terug  begin  verderprepost

Het vyfde Boeck.

Vande arghlistighe/ bedrieghlycke Sluytredenen: ófte middel/ om de nueswyze lós-staande Bewysredenen te wederleggen.

 

Alzó valscheid in alle dingen dickwils onder schyn van waarheid bedrieght/ ist niet vreemd/ dat int bybrengen ende breyden der Bewysredenen de valsche in de ghedaant der rechte Besluytredenen niet alleen den plompen onervarenen/ maar óóck wel den nauwzienden ende scherpzinnighen verleyden. Weshalven men (niet zonder wichtighe óórzaack) ghewoon is/ tót verhoeding voor dolen/ ende verscherping van een ghoed óórdel/ den

[p. 144]

leerlingen dezes kunsts van Redenkavelen óóck voor te draghen de middelen/ om alzulcke lósse óf valsche Bewysredenen ghewaar te worden ende te wederleggen. Hoe wel dat de gheen die de wetenschap van Redenkavelen wel ghevat heeft/ int (159) breyden der Sluytredenen voor verhaalt/ heeft daar door óóck middel ende kennisse om de mistelde besluytingen te verdilghen/ die zelve in een Schickelyck besluyt treckende; twelck het eyghen werck des Óórdels is. Nóchtans op dat wy in dit deel den onbedreven ankomeling óóck mochten dienen na vermoghen/ als wy in de Vinding ghedaan hebben; zullen wy/ even als de *Letterwyze vande mistelde spruecken/ ende de Artsen vande fenynen benóódzaackt zyn te doen/ óóck vande valsche Sluytredenen handelen.

Eerstlyck merckt: dat Schicklyck-besluyt (daar alle vaststaande Besluytredenen toe ghebracht moghen worden, dryerley is.

11. Bewyslyck. } Schicklyck besluyt.
22. Redenkaveligh. } Schicklyck besluyt.
33. Nueswyzigh. } Schicklyck besluyt.

Bewyslyck Schicklyck besluyt/

Bestaat uyt klare/ bekende/ nóódzakelycke/ ware Vóórtstellen; die gheen bewys ófte vestighing bederf/ maar by haar zelf ghelóóf hebben: als zynde óf uyter naturen/ ófte by lering/ óf ondervinding bekent: ende worden dies +ghenoemt Beghinsels, de welc-(160)ke gheen mensch van ghezond óórdel teghenspreeckt: ende zó iemand die zou willen benenen/ teghen dien weyghertmen te spreken ófte daar is de reden uyt.

Alzulcke beghinselen zyn dezer ghelycke: De plaats is gróter als het ding. Drie is meer als twe. T'gheheel is meerder alst deel. Het is/ óft is niet. Gód moetmen eren/ niemand veronghelycken. Elcken t'zyn gheven. Een lichaam kan niet op twe plaatsen zyn/ etc.

Redenkaveligh Schicklyck besluyt/

Bestaat uyt waarschynlycke ófte ghelóóflycke/ maar niet heel nóódzakelycke Vóórtstellen. De zelve zyn waarschynlyck by den gheleerden ende verstandighen alleen: als dusdanighe/ De Zon is gróter als het aardryck. Enighe menschen ghaan met de voeten teghen ons an. Gheen ding is nut/ ten zy het eerlyck zy.

Zom worden toeghestemt van gheleerde ende ongheleerde: als/ Wel-

[p. 145]

doen hóórtmen met weldoen te verghelden. Den ouders zalmen eren/ etc.

Zom zyn waarschynlyck alleenlyck voor (161) den onverstandighen ende onverzóchten/ ende worden van veel wyze menschen beneent. Ryckdom/ staat ende eer zyn hóóghnutte dingen. Wellust ist opperste ghoed. De Zon is zó gróót alsse schynt/ omtrent twe voet. Schyt conscienty alst gheld kóst. Myn hemd is naarder als myn róck. S'menschen zinlyckheid is zyn Hemelryck.

Nueswyzigh Schicklyck besluyt.

Bestaat uyt Vóórtstellen die al ist dat zyt schynen/ nóch waar nóch waarschynlyck zyn. Hoe wel deze dickwils in haar zelven óóck gheen rechte Sluytreens moghen heten/ al schynen zyt. Het bedrógh is in deze/ Alghemeyn óf Byzonder: het Alghemeyn bestaat inde Fórm óf in de Stóffe/ ófte in Fórm ende Stóf. Het byzonder bestaat inde Wóórden óf in de Dingen. In de Wóórden/ als aDubbelwóórd/ bDubbelzin/ cMenging ende dSchifting. In de Dingen als in/ aToevals misbruycking. bIn t'ghezeg int deel. cOnzeker bewys. dT'ghevólghs onnóódlyckheid. eÓórzaken misbruyck. fVermengde vraghing ende gBewysreens onkund. Die wy alle voor-voets elck int byzonder zullen handelen.

Valscheid in de Fórm.

Dat is inde vlechting óf beleding des Schicklycken besluyts: te weten/ als nóch in de Stóffe/ nóch in de Wóórden/ maar in der Vóórtstellen tegheneenhouding de valscheid schuylt: Dat die mistelt ende niet na de voorghestelde reghels der Wysen ende Ghestalten des Schickelycken besluyts schickelyck ghevlochten zyn: dit noemtmen wanschickelyck besluyt: als zulck-+danighe.

In meest alle heylighen blyft nóch zonde:
Overspel is zonde:
Dies blyft in meest alle heylighen overspel.

Hier vólght uyt ware Vóórtstellen een valsch besluyt/ om dat de fórm wanschickelyck is: want in de twede Ghestalte (daar dit onder zou hóren) en magh uyt enkele toestemmighe Vóórtstellen niet besloten worden.

[p. 146]
Nóch/

Alle menschen zyn dieren:
Ghene ezels zyn menschen:
Dies zyn ghene ezels dieren.

Dit besluyt is valsch overmids de beleding is des eersten/ ende de Wyze des tweden Ghestaltens.

Nóch/

Alle menschen zyn met reden beghaaft:
Alle menschen zyn dieren:
Dies zyn alle dieren met reden beghaaft.

Dit is valsch/ overmids de Wyze is des derden/ ende de beleding des eersten Ghestaltens.

Hoe wederleytmen dusdanighe Sluytreens?

Begrypende de mistelling/ t'welck bevonden wort alsmen die hout an de Ghestalten ende Wyzen voornoemt: dies elck de wóórden Barbara, Celarent, Darij. etc. als zyn a/ b/ c/ in de ghedachtenis behóórt te hebben/ daar by neffens hoe het Onderwerp ende T'ghezeg in elcke ghestalte ghestelt wort/ ende alsdan heeft hy het bedrógh haast wys te worden/ want hier schuylt het bedecktste. De voornoemde wóórden/ door haar klinckletters verscheyden Wyzen der Schickelycker Besluytredenen beduydende/ hebben wy onnódigh gheacht te veranderen/ dewyl het niet meer Latynse als Duytsche wóórden zyn: maar zyn alleen ghemaackt tót dit werck/ (164) daar in zy den Duytsen als den Latynen even dienstlyck zyn.

Valscheid inde Stóffe.

Als een van beyde de Vóórtstellen/ ófte die alle beyde valsch óf twyfelachtigh zyn: het valsche beneentmen; het twyfelachtighe /schift ófte onderscheytmen.

Benening der valscher.

Arghlisticheid betaamt enen wysghierighen mensche niet.
De welsprekentheid der Redenryckelycke beleding is arghlisticheid:
Dees betaamt dan den wysghierighen niet te leren.
[p. 147]

Ick beneen het minder Vóórtstel/want die Uytbeelding des kunsts is valsch: die zelve leert ware dingen schicklyck na den eysch ende hun aard met ghevoeghlycke ende bequame wyze van spreken voordraghen/ dits gheen arghlisticheid maar een natuurlycke rechte wyze van handelen.

Nóch/

Wat niemand toe en hóórt is den vinders gheóórlóft an te tasten:
De kercklycke ghoeden komen niemand toe:
Dus ist elcken gheóórlóft die an te tasten.

Hier wort het Minder vóórtstel als valsch zynde ontkent.

Nóch/

Alle Rederyckers konnen ghoed dicht spreken:
Zuyckerbosken is een Rederycker:
Dies spreeckt hy óóck ghoed dicht.

Het meerder Vóórtstel is valsch/ etc.

Onderscheyding der twyfelachtighe.

Gód verhóórt gheen zondaars:
Alle menschen zyn zondaars:
Dus verhóórt Gód gheen menschen.

Ick antwóórd met onderscheid/ dat enighe zondaars leedwezen hebben ende enighe niet. Vande onboetvaerdighe spreeckt het Meerder.

Nóch/

Alle wercklycke wóórden betekenen wercking:
Gód spreeckt/ ick zal Pharoos hert verharden:
Dus werckt Gód de gódlóze styfzinnicheid van
Pharo/ ende is dies óórzaack der zonde.

Opt Meerder zeg ick onderscheydende dat int Hebreeus de Werckende-wóórden zeer dickwils toelating betekenen.

Waarneming op onderscheyding.

Onderscheyding is óóck nut ende dienstelyck om meest alle arghlistighe

[p. 148]

ende nueswyze Sluytredens bestaande uyt de wóórden ófte dingen (zó hier na vólght) te wederleggen/ ontblóten ende ghewaar te werden. Want alle twyfelachticheid moet door onderscheyding verklaart zyn. Een ghoed onderscheyd verstreckt een brede uytlegging. Die wel onderscheid/ zeytmen/ leert wel: dies zullen wy int spreken alle twyfelachticheid myen/ ende zó iemand die teghen ons invoert/ door onderscheyding wederleggen.

Valscheid in Stóf ende Fórm.

Wat niet zoet is/ is bitter:
Edick is niet zoet:
Dies is edick bitter.

De Stóffe is valsch int Meerder/ ende de Fórm duegh niet: want in d'eerste ghestalte magh het Minder niet benenende ghestelt worden.

Arghlisticheid in de Wóórden.

+Dubbelwóórd.

Zó wanneer de valscheid schuylt inde twyfelachticheid ófte dubbelde betekenis des wóórds.

Een arm is een deel des lichaams:
De Schrift tuyght van Góóds arm:
Dus is Gód lichamelyck.

Dits valsch/ overmits eerst eyghentlyck van een arm ghesproken is/ ende ten tweden in een wyze van byspraack wort arm voor de kracht Góóds ghenomen.

Een Brack ruyckt nauw:
Dit water is brack:
Dus ruycktet nauw.

De dubbelde betekenis van/ brack/ maackt hier doling. Van welcke dubbel wóórden onze als de Hebreeuse taal vol is.

Wat ghy niet verloren hebt/ dat hebdy nóch:
Ghy hebt gheen hóórnen verloren;
Dus hebdy nóch hóórnen.
[p. 149]

Hier zyn als boven/ overmids de dubbelde betekenis vant wóórd/ verloren/ 4. merckteken: want eerst wortet verstaan op dingen (168) diemen ghehad heeft/ ende int twede niet/ als óóck in dit vólghende/ daar/ ziecke/ op verscheyden tyden ghetrocken wort.

Die ghenezen is/ is ghezond:
Die ziecke is ghenezen:
Dus is die ziecke ghezond.

Dubbelzin.

Daar de hele zin twyfelachtigh ófte van dubbel verstand is. Zulx waren veeltyds der Heydenscher Góden antwóórden: als deze/ Aio te AEacide Romanos vincere posse. Waar uyt twyfelachtigh te verstaan is/ óft Pyrrus óf de Romaynen zouden winnen.

Die dórscht bezicht een vleghel:
Jorden Water dórscht:
Dies bezicht hy een vleghel.

Nóch/

Wie op hete kolen staat brant hem:
Jóóst staat op hete kolen en Wacht u:
Dies brant hem Jóóst.

De Bysprueken van Water dórschen/ ende op hete kolen staan/ gheven hier (mids dubbelheid des zins) een valsch besluyt. Want even als aByspreck het dubbelwóórd /alzó (169) gheeft bByspraack meestentyd de dubbele zin.

Menging/+

Ghevalt/ zó wanneer dingen die onderscheydelyck zyn/ vermengt verstaan worden: als deze/

Die zit magh staan:
Socrates zit:
Zó magh hy dan zittende staan.

Het meerder is waar/ zó men dat onderscheidelyck verstaat: als/ die d'ene tyd zit magh d'ander tyd staan: maar neemtmen de zin vermengt/ zó maacktet een valsch besluyt.

[p. 150]
Nóch/

Wat in myn huys is/ dat is inde stad:
In myn huys is een enighe put.
Dus isser maar een enighe put inde stad.

T'ghevólgh is valsch/ om dat het wóórdeken enigh/ int Minder /tóttet Ghezeg/ dats Stad/ niet magh ghetrocken worden: als óóck dit/

Twe en drie zyn even en oneven:
Twe en drie zyn vijf:
Dus is vyf even en oneven.

+Schifting.

Een verwerring uyt deling der leden spruytende/ die vermengt behóren verstaan te worden. Zódanigh is dit/

T'is onmoghelyck dat de zittende sta:
Deze man zit:
Dus ist onmoghelyck dat hy staan kan.

Dit staan/ wort int lest van zitten ghescheyden/ daart eerst byneffens óf te ghelyck te verstaan was.

Nóch/

De Wyzen van Grieken zyn zeven in ghetal:
Solon ende Thales zyn Wyzen van Grieken.
Dus zynze zeven in ghetal.

Nóch/

Alle dieren zyn redelyck óf onredelyck:
Alle dieren zyn niet redelyck:
Dus zynze dan al onredelyck.

Redelyck ende onredelyck/ zyn vermengt int Meerder/ als t'Ghezegh zynde van Dieren; in d'andere wordenze ghescheyden: dit bestaat niet: Óf wilmenze óóck verscheydelyck int Meerder trecken: als/ Alle dieren (171) zyn redelyck /ófte alle dieren zyn onredelyck/ zó is dat valsch.

[p. 151]

Tót nóch toe hebben wy de twyfelachticheid uyt de wóórden spruytende verhandelt/ nu vóórt an de

Twyfelachticheid inde Dingen.

1. Door Toevals misbruycking.+

Zó wanneer t'gheen dat an de Zelfstandigheid behóórt/ Toeval toegheeygent wort; ófte als de Toevallen niet wel ghevoeght worden; óf als wy duer t'gheval der Toevallen redenkavelen iet wat van zich zelven dies halven te zyn: als/

David is zaligh:
David is een Overspeelder:
Dus zynder Overspeelders zaligh.

Wat ick ben dat zyt ghy niet:
Ick ben een mensch:
Dus zyt ghy gheen mensch.

What ghy ghisteren kócht hebdy huyden ghegheten:
Ghy kócht ghister een levendigh kapoen:
Dus hebdy huyden een levendigh kapoen ghegheten.

In deze Sluytredens is t'misverstand in de Toevallen: want David is niet zaligh om dat hy overspeelde: ick ende ghy worden int (172) meerder verschillender wyze verstaan/ int twede na hun natuurlyck wezen: Levendigh óf dóód is een Toeval in kapoen/ ende int meerder wert slechtelyck vande dingen ende niet van al hun Toevallen ghesproken.

Nóch/

Isser gheen tyd/ zó isser gheen dagh:
Ist gheen dagh/ zó ist nacht:
Ist nacht zó isser enighe tyd:
Dus isser gheen tyd/ zó isser enighe tyd.

T'misverstand schuylt hier in dagh/ door des Toevals verdraying; als int vólghende het slapen/

Die wel drinckt slaapt wel:
Die wel slaapt doet gheen zonde:
Die gheen zonde doet is zaligh:
Dus die wel drinckt is zaligh.
[p. 152]

+2. T'ghezeg int Deel.

Zó wanneer t'gheen int deel ófte op zekere voorwaarde ghezeyt wort/ als naacktelyck óf alghemeyn óf slechtelyck ghezeyt te zyn ghetoghen werd: ófte alsmen onder dexel vant deel t'gheheel vervangt: ófte vant byzonder tóttet alghemeyn overtreet: als/

Ryckdom is den misbruyckers meer hinderlyck dan vorderlyck:
Daarom is ryckdom quaad.

Nóch/

Wyn is den kóórsachtigen schadelyck:
Daarom is Wyn niet ghoed.

Nóch/

De vrye wil vermagh niet zonder Góóds ghenade:
Daarom vermaghse niet.

Nóch/

Een Moerjaan is wit an zyn tanden:
Dus is een Moerjaan wit.

Nóch/

Dits een gheschildert mensch:
Dus ist een mensch.

+3. T'ghevólghs onnóódlyckheid.

Als het ghevólgh niet nóódlyck ant voorghestelde hangt; ófte alsmen meent dattet voorghestelde mettet ghevólgh/ als ghelyckmachtigh zynde/ omghekeert magh werden/ ende dattet zó niet en is: ghelyck zulcke/

Alst reghent zó wortet Aardryck nat:
Het Aardryck is nat/ dus reghent het.

Nóch/

Deze Wyn is van Kollen ghekomen:
Dus isset Rinse wyn.
[p. 153]

4. Onzeker bewys.+

Alsmen onzekere dingen door andere die óóck onghewis zyn wil vestighen: óf alst bewys onvaster is alst voorghestelde.

Het Aardryck beweeght zich/
Want de Zon staat an den Hemel stil.

Nóch/

Dronckenschap is hinderlyck:
Want de Wyn is hinderlyck.

5. Der Óórzaken misbruycking.+

Alsmen iet voor een óórzaker des zaacks ófte dings onrecht stelt: als/

De dronckenschap is quaad:
Dus is de Wyn quaad die dat veróórzaackt.

Nóch/

Veel Christenen leven qualyck:
Dus is de Christen lere quaad.

Nóch/

Paulus waarschuwt/ dat hem niemand vande Philosophy zal laten vervoeren:
Daarom is de Philosophy quaad.

Want dat de Christenen qualyck leven; dat de dronckenschap hindert; des en zyn de leer óf de wyn gheen óórzaken: maar hun qua wil ende ghulzicheid: alzó en is de Philosophy als een natrachting van wysheid zynde niet quaad/ maar het misbruyck.

6. Vermengde vraghing.+

Alsmen op meer als een vraghe enkelyck antwóórdt: alzómen van twe menschen/ d'een ziende/ d'ander blind zynde/ vraaght óf die blind óf ziende zyn: ófte van twe dingen/ t'een ghoed ende t'ander quaad zynde/ óf die ghoed ófte quaad zyn. Op zulcke vraghen moetmen onderscheid maken tusschen t'een ende t'ander.

[p. 154]

+7. Bewysreens onkund.

Zó wanneermen iet vergheet/ dat an de Besluytreen/ óf ant bewys behóórde: als/

De Hemel bedecktet al:
Dus bedecktse óóck haar zelve.

Dit ghevólgh is valsch/ want het alghemeyn Vóórtstel most ghebreydelt zyn aldus/ zy bedecktet al behalven haar zelven/ Gód/ etc.

Nóch/

Plato schryft in huys/ hy schryft buyten niet:
Dus schryft Plato/ ende hy schryft niet.

Int besluyt most weder verhaalt zyn in huys ende buyten: anders wortet niet eenssins verstaan/ ófte t'heeft een dubbeld anzien.

Waarneming.

Alle lósse/ wanckelstaande ófte wanschickelycke besluytingen/ worden al onder Bewysreens-onkund vervat/ ende dit is een alghemeyne zetel aller valscher Besluytingen die voren verhaalt zyn/ óóck van andere die tót de vorighe niet ghebracht zouden konnen werden. Want Bewysreens-onkund is een alghemene naam/ betekenende elcke valsche ende wanckelstaande Sluytreden: dies óóck Aristoteles al de zelve hier onder treckt. Dewyl al de Nueswyze Sluytredens ghemeenschap onder een hebben/ ist dickwils qualyck/ óóck nódelóóze hóófdbreking na te spueren/ waar onder men die brengen zou moghen. Deze noemt hy een lósse óf arghlistighe Sluytredening/ doort nalaten van enigh deelken/ tót Uytbeelding des Bewysreens eyghentlyck behórende. Want in een recht Schicklyck besluyt/ nóódlyck uyt het ghestelde t'Besluyt vólghen moet/ ende óóck alzó vólghen/ dattet waarlyck ende niet in schyn zó is: waar van alle arghlistighe/ lósse (177) ende wanschicklycke besluytreens vreemd zyn; die wy tót meerder behulp der leerlingen alle onderscheidlyck verhandelt hebben/ hoe wel zy hier onder óóck moghen ghetoghen ende ghebetert werden/ aldus.

[p. 155]

Betrecking aller mistelder ende arghlistigher sluytredenen onder Bewysreens-onkund.

Elck awanschicklyck besluyt is deshalven ghebrekelyck/ om dattet gheen bSchickelyck besluyt en is/ al schyntet dat te zyn: ófte om dat de teghenspraack niet rechtstrydigh is: ófte dat het wóórd óf ding niet over al een mening heeft. Dit zullen wy opt kortst bewyzen.

Al die onder dubbelwóórd ende dubbelzin bevat werden/ moghen tót Bewysreens onkund betrocken werden/ overmids in de zelve dubbeld verstand des dings ghevat wert duer des zelfs verscheyden betekenis.

Als óóck die onder Menging ende Schifting behóren/ om des Ghezegs verscheydenheid.

Die by Toevals misbruycking/ Onzeker bewys/ Ghevólghs onnóódlyckheid/ Óórzaken misbruyck ghevallen/ komen hier/ om datse inde wetten des Schicklycken besluyts (178) falen: alzó in de zelve het voorghestelde gheen behóórlycke óórzake des ghevólghs in zich heeft. Die door t'Ghezeg int deel gheschieden/ alzó dit niet een zelfde ding toestemt óf beneent/ ist gheen rechtstrydighe teghenspraack ófte eenstemmighe toestemming.

Alzó mede die uyt Vermengde vraghing spruyten/ dewyl inde zelve óóck een van een niet ghezeyt en wert.

Zom die onder de voorghemelde niet betrocken moghen werden/ werden hier mede onder ghebracht: als dusdanighe.

Omghekromt óf onontsluytelyck besluyt.+

Dat van zich zelven spreeckt/ ende de waarheid óf valscheid weer tót hem zelven ombuyght: zulx is het vermelde/

De Hemel besluytet al:
Dus besluytse óóck haar zelven.

Nóch/

Epimenides zeyt/ dat al de Cretensers loghenachtigh zyn: diet zeyt is zelf een Cretenser: dus is hy óóck loghenachtigh: ende behóórt dies gheen ghelóóf te hebben int zeggen/ dat de Cretensers loghenachtigh zyn: (179) Zalmen dit niet ghelóven/ zó zynse dan warachtigh/ ende men behóórtse dies te ghelóven: zó is hy dóch een Cretenser; dies zoumen hem mede in zyn vorighe zeggen ghelóven/ etc.

[p. 156]
Nóch/

Eender wert in zyn slaap vermaant dat hy gheen drómen zou ghelóóf gheven. Wat zal hy doen? zal hy die dróóm ghelóven? zó ghelóóft hy drómen: ende ghelóóft hy gheen drómen/ zó ghelóóft hy die dróóm.

Nóch/

Protagoras de nueswyze óf Sophist zeyde/ dat alle waan waarheid was; dien wederspreeckt Socrates aldus/ Veel luy wanen dat u zeggen valsch is/ dus isset zó: zó is dan valsch/ dat alle waan waarheid is/ uyt u zelfs wóórden.

Nóch/

Daar is een sprooxken van een Crocodil die tót de moeder zeyde/ Zegt my zal ick u u kind weer gheven/ óf niet? Ick zalt u weergheven/ zegdy my de waarheid. Zegdy ja? ick zalt houden/ zó lieghdy: Zegdy neen? zó zal icket houden/ op dat u wóórd waar zy: want ghaaf icket u weder/ zó waart loghen; ende dies most icket dan lycke wel houden.

Nóch/

Socrates zeyt/ dat hy alleen dat wist dat hy niet en wist: maar dat was iet weten: zó wast dan loghen dat hy niet en wist.

Nóch/

Corax een meester inde Redenryck verdong enen die kunst te leren/ te betalen zó wanneer hy dien de kunst volkomelyck gheleerd had: deze de kunst gheleert hebbende is onwilligh tót de betaling: Corax roept hem int recht. D'ander vraaght/ Wat is het eynde des kunsts? Corax anwóórd/ jemand met redenen iet vroed te maken. Hier op zeyt de leerling/ Kan ick u vroed maken dat ick u betaalt heb/ zó ben ick u niet schuldigh; want ick heb u vroed ghemaackt dat ghy betaalt zyt: ende kan icket u niet vroed maken/ zó ben ick u óóck niet schuldigh; om dat ghy my niet gheleert hebt dat icket u vroed maken kan. Maar Corax antwóórt met een verstrickt besluyt/ Ja zeker/ maackt ghyt my vroed/ zó zuldy my betalen; want ghy kent de kunst: ende maackt ghyt my niet vroed zó zuldy betalen/ als door der Rechters vonnis schuldigh ghekent zynde.

[p. 157]

Dezer ghelycke noemtmen onontsluytelycke: maar ghy zult dierghelycke stricken (181) lichtelyck ontlósen/ zeggende (zóót óóck is) dat de wóórden als ghereetschappen/ tót ander dingen/ maar niet tót haar zelven ghebezicht konnen werden. Even als een mes niet ghemaackt is om zich zelf te snyden/ nóch de hamer om haar zelf te klóppen: alzó en tónen de wóórden ófte beduyden haar zelven niet/ maar ander dingen; ende in de wóórden is iet te verstaan van t'gheen daar van ghezeyt/ ende niet het ding zelfs: als hier/ de Hemel bedecktet al/ maar ander dingen: ende de Cretensers zyn loghen-achtigh/ behalven die/ die dit spreeckt; ende die wel mede/ maar niet in dat zeggen. Men zal gheen drómen ghelóven/ maar andere/ niet deze. Als icket Recht win/ zal ick u betalen/ maar niet vande zelve zaack. Socrates zeyt dat hy niet en weet/ maar dat wert verstaan op volmaackte wetenschap. Ende alsmen zeyt al de dieren waren in de Arck van Noë/ wort by vervanging verstaan de ghedaante/ als van elx een paar.

Dierghelycke zuldyer ontellycke door deze ghestalte van Bewysreens-onkund ontlóssen/ daar toe wy hier een Tafelken byghevoeght hebben. Waar in men des Bewysreens-onkund spueren zal onder al de voorghestelde/ tót meerder óf klaarder behulp ende (182) onderrechting der leerlingen/ den welcken dit hele werck dóch alleen ten dienste is.



illustratie

[p. 158]

Verzinning int drucken.
Blad. Reghel.
21. 19. leest Letterwyzen.
36. 23. leest danssen.
37. 22. voor doeu; leest doen.
38. 4. leest even zó hard was.
  12. voor wend; leest went.
  17. leest bestiert/ etc.
42. 11. voor in; leest int.
51. 17. leest verkapt/ in hoos/ etc.
57. 7. voor deels; leest dees.
61. 13. voor rechten; leest recht.
65. 3. leest menschelyck ende/ etc.
68. 14. leest draayt.
70. 6. leest Wysheid. ende dit: die /etc.
  11. leest als hier voor/ wys/ etc.
72. 5. leest óf aldus.
73. 16. voor die; leest dat.
75. 18. voor Zonderlinge; leest byzonder.
78. 5. leest ghlyckmachticheid.
86. 18. voor hem; leest hen.
  22. leest bequame stóffe.
94. 11. voor onzalich; leest onzieligh.
99. 3. leest maken gróte/ etc.
102. 11. voor dic: leest die.
108. 10. leest voort-treet.
114. 10. leest al byna een/ etc.
120. 13. leest Miewys.
131. 2. leest aassen/ aassemen/ etc.
144. 15. leest daarom zullen wy den/ etc.
145. 2. leest leyden.
  14. voor ampt; leest samt.
  21. voor ghetreft: leest ghestraft.
154. 9. voor hen leest hem.
155. 21. voor ófte; leest óft.
156. 23. leest eenstemmigh.
161. 5. leest alsse schynt/ omtrent/ etc.
168. 14. leest dórscht.

*Grammaticus.
1Syllogismus.
1. Demonstrativus.
22. Dialecticus.
33. Sophisticus.

+Principia.

aHomonymia.
bAmphibolia.
cCompositio.
dDivisio.
aFallacia accidentis.
bDicti ex parte.
cPetitio principij.
dFallacia. consequentis.
eNon causa ut causa.
fInterrogationes plures in una.
gIgnoratio Elenchi.

+Paralogismus.

+Homonymia.

aMetaphora.
bAllegoria.

+Compositio.

+Divisio.

+Fallacia accidentis.

+Dicti ex parte.

+Consequentis fallacia.

+Petitio principij.

+Non causa causa.

+Interrogationes plures in una.

+Ignoratio Elenchi.

aParalogismus.
bSyllogismus.

+Reflexa insolubilia.
prepostterug  begin  verder