/ De hitte int vier; de witheid ant sneeuw: Nóchtans maghmense met de ghedachten scheyden: want een ander ding is de hitte ende witheid/ als vier ende sneeuw. Hier op is een alghemene reghel/ Wat in enigh ding een toeval is, magh in ghene dingen een deel der zelfstandicheid zyn.
1 Om te verkunden de ghemeenschap ende afzondering der dingen/ zó ghezeyd is.
2 Ten tweden zynze nódigh gheweten tót het maken van een cschicklick besluyt: want dat bestaat uyt Gheslacht ende Onderscheid: ófte zó dat niet te vinden is/ uyt Gheslacht ende Eyghenschap: ófte uyt de óórzaken óf delen/ zó wy na horen zullen.
3 Vóórt zyn de Ghemeen-wóórden óóck dienstlyck om van de dvóórtstels te óórdelen: (30) want alzó Ondeligh/ Ghemeen-ghedaant/ Gheslacht/ Onderscheid ende Eyghenschap/ t'zamen verknóchte wóórden zyn ende nóódlyck an elck ander hanghende/ ist ghewis dat uyt deze nóódlycke vóórtstels vóórtkomen; maar recht anders ist met de Toevallen/ na dat uyt deze de bewysreden ófte t'middel des besluyts ghetoghen is/ óórdeltmen van de
waarheid ende valscheid/ vande nóódzakelyckheid ende onghewisheid des beslóts: als men zeyd/ Gedeon is een mensch/ een mensch is redelyck/ hy kan lachen/ tellen/ spreken/ etc. Dees hanghen nóódzakelyck aan elck ander: maar zegdy/ Gedeon is gheleerd/ dat hanght niet nóódlyck an een/ hoe wel dattet zó magh zyn: want Gedeon waar al evenwel de zelve man/ al waar hy niet gheleerd/ etc.
Het zyn de opperste hóófdwóórden der dingen/ in welcker alghemeenheid al watter in de natuur is betoghen wort/ een ophóping der Ghemeen-wóórden; een by-eenbrenghing van elck ding tót zyn opperste gheslacht: ende worden zó ghenoemt om datze iet zeggen van de dingen. Al wat inde natuur is/ wort (31) onder deze twe wóórden/ Zelfstandicheid ende Toeval begrepen/ na het bekende vaers/
Magnus Aristoteles, trutinans cacumina rerum,
In duo divisit quidquid in orbe fuit.
Omne ens est substantia aut accidens.
Dat is/ Alle wezen is Zelfstandicheid ófte Toeval: Maar verstaat dat de vólghende wóórden/ Wezen, ding, t'ghoed, t'ware, iet, ende een, boven de Zeglycke-wóórden zyn/ ende daar onder niet vervat worden. Maar het hóóghste gheslacht der zelver Zeglycke wóórden is Wezen/ dit deeltmen in Zelfstandicheid, dats dinghen die by hem zelven bestaan: (t'welck het eerste ende voornaamste Zeglyck wóórd is/ daar al de andere anhanghen) ende in Toeval: dat is/ t'welck by gheval is: Hier onder zyn de vólghende neghen Zeglycke-wóórden begrepen: als /Gróótheid, hoedanicheid, betrecking, etc. Ende worden alle tien niet inder daad/ maar alleen by +afneming onderscheiden/ want an de Zelfstandicheid hanghen al de neghen andere als toevallen/ dóch zynse alzó an malkander verbonden/ dat de toevallen niet en zyn zonder de zelfstandicheid/ óóck vindmen gheen zelfstandicheid van toevallen gheblóót.
Om van alle dingen inde gheheele natuur te vatten ende te onderscheyden
een zeker gheschick: want deze tónen u/ zó ghy iet wat begrypen ófte naspueren wilt/ van waar het ghemoet beghin nemen zal/ ende hoe wyd zich dat strecken magh. Want vant opperste Gheslacht (dat een grondvest aller dingen is) dats van Wezen, lóóptmen door al de dingen onderscheidlyck+ tót de laeghste Ghemeen-ghedaante ende Ondelighe/ het Onderscheid ende de Eyghenschappen merckende: zó de byghevoeghde tafel duydlyck uytbeeldt.
Die zyn tien in ghetal/ 1Zelfstandicheid, 2gróótheid, 3hoedanicheid, 4betrecking, 5doen, 6lyden, 7waar, 8wanneer, 9stand, ende 10hebbelyckheid. Tót een plomp en naackt exempel/ mooghdyze onderscheidlyck uyt de vólghende sprueck afnemen: 1Antonis die 2langhe 3listighe 4Schermeester/ 5schutte een schermslagh 6op zyn arm/ 7inde straat/ 8te middagh/ 9staande int verzet/ 10in hoos ende wambeys.
Alle wezen is zelfstandicheid óf toeval. Alle toeval is avolstrekt óf bbetreckelyck.
Volstreckt dat is die alleen by zich zelven opmercking hebben/ als gróótheid ende hoedanigheid: Betreckelyck die by iet anders verleken worden/ als de zeven vólghende/ Betrecking/ Doen/ Lyden/ etc. Van welcke de 6. leste alle onder Betrecking vervat worden: Dóch zynze by den Ouders verscheidlyck ghestelt/ om den leerlingen te duydlyker hun onderscheid te betónen/ die welcke (zó Quintilianus tuyght) ghelyck de nauwhalsde kruyken het overvloedigh daar opgheghoten water niet in laten/ maar allengskens gheghoten zynde lichtlyck vol worden/ óóck stuxwys de dingen beter verstaan.
Een wezen dat by hem zelven bestaat/ ende dat niet anders daar toe en behoeft dattet zy: t'is een grondvest daar alle ander vólghende toevallen anhangen: Kortlyck/ Gód/ Werld/ Hemel/ Aerd/ Gheest/ Dier/ Element/ Wind/ Sterre/ Bóóm/ Vrucht/ ende zulx alles/ wat (34) by hem zelven bestaat/ is onder dit wóórd begrepen: zó ghy inde tafel mercken mooght.
Hoe wel deze dingen (ghelyck ons lichaam met klederen) met de toevallen overtoghen zyn/ alzó dat wy de zelfstandigheid van die mensch/ bóóm/ ófte steen/ etc. niet en zien/ maar de toevallen: als/ de gróótheid/ verwe/ fórm/ etc. zien wy. By exempel: De fórm van s'menschen lichaam weet ghy/ t'selve in een besloten Zarck langhe Jaren gheleghen hebbende/ zal tót aerd gheworden zyn: Hier is de zelve Zelfstandigheid een ander fórm hebbende. Backt van die aerd een steen/ de fórm verandert weder/ alzó koondy int verstand/ de Zelfstandigheid vande Toevallen leren scheyden/ die u andersins nimmermeer dan met Toevallen bekleet voorkomen.
Daar mede de Zelfstandigheid in veelheid/ wyde/ langte/ dickte óf ghetal ghedeelt word; t'is de gróte des dings/ diemen alleen met de ghedachte vant ding óf vande Zelfstandigheid (zó ghezeyd is) scheyden magh.
Twevoud (zó de tafel uyt wyst) averknóchte ende bverdeelde.
Verknóchte: welcke des dings gróte bevat/ hier onder behóren langte/ brede/ ende dickte; hoe wel die zelve inder daat d'een zonder d'ander niet zyn moghen ófte verdeelt worden: nóchtans wordenze int ghemoed by afneming onderscheyden. Hier maghmen óóck niet verstaan de Zelfstandigheid ófte lichamelycke stóffe (die tót het vorighe Zeglyke wóórd behóren) maar alleen de gróótheid zelve des dings/ by ghedachte vant ding ghenomen.
Verdeelde gróótheid, is een menichte uyt verscheyden delen bestaande/ ófte welx delen van zich zelven verscheyden zyn/ ende is tweërley: als/ cGhetal ende dGhespreck. Ghetal is een menichte uyt enicheden verzaamt. Ghespreck, is der uytghesproken silben gheschick/ hebbende verscheyden mate/ tyd/ ende verandering in kortheid ende lanckheid der silben.
Onder Gróótheid behóren de namen aller maten daarmen iet mede meet/ ende t'ghe-(36)tal ende veelheid der dingen: kort alle wóórden diemen magh antwóórden op de vraghe hoe veel, ende dierghelycke.
Een hebbelyckheid/ gheneghentheid ende ghesteltenis des ghemoeds/
ófte lichaams/ daarmen een bynaam af ontfangt: als Wysheid/ starckheid ende welsprekentheid inden mensche/ is een Hoedanigheid in hem/ daar af hy wys/ starck ende welsprekende ghenoemt word. Naacktelyck ghezeyd: t'is een toevallende fórm waar duer de Zelfstandigheid werckelyck is: als de hette is een hoedanigheid des viers/ koude des luchts/ dróóghte des aardrycks/ ende vochticheid des waters: ende na dezer vier hoedanigheden verscheyden vermenghing/ is der kruyden zap/ heylzaam óf hinderlyck/ ghezond óf onghezond.
Onder Hoedanigheid behóren alle dueghden/ ondueghden/ gheneghentheden/ kunsten ende leringhen/ óóck de hebbelyckheden des lichaams/ als zwemmen/ danssen/ allerley handwercken ende ambachten/ t'vlieghen der voghelen/ etc. óóck verwen ende zmaack/ (37) ende zulx wat met de zinnen bevat wort/ ende al wat een ambachtsman maackt: als/ een Huys/ schip/ schap/ kerck/ kleed/ wercktuygh/ ghereedschap/ etc. Te weten/ der zelver dingen maaxel/ maar niet de stóffe daarze van ghemaackt worden: als Hout/ steen/ yzer/ etc. die onder Zelfstandigheid behóren: alzó de menschen ghene Zelfstandigheden/ maar alleenlyck enighe herstelling ófte vervórming inde zelve maken kan: want kunst is een nabóótser des natuurs. Dóch de namen der dingen die met kunsten ghevordert worden/ maar door de natuur voltóyt/ behóren tót de Zelfstandigheid: als/ zout/ bróód/ kalck/ lym/ pick/ teer/ etc.
Een Hoedanigheid door ghewoonte van doen ófte oeffening verworven:+ t'is een be-(38) hendigheid ófte zeker rascheid uyt het menighvuldigh ghebruyck ende herdencking ghesproten ende vóórtghekomen: neemt by ghelyckenis/ even zó hard was doort veel handelen weeck wordt; alzó verkryght het ghemoed ende de wil ófte het lichaam der menschen (eyghentlycke *onderwurpsels der heblyckheden zynde) doort veelvoudigh herdoen ende ghestadigh ghebruyck/ een behendigheid de1) hebbelyckheid ghenoemt word. Als een Luytslagher/ die doort veel doen zyn vingheren alzó went/ datze zonder missen de snaren na verandering eenparigh doen klinken. Die een
meester is in eenighen kunsten/ werckt lichtelyck/ leechlyck/ ende zonder moeijelyckheid/ ja met ghenueght alle alzulck werck als van zyn hebbelyckheid bestiert ende ghehulpen word. Die lang t'cyferen ghepleeght heeft/ kan niet alleen zeker/ maar óóck leeghlyck ende zonder moeijelyckheid rekenen: ende alzó vóórt in allen kunsten.
Door Natuur/ Lering/ ende Oeffening; De redelycke Natuur is der Hebbelycheden (39) alleen ontfangbaar/ ende schickelycke wyze ófte manier van leren veróórzaackt/ datmen te eer de Hebbelyckheid verwerft: maar een wackere oeffening overtreft verre aller meesters lessen ende leeringhen: t'ghebruyck óf oeffening zeydmen gheeft de kunst.
Vólghens de bekende reghel: Na de onderwurpsels deeltmen de toevallen: Want even ghelyck de mensch van lyf ende ziel is t'zamen ghevoeght/ alzó zynter twe gheslachten der Hebbelyckheden: als/ des Lichaams ende des Ghemoeds.
De Hebbelyckheden des ghemoeds/ zyn zom des verstands/ zom des wils. Want de redelycke ziel/ waar by de mensch werd van andere dieren onderscheyden/ word toegheeyghent tweërley vermoghen óf macht iet te doen; als /Verstand ende Wil. Het Verstand heeft voor zich waarheid/ óf lóghen; de Wil een ghoed ófte een quaad voornemen.
De kennisse die int verstand is/ deelt zich in kennisse enkeler dingen/ ende kennis der (40) vóórtstellen. Deze zyn onzeker: als/ Waan en Vermoeden: Ófte zeker: als/ Wetenschap/ Kunst/ Verstandicheid/ etc. Als ghy enigh kruyd an t'maaxel by zyn naam kent: als/ Wynruyt, Alst, etc. Dat is kennis enkeler dingen: maar kennis der vóórtstellen is van t'gheen dat wy toestemmen ófte niet: als óft zelve kruyd verwermt/ ófte voor Ghelezucht/ Pest/ ófte iet anders nut ghebezight is/ etc.
De Wil is ghoed ende werckt dueghd; ófte quaad ende werckt ondueghd: by deze twe Wil ende Verstand delen zich al de Hebbelyckheden des ghemoeds/ zó in de byghevoeghde tafel blyckt.
Tis een kracht ófte vermoghen iet te doen/ den Zelfstandigheden angheboren/ ende niet by kunst van buyten daar in ghebracht als de Hebbelyckheden. T'is macht ófte rasheid iet lichtelyck an te grypen ófte te doen ofte niet te lyden/ vande natuur t'ghemoed ófte lichaam gheghunt: als/ de Moed/ Wil/ Vernuft/ Óórdeel/ Ghedenckenis/ Leerlyckheid/ Ghezondheid/ de mensch bequaam te zyn (41) tót lachen/ een Paerd starck ende rasch te zyn/ de Visschen te konen leven onder t'water/ de Voghelen vlieghen/ des Steens hardigheid/ het Vermoghen in ons te konen zien/ hóren/ spreken/ etc. Zwaarmoedicheid: des Aards ófte Gheslachts namen zonder betrecking ghenomen: als een Knechtken: óóck des Ouderdoms/ als jueghd. De Natuurlycke ampten des ziels/ als voedende/ ghevoelende/ en met reden beghaaft. Óóck de krachten der Ghesteenten/ Kruyden/ Vruchten/ Ghesternten/ ende Elementen/ etc.
Natuurlyck onvermoghen hóórt hier me onder: als/ Onleerlyckheid/+ Verghetelheid/ Onghezondheid/ de Beesten niet te konnen spreken/ nóch de menschen vlieghen/ etc. Want de Hoedanigheden als boven verhaalt is/ zyn t'ghereedschap ende wercktuigh des natuurs.
Een beroering ófte stuernis/ een schielyke beweghing des lichaams ófte des ghemoeds. Des ghemoeds isser vier: als/ aLust, bVrolyckheid, cHertzeer, ende dAngst, daar de ander al anhanghen/ welcke spruyten ófte (42) verweckt worden uyt de begheerlycke ófte afkeerlycke beweghinghen des ghemoeds, etc.
Ontroernissen des lichaams zyn: als/ bleeckheid uyt vreze/ ende róódheid uyt schaamte vóórtkomende/ etc.
Onder Ontroernis behóórt óóck elydelyke Hoedanigheid: welcke spruyt uyt enighe gheneghendheid/ ófte des ghemoeds: als/ ontzinnigheid/ uyt droefheid spruytende/ etc. óf int lichaam: als /verharing en zwartheid int lichaam van hitte/ ófte Bleeckheid van zieckte veróórzaackt/ etc.
Dan zynder lydelyke Hoedanigheden die de zinnen beweghen ófte den zinnen onderwurpen zyn: als/ Verwen/ Gheluyden/ Roken/ etc. die des Ghezichts/ Ghehóórs/ Roocks/ Smaacks/ ende des Ghevoelens/fvoorwerpen zyn.
Een zekere wyze óf ghesteltenis der gróótheden/ als een Cirkel/ Driehoeck/ Vierkant/ etc. Deze zyn Natuurlyck: als/ des Hemels rondheid: Ófte Kunstlyck: als/ de vierkantheid des tafels. Hier onder behóórt óóck +de (43) fórm óf maaxel: dat is een bequame ghesteltenis ófte schóónheid zó inden dieren/ als in den dingen.
Tót hier toe hebben wy de drie volstreckte Zeglycke wóórden verhandelt: nu komen wy an de Betreckelycke/ ende eerst ande Betrecking/ waar onder al de vólghende begrepen worden. Deze valt den ankomelingen zwaar te begrypen/ dies zullen wy die wat breder handelen.
Der dingen onderlinge anklevighe verlycking teghen elckander: ófte t'gheschick vant een teghen t'ander. Want by Betrecking worden de dingen niet betekent/ maar der zelver onderlinge verbinding. Ende t'wóórd Betrecking word alleen by aVerghelycking verstaan/ als Leeraar en Leerling/ Vader en Kind/ Man en Wyf/ Meester en Knecht/ etc. Want gheen Leeraar magh verstaan worden ófte daar moeten twe personen onderling verleken worden/ een die Leeraart óf onderwyst/ ende een die gheleerd (44) word/ 44 t'wóórd Vader magh desghelyx niet verstaan worden/ ófte men moet teghens een houden den ghenen die teelt ende die gheteelt is: deze onderlinghe ghestaltenis van t'een teghen t'ander/ Vader teghen Kind/ Leeraar teghen Leerling/ etc. noemtmen Betrecking.
T'ding daar uyt de Betrecking spruyt: als/ Zelfstandigheid/ óf Gróótheid/
óf Hoedanigheid: want alle grond der Betreckingen moet uyt de volstreckte duydlyke-wóórden ghezócht zyn.
T'gheen derwerts de Betrecking streckt. Zó is dan Betrecking de voeghing tusschen de Grond ende t'Merckteken: als/ zó men (45) van een Vader spreeckt/ de Grond is de telende persoon óf t'werck des telens/ t'welck óórzaack is dat hy Vader heet. T'Merckteken is de gheteelde parsoon/ óf gheteelt worden. De Betrecking ende het ópzien is de Vaderlyckheid/ zó te zeggen: t'welck deze als uyterste dingen kóppelt ende an een bind. Alzó óóck der ackeren Scheijelsteen/ zyn Grond is steen/ het Merckteken is t'gheen datze betekent/ als Scheyding ende Afpaling der ackeren; maar Betrecking is de schicking waar by de steen ghestelt is/ als een afpaling. Dit zyn exempelen ghenomen uyt de Zelfstandigheid. Neemt nu uyt de Hoedanigheid tót exempelen: Verwerming ende Kóóp; des verwermings Grond is de Zon óf t'Vier: t'Merckteken is t'water/ óf enigh ander ding dat ghewermt word: de Betrecking is de óvertócht ófte toekoomst des wermts tóttet water/ ófte enigh ander ding.
Des Kóóps Grond is de waar/ het Merckteken is de prys/ de Betrecking is de verhandeling des waars om die prys. Neemt óók tót een exempel uyt de veelheid de Cifering; daar is t'ghetal dat by een ander verleken wort de Grond/ het ander ghetal daar toe zich de verlyking streckt/ is t'Merckteken: (46) als acht teghen vier heeft een dubbeld bescheid/ zó is dan acht de Grond dezes dubbelden bescheids ende vier is t'Merckteken: Betrecking is de verlycking ófte teghen-een-houding beyde der ghetallen.
Alle wóórden van Maaghschap/ Ghezelligheid/ Verbintenis/ Menghing ende Ghemeenschap.
By veelheid/ door Ghelyck ende Onghelyck/ Even ende Oneven/ t'Kleyn teghen t'Gróót/ het Effen teghen t'Oneffen/ etc. óóck d'Eerste ende twede/ Enckel ende Dubbel/ etc.
By Hoedanigheid/ door Ghelyck ende Onghelyck worden verleken d'een
gheleerde teghen d'ander/ de Vermetele teghen den Vermetelen/ de Man teghen de Vrouw/ etc.
By Doen ende Lyden door Telen ende Maaghschap: als/ Vader met de Zoon/ Gróótvader met de Neef/ de Schóónvader met de Behoutzoon/ etc.
By ghelycke verlycking: de Kóper met de Verkóper/ Man ende Wyf/ d'een vriend teghen d'ander.
By onghelycke verlyking: Leydsman ende Vólgher/ Hópman ende Soudenier/ Heer ende Knecht/ Overst ende ghemeen Borgher/ Meester ende Jongen/ etc.
Óóck by allerley onderscheid van personen: als/ Vrijen ende Slaven/ Anklagher ende Verwerer/ d'een Buurman teghen d'ander/ een Zittende ende een Staande/ de Rycke ende Arme/ de Bemantelde teghen die in Hoos ende Wambeys lóópt/ etc.
By Ghelyck ende Onghelyck/ Gróótheid ende Kleynheid/ Veel ende Luttel/ d'een Acker teghen d'ander/ de teghenwóórdighe met de verleden Tyd/ Dubbeld ende Enkel/ T'gheheel mettet Deel/ Drie teghen Zes/ de Ketel teghen de Pót/ etc.
By Ghelyck ende Onghelyck/ Dueghd teghen Duegh óf Ondueghd/ des eens Lóón (48) ende Glory des anders Smaad/ Wetenschap teghen wetenheid ófte Onwetenheid/ Waar ende Vals/ Wit ende Zwart/ Vrundschap ende Vyandschap/ ende zó vóórt.
Tweërley/ Eyghentlyke/ daar t'een zonder t'ander niet verstaan magh worden: als/ Vader zonder Zoon/ Bergh zonder Dal/ Leydsman zonder Vólgher/ Momber zonder Onmondighe/ etc.
Oneyghentlyke: als/ Wetenschap ende t'gheen gheweten magh worden/ die boven haar eerste betekenis óóck een gheneghentheid iewerts toe beduyden.
Een toevoeghing ófte roering des doenders tót het lydende/ waar duer enighe verandering int lydende gheschiet: als/ verwerming is een toevoeghing des viers tót het water/ door t'welcke de verandering der Hoedanigheid des waters als des lydendes (49) gheschiet/ dat te voren koud was ende nu warm word/ etc.
Des Natuurs: als/ Telen/ Verwermen/ Verroeren/ etc. Des Wils: als/ Burgherlyke heersching/ Kóópmanschap/ Ambachten/ Schryven/ Schilderen/ etc. Alle wóórden die iet te doen betekenen/ behóren hier onder: Maar dees worden uytghezondert: Staan/ Zitten/ Leggen/ etc. Die onder het neghende duydlyke wóórd Stand behóren. Óóck zyn uytghezondert de wóórden der menschen zinnen en gheneghentheden: als/ Hóren/ Zien/ Smaken/ Benyden/ Vrezen/ Warm óf Koude ghevoelen/ etc.
Een toevoeghing ófte roering des lydendes tót het doende/ een ghedóghing eens niewen werckings des doendes.
Des Lichaams: als/ Gheteelt/ Werm/ Verroert worden/ etc. Ende des Ghemoeds: (50) als /Tóórnigh/ bevreest worden/ etc. Hier onder hóren alle Lydende wóórden.
Dit heet Doen/ welx wercking van zich tót enigh ander ding streckende ghagheslaghen word: maar Lyden/ daar in de zelve wercking waarghenomen word: zy verschelen onderling by Betrecking, als gheven en ontfanghen. Als int wermen ist nódigh datter iet zy daar van dat werck vóórtkomt; neemt het Vier/ óf de Zon: dan moeter iet zyn daar in het vier zyn
kracht baart/ dat is t'gheen verwermt word/ als t'water; zó heetmen dattet vier Doet/ ende t'water Lydet/ etc.
De 4. volghende duydlyke wóórden zyn als Omstandigheden des Zelfstandigheids.
Begrypt de beschryving des plaats daar in Iet is/ Was/ Gheschied/ Gheschied is óf zal gheschieden: als/ in Huys/ Hier/ Daar/ Binnen/ Buyten/ Boven/ Onder/ etc.
Bevat het onderscheid des tyds (even alzó Waar doet des plaats) als Huyden/ Ghisteren/ Eertyds/ Namaals/ etc.
Betekent de stand die Ghestalte ófte Bóótzen des lichaams: als/ Staan/ Zitten/ Leggen/ Bocken/ Hangen: De Torens ende Berghen staan/ de Velden leggen/ de Werld leyd/ ófte hangt: even als de Lucht/ t'Vier/ ende de Sterren. Der onzieligher is maar een stand/ maar der ghezielder lichamen verscheyden/ dat bockt/ óf leyd/ óf staat/ etc.
Daar de ghestaltenis der kleding ófte des omhangsels óf vercierings mede betekent word: als/ verkapt /in Hoos ende Wambeys/ Ghewapend: een Ringh/ Cepter/ óf Rappier draghen: der beesten borstelen ende schobben; óóck hun hóórnen/ klauwen ende tanden/ tót wapenen voerende/ etc. Hebbelyckheid is niet eyghentlyck het kleet ófte omhangsel: maar de omtócht en gheheele fórm /zó het (52) ding daar me toeghemaackt ghepronckt ófte verzien is.
De Ghemeenwóórden ende Zeglyke-wóórden (die zó te zeggen den
a b c/ vande redenkaveling verstrecken) hebben wy over ghehaalt: ende zullen nu vóórt komen tót de Uytbeelding ende Schifting/ die tót de Vinding ende om het Enkel gheschil te verklaren behóren. Want even alzó de natuur de fórmen ende ghedaanten der dingen in een ghelyckfórmicheid gheschickt heeft: zó heeftze óóck die zelve van elck ander iewers me onderscheyden. Deze ghelyckenis der dingen noemen de ouders ghemeenschap: en de onghelyckheid verscheydenheid. Zó is dan de Scheyding nódigh tót verklaring der dingen die onder de ghelyckfórmicheid ófte ghemeenschap begrepen worden/ ende Uytbeelding tót afzondering van de verscheydenheid.
Een reden/ verklarende int kort wat het ding is daarmen van handelt: óf die het ding in de palen des natuurs besloten uyt-(53)leydt: Deze gheschiet in vierderley wyze.
| 1. | Wezentlyke/+ |
| 2. | Óórzakelyke+ |
| 3. | Der Delen+ |
| 4. | Der Toevallen.+ |
1. Wezentlyke Uytbeelding/ die uyt het gheslacht ende onderscheid bestaad: als een Mensch is een redelyck Dier/ etc. Men magh deze óóck vant opperste gheslacht/ door al de onderscheyden/ tót de leste ende eyghentlykste leyden: als dit (uyt de Zelfstandigheid ghenomen zynde) een Mensch is een Zelfstandigh/ Lichamelyck/ Ghezield/ Ghevoelyck/ Redelyck Dier. In deze wyze van uytbeelden ghaatmen niet buyten des Zeglyken wóórds palen/ daar het uytghebeelde onder behóórt; maar uyt des zelfs schicklyken vervólgh wort t'gheslacht ende onderscheid ghetoghen. Dezer ghelycke wezentlycke uytbeelding der Zelfstandigheden vintmen zeer luttel.
Ja: als dezer ghelycke/ dueghd is een Hebbelyckheid des ghemoeds/ de reden ghelyck-(54)fórmigh zynde. Hier is Hebbelyckheid des ghemoeds/ s'dueghds gheslacht/ ende t'vólghende is d'onderscheid de dueghd van d'onduecht scheydende. Alzó wy boven ghezeyd hebben dat onder Wezen de Zelfstandigheid ende Toeval onderworpen zyn/ zó moghender óóck wezentlyke uytbeelding der Toevallen zyn/ die by zich zelf aanghemerckt worden: als/ Hebbelyckheid is een Hoedanigheid des lichaams ófte ghemoeds door t'ghebruyck óf ghewoonte verworven/ etc.
Die uyt het gheslacht ende óórzaacken bestaat/ al/ ófte enighe der óórzaken bybrenghende/ om des dings natuur ófte ghebruyck te verklaren.
aStóffe, bWercker, cFórm ende dEynde. Stóffe, daar enigh ding van ghemaackt word. Neemt by ghelykenis/ Leer/ Laken/ Hout/ Steen/ Kalck/ etc. De Wercker, óf werckende óórzaack/ die iet wat te weegh brengt/ ófte de óórzaker des dings: als/ de (55) Schoemaker/ Snijer/ Scheepmaker/ ende Metzelaar/ etc. Fórm is t'maaxel des dings óf die ghedaante die de stóffe anneemt: als/ de Schoen/ de Róck/ het Schip/ het Huys/ etc. Het Eynde is de waarom dat enigh ding ghemaackt word óf gheschiet: als/ de Schoe om de voet/ de Róck om het lichaam te kleden/ t'Schip om me te varen/ t'Huys om in te wonen. Aldus trecktmen Uytbeelding uyt de Stóffe: Brood is spyze van meel ende water ghebacken. Uyt de Werckende óórzaack: Gheklanck is tweer lichamen t'zamen horting. Een Willekuer is t'gheen de Overheid ghebied. De dagh is een licht door de Zon over t'Aartryck verspreyt. Uyt de Fórm: Een tabberd is een lang kleed met mouwen. Uyt het Eynde óf eyndelyke óórzaack: Mantel is een kleed om t'lichaam te decken. Een Huys is een ghebouw/ beschermende voor wind/ reghen ende onweer. Gherechticheid is een dueghd die elck t'zyn gheeft. Heel voltóyt en volkomen zyn de Uytbeeldingen uyt alle de óórzaken ghetoghen zynde: als/ T'huwelyck is een wettighe ende durighe verenighing van Man ende Wyf/ om kinderen te telen/ ende Overspel te schuwen/ met de hóóchste (56) ghelyckzinnicheid des ghemoeds anghevangen/ des levens ende aller toevalligheden onscheydelycke ghezellicheid zynde. De Stóf is Man ende Wyf/ Fórm de ghezellicheid/ Werckende óórzaack Wettighe ende Ghelyckzinnighe verwillighing: Eynde het telen der kinderen/ etc. Dóch en ist niet nódich alle óórzaken over hóóp te halen/ als het ding met weynighe ghenoegh verklaart kan worden.
Die uyt de delen ende ghedaanten des dings ghetoghen word; als/ een Etmaal is een Wyle van xxiiij. eenpartighe óf ghelyckdelighe uren. Een huys is dat van Grond/ Wanden/ ende Dack bestaat: Philosophie óf
Wysghiericheid/ is een onderzoeck der Letterlyke /Redelyke/ ende Natuurlyke kunsten/ zó veel s'menschen verstand begrypen mach.
Die nyt het Gheslacht ende de Toevallen ghevoeght worden. Want alzó wy t'rechte onderscheid veler dingen niet weten/ neemt-(57)men veel Toevallen t'zamen/ die wy in plaats des onderscheids (ons onbekent zynde) stellen: Als/ de Hemel is een enkel lichaam dat omdrayt. De mensch is een twevoetigh Dier/ zonder pluymen/ recht gaande. De zaylsteen is een steen die yzer tót hem lóckt ende treckt. Door dees middel worden de Dieren/ Visschen/ Voghelen/ Bómen ende Kruyden/ etc. by de gheleerde beschreven: Want zó Aristoteles zeyt/ de Toevallen der dingen waarghenomen zynde/ gheven gróten middel ende behulp/ om van t'wezen der dingen te óórdelen ende die uyt te leggen.
Dat de Uytbeelding niet min óf meer bevatte als t'gheen dat uytghebeeld wort/ en datmenze Kreeftswys omkeren magh: als/ een Mensch is een redelyck Dier/ een redelyck Dier is een Mensch/ etc. datmen de zelve Uytbeelding op gheen ander ding duyden magh/ maar moet zó lang onderscheidlyck ghetoghen worden/ datze des dings alleen eyghen zy: als/ Wat is een Ezel? zegdy t'is een viervoetich Dier; zó isser veel: t'is lang óórd; zó is óóck een muyl: t'is vrucht-(58)baar; daar ist van alle zyns ghelyck afghescheden/ ende Kreeftswys wederom kerende zeghdy recht: een langóórd vruchtbaar viervoetich Dier is een Ezel.
Zó wie iet uytbeelden zal/ dien behoeft des dings Aard ende Eyghenschap wel bekent te zyn: in zulcken gheval zal hy lichtelyck int zelfde iet vinden dattet met andere dingen ghemeen heeft/ ende óóck iet daar mede het vande zelve afghezondert is: als int voorschreven exempel vande Ezel. Gróót behulp ist verscheyden Uytbeeldingen van andere te doorzien/ overweghen/ ontleden/ ende de redenen van elck wóórd naspueren; om daar duer u óórdeel te scherpen/ en door zulcke oeffening een wegh te banen tót de handeling der zelver. Voort eerst ghemene slechte dingen in handen nemende/ die u bekent
zyn; de welcke met bescheydenheid na ghespoort zynde/ zullen u hoop gheven tót meerder. Zonderling nut is de oeffening van Uytbeelden/ eensdeels om de rechte kennis der dingen diemen hier duer noodwendigh verwerft ende ghedrongen wort na te spueren: Ten (59) anderen/ dattet een vaste voet maackt in alle Bewysredening.
Even ghelyck door Uytbeelding vertoont wort wat elck ding is uyt zyn alghemeenheid binnen zyn palen ghedwonghen: alzó wortet door Scheyding in zyn delen verspreyt: Zy lenen elckander de hand: Want de Uytbeelding is veeltyd de Grond des Scheydings/ ende Scheyding is dickwils een voorbereyding om tót de Uytbeelding wel te komen.
Drierley; Als/ Schifting/ Deling/ ende Scheyding der toevallen.
Die het Gheslacht in zyn Ghemeen-ghedaanten scheid: even als de melck schiftende in way ende hót zich deelt. Alzó delen wy Dier in Mensch ende Beest ófte Ve/ een Bóóm in Appelbóóm/ Perebóóm/ Pruymbóóm/ etc. Dueghd in Wysheid/ Rechtvaar-(60)dicheid/ Sterckheid ende Maticheid. Deze Schifting gheschiet door de Onderscheyden ófte door de Toevallen/ die in plaats vande Onderscheyden ghebruyckt worden/ om t'verschil der dingen te tónen: als/ een Mensch is een Redelyck Dier/ ende Beest een onredelyck Dier/ etc.
Daar by t'gheheel in zyn delen ófte eyghen leden verspreyd word: Als/ de Mensch word ghedeelt in Ziel ende Lichaam: het Lichaam/ in Hóóft/ Lyf/ Armen/ Benen. Schifting ende Deling schelen hier in/ datmen van elcke Ghemeen-ghedaante tóttet Gheslacht zeggen mach aldus: Rechtvaardicheid is duechd/ de Mensch is een Dier/ etc. maar vant Deel niet tóttet Gheheel: als/ de Ziel is een Mensch/ t'Hóóft is t'Lichaam. De Fórmen dan ende Ondelighe/ die Schifting onghescheyden laat/ worden vande deling ghescheyden.
Ghelyck als by Schifting Dier ghedeelt wort in Mensch ende Ve/ Bóóm/ in Appelbóóm ende Perebóóm; zó komt dan deling ende deelt Mensch in Lichaam ende Ziel/ (61) t'Lichaam in Hóóft/ Lyf/ etc. t'Hóóft in Óghen/ Haar/ Nues/ Kin/ etc. De Appelbóóm/ in Tacken/ Vruchten/ Bladers/ Schors/ Wortel ende Pit/ etc.
Eerst des onderworpen dings in zyn Toevallen: als, de menschen zyn zom vrije, andere zyn slaven: de Drogen óf Kruyden zyn zom Heylzaam/ zom onghezond. In dezer voeghen delen wy de Zelfstandigheid door al de Toevallighe Zeglyke wóórden ende door veel ghemeen plaatzen.
De twede is dezen recht teghen: te weten/ der Toevallen in de onderworpen dinghen: als/ de goederen zyn zom des Ghemoeds/ zom des Lichaams/ zom der Fortuynen.
De laatste is der Toevallen in Toevallen/ de goederen zyn zom Eerlyck/ zom Nut/ zom Ghenuechlyck. Deze wyze van Scheyding is by de reednaars zeer ghebruykelyck. Al deze Schiftingen doen zeer veel tót verryking eender redene/ ende om overvloed van sprueken te bekomen: Wanneer een ding dat veel omvangt: als/ t'Gheslacht in Ghemeen-(62)ghedaanten/ t'Gheheel in Delen/ ende t'Ding in de Toevallen verspreydt word: Hier uyt dan/ als uyt een Fonteyn ontspringt de eerste Hóóftspruyt der Ryckheid van wóórden ende redenen.
Eerstelyck dat de Delen onder zich strydigh moeten zyn/ ende elck ander teghen ghestelt moghen worden: als/ deze Schifting is quaat/ de Menschen zyn zom Boeren zom Gheleerd: want t'kan ghevallen dat Boer en Gheleerd een man zy.
Ten tweden dat de Schifting uyt zyn verscheyden leden bestaande mettet gheschifte omghestelt mach worden: als/ in de Schifting van Dier/ datmen zeggen mach/ wat een Dier is/ is een Mensch óf Beest: wat een Mensch óf Beest is/ is een Dier/ etc.
Wy hebben verklaart de Ghemeen ende Zeglyke wóórden; óóck uytghe-
leyt de kracht ende wercking van Uytbeelding ende Scheyding. Kerende dan weder daar wy van daan (63) ghekomen zyn/ alzó wy verhaalt hebben dat Gheschil de Stóffe is van Redenkaveling/ óóck dat die twevoudich is/ Enkel ende T'zamenghezet; ende dat het Enkel gheschil verklaart word door Uytbeelding ende Schifting; waar toe der Ghemener ende Zeglyker wóórden kracht eerst gheweten most zyn: Komen wy nu verder/ ende eerst tót de verklaring ende handeling des Enkelen Gheschils.
Een Enkel Gheschil voor ghestelt zynde/ dat een enkel ding bevat/ welcks natuur uytgheleyd moet worden: als/ wat is Vrientschap? wat is Gherechticheid? wat is Ghelóóf? wat is een Dwergh? etc. daar toe word ghebezight +Schickelyck beleed, dat is een zekere wyze van wel te leren/ ófte een rechte schicking na des dings delen datmen verklaren wil. Tót des dings verklaring behoeftmen eerst de Uytbeelding/ dan de Schifting/ dan des zelfs Uytlegging door al zyn delen/ daar na de Óórzaken/ Werckinghen/ Ampten/ de Ghelyckheden ende Onghe-(64)lyckheden/ ende alle de tuyghnissen waar by die niet alleen verklaart/ maar óóck bevestight worden: Dit machmen bevatten in deze acht vraghen/
| 1. | Óf het zy |
| 2. | Wat het zy |
| 3. | Wat ghedaanten ende delen |
| 4. | Wat óórzaken |
| 5. | Wat werckinghen kracht ende ampten |
| 6. | Wat ghemeenschap ende ghelyckheden |
| 7. | Wat strydicheid óf onghelyckheden |
| 8. | Wat tuyghnissen. |
| 1. | D'eerste vraagh is/ Óf het zy? Als deze/ óffer een wys mensch zy/ ófte een gherechtighe? óf Troijen óyt ghewonnen is? óffer dwerghen zyn? Deze fórm van gheschil (die zelden voorvalt) word gheóórdelt by ondervinding by merckelyke tekenen/ ende ghetuyghnis van lófwaardighe tuyghen ófte schriften/ etc. |
| 2. | Wattet zy. Hier behoeft Uytbeelding: als/ wat is Gherechticheid? Het is een dueghd die elck t'zyn toevoeght. Wat is Vrundschap? T'is aller Gódlyker ende Menschelyker dingen een eenstemmighe ghoedghunsticheid ende liefde. |
| 3. | Wat Ghedaanten en Delen. Gherechticheid is Gódlyck ende volkomen/ óf Menschelyck ende onvolkomen. Ware ende valsche vrundschap: De ware is onder maghen óf ghezellen/ etc. |
| 4. | Wat óórzaacken. Hier wert vereyscht zonderling de Wercklycke ende Eyndlycke óórzaken: de Stóf ende Fórm worden meestentyd in de Uytbeelding vervanghen. De Óórzaack der Gherechticheid is Wil/ over een stemmende met de Redelickheid ende zeden. Des waren Vrundschaps óórzaack is Liefde/ de welcke van de dueghd ghebaart ende ghevoedet werd: Des valschen Vrundschaps óórzaaken zyn nut ófte wellust. |
| 5. | Werckinghen des Gherechticheids. Elck te gheven wat hen toekomt: Góde danckbaarheid/ de Overheid ere/ Ghehóórzaamheid den ouders/ ende zó vóórt. Ware Vrundschap onderhoud de ghezellicheid der menschen ende voedet de goetgunsticheid: Voorspoed maacktze doorluchtigher: ende teghenspoet zwacker: Haar eyghenschap is vermanen ende vermaant werden. |
| 6. | Ghemeenschap ende Ghelyckheden: Des Gherechticheids/ Ghoedadicheid/ Bestandicheid/ Waarheid/ etc. Des Vrund-(66)schaps/ Openhertigheid/ Ghevoeglickheid/ Ghediensticheid/ etc. |
| 7. | Strydicheid ende onghelyckheid. Des Gherechticheids is Onrechtvaardicheid/ Bedrógh/ Ghewelt/ etc. maar des Vrundschaps, is Vyantschap/ Haat/ Nyd/ Beveynstheid/ etc. |
| 8. | Tuyghenissen. De Gherechtighe zal zyns ghelóófs leven. Gherechticheid is heylicheid. Onder vrunden is alle ding ghemeen: Waar vrunden zyn daar is ryckdom. Empedocles ende Boëthius zeggen dat de wereld door vrundschap bestaad. |
Tót deze acht vraghen moghen de ghemeenplaatzen daar wy na van handelen zullen ghebracht werden/ als onder de twede Uytbeelding: Gheslacht/ Ghemeenghedaant/ Onderscheyden/ Eyghenschap ende Toeval. Onder de derde: t'Gheheel/ ende Delen/ ende zó vóórts. Aristoteles trecktze altemaal onder deze vier. 1. Óft zy. 2. Wattet zy. 3. Hoe óf hoedanigh het is. 4. Waarom het zódanigh is.