[p. 183]
+
Rederyck-kunst.
Gheringher is de mensch in velerley manieren
Als menigh beestken klein/ die nochtans alle dieren
In dezen overtreft/ dat hy heeft sprekens macht:
De zulcke dan verdient zeer hoogh te zijn gheacht:
Die int gheen/ daar de mensch met recht in is te loven
Ver boven eenigh dier de menschen ghaat te boven.
a
T'wel-spreken is een kunst/ of schickelijck beleed/
Om cierlijck/ met verstand/ by elck altijd ghereed/
Wat u voor komen magh/ te spreken na 't bewijs// leyt/
Want
b
Redenrijck dat is een wel-sprekende wijsheyd.
Zelden verkrijghtmen die/ alleen door de
c
Natuur/
Of
d
Oeffenings ghebruyck; maar
e
t'kunstelijck bestuur
Vordert in dezen veel/ eerst
f
Nabootsing doch meest
Der ghener die hier in uytmuntigh zijn gheweest.
Eens
g
Reedners ampt/ dat is bequamelijck ter zaken
Te spreken: en daar duer iemand iet vroed te maken
Is
h
t'ende des
i
Vertooghs/ dat tot beweghing streckt.
De
k
Stoffe/ is
l
t'Gheschil of zaack daarmen van spreekt.
En dit is tweërley:
m
Los of vrij/ en
n
Ghebonden.
T'verknochte dat is vast/ an plaats/ persoon en stonden:
Maar t'losse acht persoon/ tijd/ plaatse/ noch gheval:
Daar by zo wert ghevraaght: ofmen oock huwen zal?
Maar of een Philosoph/ vreemd/ arm/ en oud van Jaren/
In dit land/ op dees tijd/ met zulck een/ zal vergharen?
Is een verknocht gheschil: het welck niet wert verklaart
Recht eyghentlijck/ t'moet eerst los en vrij zijn van aard.
Dan deeltmen t'vrij gheschil in dryerley
o
Gheslachten;
p
Betooghzaam/
q
Raadslaghigh/ en
r
Oordelighe klachten.
Betooghzaam zaken zijn/ van ding/ persoon of daad
Versmading ofte lof/ groet/ danck/ en klachten quaad.
Men Raadslaaght meest altijd/ watmen zal doen of maken.
Men wroeght/ of wert ghewroeght/ in Oordelighe zaken.
Voort deeltmen
s
s'Reedners ampt/ in vijven; diemen acht/
+
Vinding/ Beleed/ Bewoording/ Uyt-spraak en t'Gedacht.
De
a
Vinding/ dingen zoect/ die waar zijn of waarschijnlijc/
Ter zaken dienende: dit is meest retrozijnlijck.
[p. 184]
b
Beleding is t'gheschick/ om voor bedachte dinghen/
Op hun bequame plaats ghevoeghelijck te bringhen.
c
Bewoording woorden vint/ oock spruecken die bequaam
En cierlijck zijn ter zaack/ den hoorders aanghenaam.
d
Ghedenkenis onthout/ wat dees drie doen te deghen.
En
e
Uyt-spraac doet bequaam/ spraack en lichaam bewegen.
Te schicken kunstelijck dienen dees altemaal/
T'gespreck/ boec/ brief/ geschrift
f
Vertoogh ofte verhaal:
T'welckmen an zessen deelt: als/ Voorreden/ Vertelling/
Schifting/ Bewering/ het Besluyt volght Tegenstelling.
De
g
Voorreen/ maact bequaam t'hert der gener die horen.
h
Vertelling/ die verhaalt t'gheen is gheschiet te voren.
i
Schifting/ deelt het gheschil/ of datmen zeggen zal.
k
Bewering/ ons bewijs bevestight over al.
l
Weerlegging wederleyt tgheen ons party verdadight.
m
Besluyt eÿndt het gespreeck/ die thert roert of bezadicht.
+
Vande Vinding/
t'Eerste deel des Reedners ampt.
Valt u dan ietwat voor/ daar ghy van hebt te spreken:
Zo dient des zaax gestalt/ voor al wel door gekeken.
An ellick
a
hoofd gheslacht zijn deze vier ghehecht;
b
Betaamlijc/
c
Onbetaamlijc/
d
Twe formigh en
e
Slecht.
Dit zijn
f
Hoedanicheden der drie hoofd gheslachten.
Betamelijcke zaack ist/ als wy iet hoogh achten;
Beschermen ofte laken/ raden of ontraden/
T'gheen yderman/ alzo zouw prijzen of versmaden.
Maar zo wy by gheval iet prijzen onbequamelijck
Of laken dat elck prijst/ die zaack heet Onbetamelijck.
De Twe-formighe zaack/ dees alle bay bevat;
Als t'gheen dat eerlijck wert en oneerlijck gheschat.
Maar brengtmen ietwat by dat niet is zeggens waardigh.
Is als een Slechte zaack/ voor s'hands geacht onaardigh.
+
Vande Voorreden.
Na dees hoedanicheid der zaken wert ghestelt
[p. 185]
De Voorreen zonderling/ diemen zelf ander telt.
+
Het eerst is
a
Openvoorreen/ d'ander heet
b
Bekruyping:
Die (om te maken ghunst) is een bedeckt/ insluyping/
In zaken die terstond van elck werden verfoeyt:
Oock zo des hoorders hert verdraayt is of vermoeyt
Maar Openvoorreen maackt heel opentlijck doch kunstigh
Den hoorder
c
Leerzamigh/
d
Andachtigh ende
e
Ghunstigh.
T'welck
f
eyghenschappen zijn die in een voorreen komen:
Maar doch in alt Vertoogh oock dienen Waarghenomen.
In Twe formige zaac/ daar moetmen d'onghunst minderen:
Op dat de lelijckheyd des zaax ons niet zouw hinderen.
Men maackt Andachticheid/ voor al in Slechte zaken.
Betamelijke zaack/ de Voorreen wel magh staken:
Beghinnen met een sprueck/ wet/ schrift of zulck bescheid:
Dat aller meest dan vest t'gheen datter wert ghezeit.
Doch bruycktmen Openvoorreen/ die zal overhalen
Des zaax betaamlijckheyd/
g
t'hoofd punt int kort vertalen.
Dewijlmen
.1.
Gunst
.2.
Andacht en
.3.
Leerlijcheyd bederft:
So leert dan eerst voor al hoe datmen die verwerft.
D'anhoorder leerzaam wert/ door int kort te betrecken
+
De
g
hoofd zake des zaax: door Andacht te verwecken:
Want die Andachtigh hoort/ is leerzaam daar by neven.
Men maackt Andachticheyd/ zo wy int eerst voor gheven.
+
Te zullen handelen heel zwaar of niewe dingen/
Daar t'volck/ het land/ de stad of hoorders zonderlingen
Veel an gheleghen is/ dat hun voordel of staat/
Vroom leven en Goods dienst of zullix iet anghaat.
En oock zomen verzoeckt dat zy andachtigh horen/
Het welck wy opt Toneel meestentijd zien oorboren.
Men is op vierley wijs Ghunst te maken ghewoon
+
Van ons/ van ons partij/ en toehoorders parsoon/
En van de dingen zelf of t'gheen daar an magh hanghen.
Van ons
h
eyghen parsoon moghen wy ghunst ontfangen/
Hoogh prijzend' onze ampt/ maar zonder roemers gheest.
Of zegghende hoedanigh dat wy zijn gheweest/
Teghen ons Vaderland/ ons Vrienden ende maghen
Of hoorders: Na de zaack dit eyscht en magh verdraghen.
Dat vriendschap/ ghemeen nut/ betaamlijckheyd of nood
[p. 186]
Ons spreken doen/ gheen haat/ wangunst of winste snood.
Zo wy oock ons vernuft en kunst heel klein doen blijken/
En dat wy ons partij hier in niet en ghelijken.
Dat wy ghants niet op kunst/ maar op des zaax rechtvaardicheyd
+
Stuenen/ en op de ghunst der hoorders en goedaardicheyd.
a
Gewroeghd' of klaagh parsoon/ an d'onz' ooc is verknocht/
Dies wert me op zijn naam menighmaal ghunst verzocht.
Van zijn onmacht of macht/ inwendigh en uytwendigh/
Is die arm/ oud/ onmondigh/ weew/ wees of ellendigh
+
Des
b
Weersprekers parsoon gheeft ons tot gunst ooc baat/
Verwecken wy hem
c
Nijd/
d
Verachting ofte
e
Haat.
Wy maken hem ghehaat/ als wy met naackt bescheed
Verklaren/ dat hy is hovaerdigh trouwloos wreed.
Benijt: zo wy zijn staat/ rijckdom en groot vermoghen
Maghen en vrunden hulp/ of zulx stellen voor oghen.
Maar zijn onachtzaamheid of onaardigh gheslacht/
Zijn roeckeloze Wellust/ maackt hem Ongheacht.
Van des
f
Hoorders parsoon/trectmen gunst door t'verklaren
Datmen hun vordel zoeckt of pooght om te bewaren
Hun achtbaarheid: en oock datmen van hen verwacht/
Een oordeel wijs/ oprecht/ dewijl zy zijn gheacht
Rechtvaerdigh ende wijs/ alzomen magh anmercken
(Zonder pluymstrijkerij) an hun voorghaande werken:
Maar van de
g
Dingen zelf/ zo wy loflijk bewijzen
Ons doen/ en voort met een s'weersprekers zaak misprijzen.
De roering of beweghing der
h
hertstochticheden.
Zullen wy int Besluyt wijdlustigher verbreden.
Maghmen in onze zaack iet Onbetaamlijks sporen/
Of is des hoorders hert verdraaijt of moe van horen/
Gheen Openvoorreen past/ zo voren is ghezeit:
Bekruyping voeght daar best: de welck heeft onderscheid.
Wat Openvoorreen doet voors'hands/ bloot en uytwendigh/
Doet dees bedecktelijck/ arghlistigh en behendigh.
Isser iet Onbetaamlix in ons zaack/ alsdan/
Dat de man/ niet het ding/ oft ding/ en niet de man/
Moet waar genomen zijn/ voeght ons breed uyt te leggen:
Dat wy tgheen ons partij/ zeyt of zou' mogen zeggen/
Niet prijzen/ maar versmaan/ als onbillick en quaad:
[p. 187]
Dat wy niet voor en staan/ een dierghelijke daad:
Dat wy s'weerzakers leemten/ niet en willen mellen:
En dat wy die nochtans bedecktelijck vertellen.
Is des hoorders ghemoed van hem oock omghezet/
+
Zijn wichtighste bewijs daar dient meest op ghelet:
Dat ghy terstond belooft/ vant zellefde te spreken:
Neemtet woord uyt zijn mond/ daar hijt heeft laten steken:
Of twijfelt/ van wat punt/ dat ghy voor al en zonderling
Beghinnen wilt/ en brengt alzo t'volck in verwondering.
Zijn zy te horen moe/ zo neemt dan u beghin/
Van iet dat lachlick is/ of niewicheyd heeft in/
Beghuyging/ dubbelspraac/ verdraaying/ iet wat spotlijx/
Van sprooxkens/ van vertelling/ inspraack of iet zotlijx/
Verstelling van een letter/ spreeckt in u parsoon
Iet anders alsmen wacht/ of als zy zijn ghewoon.
In Voorreden slaat gha/ persoons en dings
a
Omstanden/
Zaack/ wijze/ tijd en stond/ by wat volck in wat landen.
Des Voorredens ghebreck/ zal ick u oock ontluyken:
Als u Weerzaker die magh teghen u ghebruyken.
Verdraayen oock na wensch/ of die heel is ghemeen/
Te zeer ghepronckt/ te lang/ en datse niet met een
Verknocht is an de zaack/ of datse niet en tracht
Te maken leerzaamheid/ noch ghunste noch andacht.
Vande Vertelling.
+
Vertelling is bequaam/ die voor gheschiede dingen
Om te beweghen nut/ of iet weet by te bringen/
Als of het waar gheschiet/ daar al de zaack om draayt/
Waar in t'zaad des Bewijs sprockelings is ghezaayt:
Want
b
Vestighing die is des Vertellings bewering/
Vertelling is int kort/ des Bevestighings lering.
Vertelling die moet zijn kort/ klaar en ooc waarschijnlijck.
c
Kort isse/ wildy niet tot s'vollix wanlust pijnlijck/
De zaack van onder op/ verhalen even dom:
Beghint en eyndt daart past/ al kort in ener som.
d
Klaar isse/ neemdy waar des tijds vervolgh: daar neven
Ghebruyckt ghy woorden die gheen duysterheid en geven.
e
Waarschijnlick isse oock/ die tijd/ plaats en parsoon
[p. 188]
Recht wel ghevoeghlyck is/ die na men is ghewoon
Der raadslaghen waarom/ en d'oorzaack aller daden
Verstandelijck verhaalt: diemen niet magh versmaden/
By na-laat van waarom/ tijds of plaats onbequaamheyd:
En datz'ooc zy ghevoeght na s'hoorders aangenaamheyd.
Men bezight gheen vertelling het en zy om voordel:
Of anders blyftse na/ dit staat an s'reedners oordel.
+
Vertelling lang te bruyken is oock vaken kinderlick
Als zy de zaack niet helpt of datse die is hinderlick.
a
T'voortstel dan inde plaats komt die van t'geen wy praten
De hoofdzaack is/ dees maghmen nimmermeer nalaten.
+
Van Schifting.
De Schifting wert ghedeelt in twëerley gheslachten:
Met d'eerste/ na vertelling/ moetmen voor al trachten/
In Oordelighe zaack/ te delen het gheschil:
Wat wy te zeggen hebben/ wat hy zeggen wil
Die ons dan teghenspreeckt: en dat wy niet en helen/
Waar in dat wy verdraghen/ waar in wy verschelen.
Orestes heeft ghedoodt zijn moeder/ sta ick toe:
Maar of hy dat met recht bestaan heeft/ ende hoe
Hy oorzaack heeft ghehat/ blijft in twist: en hier teghen
Dat Klitemnestra Agamemnon heeft versleghen/
Bekennen zy/ maar dat een zoon zijn vaders moord/
Niet met zijn moeders dood te wreken en behoort.
D'ander/ daar wy de delen diemen heeft te zeggen
Verdelen schickelijck/ vervolghens dan uytleggen.
Op dat de hoorder weet/ t'beghin/ het end/ en al
Wat datter is ghezeyt/ watmen noch zeggen zal.
De Schifting die moet
1
kort/
2
Voltoyt zijn en
3
Kleyndelijck.
+
b
Kort isse/ steldy niet/ ten voegh ter zaack ghehelijck.
+
Zo niet elck enkel deel/ maar alleen zy ghestroyt
Gheslacht nevens gheslacht/ die Schifting heet
c
voltoyt.
Men heeft voor al te myen datmen niet en brengt/
Oock onder hoofdgheslachten enigh deel vermengt:
Der Papen sno begheerlijckheyd/ stontheid en ghiericheyd.
Zijn eyghentlijc geweest des Christen kercks schoffiericheyd.
[p. 189]
Hier wert vermengt Ghedaante met zijn hoofdgheslacht:
Want ghiericheid is me begheerlijckheid gheacht.
De delen zullen niet zijn boven drie of vier:
+
Zy vallen zus te swaar /en tschijnt voordacht bestier.
Men zal na int beleed/ de delen oock verklaren
Vervolghens al na een/ zo die ghestelt eerst waren.
In elck deel laat zich wel byzonder schifting uyten
Maar alss' al zijn verhandelt hoortmen voort te sluyten.
+
Van Bevestighing.
+
Bevestighing de zaack bekreftight en beweert
Met vast ghegront bewijs: die niet alleen en leert/
Maar ooc met een verhueght/ en noch beweeght die horen.
Des
a
Redenkavlings plaatsen heefts' hier toe verkoren/
Om na behoeft daar uyt te trecken breed bescheyd:
Doch heeftse zelf bequame plaatsen/ die verspreyt
Zijn in elck hoofdgheslacht: dees zonderling te achten.
Daer van wy roeren na int handlen der gheslachten.
Des Reedners overwinning/ die bestaat gheheel
Het vroedmaken oock me/ in dit en t'naaste deel
Van wederlegging: waar in/ door de zelfde weghen
Als daarmen door beweert wert teghenspraack verkregen.
Van Weerlegging.
+
Des Anklaghers betoogh wert aldus wederleyt;
Als wy niet toe en staan t'gheen dat hy heeft ghezeyt/
Staan wy zijn zeggen toe/ zo maghmen noch ontkennen
Der
b
Sluytredens ghevolgh: of oock indien wy mennen
Tegen zijn klaar bewijs/ beter of wel zo vast:
Oock zo wy blijken doen/ dat hem dit niet en past
Te spreken teghen ons/ al ist schoon ghoed bescheed.
Noch isser een manier diemen
c
Ontsluyping heet/
Als wy t'gheen dat hy zeyt niets waart te zijn betuyghen/
Of machmen hem belachen/ spotten of beghuyghen:
Zydghang/ beklagh/ afbidding bruycktmen oock ter hand/
Omdraay/ ontschuldighing/ van jueght of onverstand.
[p. 190]
Der Sluytredens ghevlecht/ vervoeghing en bekleding
Die schicken wy hier na int handlen van Beleding.
+
Van Besluyt.
Besluyt sluyt het Vertoogh: dit deeltmen in twe leden
d
Hertelling/ en
e
Ontroernis der
f
Hertstochticheden.
Hertelling/ het bewijs dat meest treft voor ghemelt
Om wel te doen ghedenken int kort wederstelt.
Hertstochten acht voor al/ na datse zijn ghetoghen
Uyt des moeds krachten twe/ van twëerley vermoghen:
Als uyt begheerlijcheid of toornigher naturen.
Zijn zom lenigh en zacht/ die niet zo zeer ontruren/
+
Maar stemmen over een/ met de ghemene zeden/
Ghewoonheid en natuur: die zich al zoetkens spreden
In des hoorders ghemoed/ als vriends of maghe-min/
Als schaamt en trouwe /blijdschap/ vrees/ de maat heeft in.
Zom hevigh ende streng/ die t'hert ontroeren krachtigh:
Als toornicheid en rouw/ des minnaars brand onmachtigh/
Dolheid en razernij/ wanhoop/ truerigh verwijt/
Wraackghiericheyd/ erbarming/ smading/ haat en nijd.
Voor om te maken ghunst/ achtmen d'eerste de beste/
Maar veeltijds int besluyt/ daar bezichtmen de leste:
Om s'oordelaars ghemoed te buyghen of beweghen/
Na dattet ons best past dat hy dan zy gheneghen.
In
a
anklacht ofte
b
smaad /tot haat of nijd onwaardigh:
In voorspreking of lof/ tot liefd en ghunste vaardigh.
Maar wildy iemand recht ontroeren int ghemeen/
U
c
woord/
d
ghelaat/ en
e
moed/ moet stemmen overeen.
Wilt ghy my wenen doen/ zelf moety tranen spreyen/
Dan zal u wanghelaat oock my met u doen schreyen.
Men treckt
f
Ontroering meest uyt s'dings
g
Omstandicheden:
Als jueght/ fortuyn en tyd/ plaats/ oorzaack en tbeleden.
Dees gheven oock wel stof om Voorreens uyt te kaken:
In danckzegging of troost/ in droef en blijde zaken.
[p. 191]
Van Zaack-gheslachten.
+
De delen des Vertooghs hebben wy nu verklaart:
Dees vallen zonderling/ na den verscheyden aard
Van dryerley gheslacht der zaken voorghemelt/
Na welker onderscheyd dees moeten zijn ghestelt.
Betooghzame.
+
Betooghzaam zaack men deelt in dryen zonderlingen/
In smalicheid of lof/ van
h
daad/
i
persoon en
k
dingen.
Des persoons.
Betoghing van persoon/ t'zy vroom of snode mensch/
Heeft meer als ander zaken Voorreden na wensch:
+
Want wert des zaax natuur wel naarstigh doorghekeken/
Voorshands te vinden re gheen middel zal ghebreken
Van Voorreen: die maact Gunst/ Leerzaamheid en Andacht:
En wert uyt enigh hertstocht veel te weegh ghebracht:
Van danck/ beklagh/ oock me zo ampt of dienst u port.
Vertelling valt hier niet: doch valtse die is kort.
Voortstel/ en Schifting tonen/ welck en hoe veel zaken
Wy zullen handelen/ en wat schicking wy maken.
s'Bewerings plaatsen meer tot pronck en overvloed
+
Dienen/ als tot bewijs dat onze zaack zy ghoed.
Treckt hier uyt lof en smaad/ van dueghd en van ondueghlickheid:
Voorouders/ Vaderland/ voorspoock/ opvoeding/ jueghdlickheid/
Manlickheyd/ ouwerdom/ dood en het nagherucht.
Uyt dryerley gheslacht van ghoeden scheptmen vrucht:
Des Moeds/ des Lichaams goed en der Fortuynen gave.
Hier van/ acht des Ghemoeds ver boven enigh have;
Als leersaamheyd/ ghoedaard/ verstand en des ziels macht.
Des lichaams goeden zijn/ ghezondheyd/ schoonheyd/ kracht.
De ghoeden des Fortuyns na t'uyterlijck behaghen:
Zijn rijckdom/ staat/ geslacht/ eer/ vrunden/ kinders/ magen.
Uyt deze/ maghmen oock t'zy lof of smaad ontluyken/
Na dat hy die heeft wel of qualijck konen bruyken.
Weerlegging zelden valt; doch valter iet int prijzen
[p. 192]
Het welck strafwaardigh schijnt/ dat zalmen int bewijzen
Verschonen met onschuld (als spreeckt ghy Davids lof
Zijn overspel/ Urias dood) of scheyter of.
Kort zal t'besluyt hier zijn/ om d'anhoorders te raden/
Tot navolghing of danckbaarheid in blijde daden.
Men troost int droeffelyck of pooght om te beweghen
Tot melijen of verfoeying na het is gheleghen.
Daads Betoghing.
In s'daads Betoging komt de Voorreen als voorgaande
Vertelling zelden valt (ten waar men iet vermaande
By zulke die des daads verslagh niet weten) maar
Het Voortstel neemt haar plaats/ daar volght de Schifting naar.
s'Bewerings plaatsen/ zijn
a
betaamlyc/
b
nutbaar/
c
wetlyc/
+
d
Lichtdoenlyc/
e
nodigh/
f
wis/
g
ondoenlyc en
h
beletlyc.
t'Valt dickwils datmen hier
*
Ghemene plaatsen raackt/
Waar by iet deftighs wert gheprezen of ghelaackt.
Als/ zomen iemand prijst dat hy kan Rederijken/
De nutbaarheid des kunsts/ zuldy voor al doen blijken.
Het heet Ghemene plaats wat velen is ghemeen:
Als deze: God/ natuur/ mensch/ ziel/ moed/ spraack en reen
Ghenegentheyd/ geluc/ kunst/ dueghd/ ondueghd/ het leven/
De dood/ straf/ krijg hen
1)
vre/ wet/ zeden/ eer verheven/
En dierghelijke meer: dees hangen an de zaken
Van buyten: die nochtans die heerlyck konnen maken.
Boven betaamlyckheid vande natuur of zeden/
+
Trecktmen bevestighing meest van d'Omstandicheden.
Als/
i
ding/
k
persoon/ en
l
plaats/
m
tyd/
n
middel en
o
waarom
Hier op vraaghtmen aldus verkort in ener som
Wie/ wat/ hoe/ waar/ waarduer
Waarom/ wanneer/ waarvuer
Dees passen niet alleen hier: in alle gheslachten
Van zaken heeftmen daar wel vlijtigh op te achten.
Weerlegging valt hier niet/ om datmen zeker daden
En gheen onzeker werck magh pryzen of versmaden.
[p. 193]
t'Besluyt hertelt int kort de nutbaarheyd der wercken/
t'Beweeght ooc zo ghy korts hier voor hebt mogen mercken.
Dings Betoghing.
Betoghing enighs dings/ als Dueghd/ Welsprekentheid/
Heeft Voorreen enerley zo voorheen is ghezeit/
En wert uyt enigh lof des dings gheraapt veel tijd
Het welck uytmuntigh is: somwijlmen die vermijt:
En in Vertellings plaats komt Voortstel om te cieren.
Als der Kronijcken lof roert in dezer manieren:
Gheen schrijvers doen meer nutbaarheyd in s'menschen leven
Als zulke die voorghaande dingen oyt beschreven.
De Schifting volght hier an. Bewering t'lof vertaalt.
Omstandicheyd en plaatsen zyn hier voor verhaalt.
Weerlegging/ die ghebruyckt oock zo de zelve weghen.
t'Besluyt hertelt en roert na de zaack is gheleghen.
+
Oock in zulcker manier prystmen land/ stad of pleyn/
Stroom/ zee/ bergh/ bosch/ ghewas/ beest/ acker of fonteyn.
2e. Raadslaghighe Zaack.
+
Men raad of ontraadt iet in Raadslaghighe zaken:
Welx eynd is eerlyck nut/ of onnut zo wy laken.
Uyt al d'Hoofdzaken vier vant enckele gheschil/
+
Oft is? en wat? hoedanich? en waarom ment wil:
De drie
a
oft is/
b
hoedanigh en
c
waarom/ hier horen/
En oock
d
oft magh gheschien of niet/ daar wy na sporen:
Dan noch/
e
oft raadzaam is/ en dat in zulken staat/
Van zulckeen/ op dit pas/ dat hyt doet ofte laat.
*
Daads Voorbeelden men bruyct veeltijd in zulke temen/
Die roeren zeer/ licht uytet eerst wy t'lest afnemen.
Kort zy de Voorreen hier. de Reedner trecke jonst
Van zyn persoon/ die spreect uyt vrees haat noch afghonst.
Maar dat betaamlicheyd/ gevaarlicheyd/ noodwendicheyd/
Hem spreken doen: tbeghin zy zedigh met behendicheyt.
By zonder raad en weet van gheen Vertellings wet/
+
Maar preking en Vertoogh/ die eyschen die te met:
[p. 194]
Als t'gheen dat is gheschiet/ veroorzaackt de bereding.
In des vertellings plaats/ komt voortstel met verbreding.
De welcke nimmermeer magh werden na ghelaten/
Als/ zomen spreeckt tot Vre/ dan valter eerst te praten/
Dat wy ghekomen zyn te spreken nu van vrede/
By menschen stut en stuensel der ghezellichede.
De Schifting schicklyck deelt/ t'gheen worden zal ghezeyt.
Des Vestings plaatsen zyn/
f
Nut en
g
Betaamlickheyd/
Oock
h
Nood en
i
Doenlicheyd: diemen gebruyct int raden.
Die Afraadt wandelt juyst op rechtstrijdighe paden.
Als: hinder/ lelycheyd/ bezwaarnis/ en onmueghelycheyd.
t'Betamen trecktmen/ uyt nature/ wet en dueghlycheyd/
Oock waardicheyd en eer/ ghoe naam of qua gheruchten/
Hoop van iet ghoeds/ der vrunden nut en s'vyands duchten/
Verschoffeling van staat/ erbarming en zo voort/
Die int raadspleghen elckeen groot te achten hoort.
t'Nut en de Mooghlycheyd/ die moetmen oock hoogh wicken/
d'Ondoenlycheyd en t'Hinder/ te verkleynen schicken.
Maar boven al de Nood dringt meest/ in zulke zaken.
Als: wildy houwen lijf en ghoed/ dit moety maken.
+
Weerlegging tracht int jeghendeel
1)
te halen prijs.
t'Besluyt/ beweeght en port/ en ghadert het bewijs.
+
3e. Oordelighe Zaack.
Een Oordelighe zaack/ die klaaght an of verdadight.
Waar in men s'rechters hert/ vermurwt en bezadight/
Of tot straffing verweckt: t'eynd eyscht onrecht of recht.
In Voorreen/ trecktmen ghunst (om die daar voormen vecht
t'Erbarmen) van ons ampt/ s'weerzakers of zyn loon.
Die d'onschuldighe quelt/ of van s'rechters persoon.
De wichticheyd des zaax verweckt
a
Andachticheid.
Trecktmenz' in ener som/ dat maackt
b
Leerachticheid.
Vertelling/ int verhaal des zaax sprockelings spreyt
De zaden des bewys:
c
t'Vermoeden zy bereyt:
Dit trecktmen uytet geen voor ons meest is waarschijnlyck
[p. 195]
En duurt tot datmen komt an
d
d'hoofd-twistreden pijnlyck.
Want uyt Vertelling spruyt of volght na s'zaax verklering
De Hoofdzaack des gheschils/ als grondvest van Bewering.
s'Bewerings plaatsen/ zyn na d'hoofdzaken verscheyden.
t'Besluyt den rechter port en roert hertstochticheyden.
d'Anklagher dien onsteeckt tot haten of benyen.
Verweerders neyghen hem tot ghunst en medelyen.
Vande Hoofdzaken.
+
De Hoofdzaack/ is des twists het voorneemste geschil/
De hele grond des zaax: daar tgheen men zeggen wil.
Toe streckt. dit enigh wit moet eerst de Reedner vinden/
Of zyn ghespreeck is ijl en zot zyn onderwinden.
Dit valt oock niet alleen int oordelen der wetten/
In elck verscheyden zaack heeftmen hier op te letten.
Als int Betoghen/ merckt eer dat ghy iet bewyst
Of recht en reden eyscht datmen dat laackt of pryst.
Int Raadslaan/ neemt ooc waar even als int Betooghlyc/
Oft nut en eerlyck is/ en nodigh/ licht of mooghlyck.
De
e
Hoofdzaack oordelyck/ in dryen wert gheschuert.
D'eerst is
f
vermoedelyck/ of zulx oock is ghebuert
g
D'uytbeeldelycke/ vraaght wat datter is ghedaan.
+
a
Recht sprekelyke/ zoeckt hoedanigh zy t'vermaan.
De hoofdzaack/ wert gebaart uyt des anklagers klachten/
En t'gheen dat tot verwering de ghewroechde brachten.
Ontkennende opt eerst /uytbeeldende ten tweden/
Of zeggende opt lest hy deed'dit feyt om reden.
d'Hoofdzaack vermoedelyck/ heeft dees twe plaatse rijkelyck/
Als
b
Wil en
c
Macht/ dees vestigen t'vermoeden blykelyck.
Die man heeft sulx ghewilt/ vermits zyn oude haat/
Liefd/ toren/ dronckenschap/ eerzucht of eyghenbaat.
Hy heeftet moghen doen/ gemerckt zyn qua genegentheyd/
Met zulck gheweer en hulp/ mits tijd/ plaats en gheleghentheyd.
d'Onschuldighing/ gheschiet door al de zelfde weghen:
Dat hy niet heeft ghewilt/ dattet was ongheleghen:
Datmen d'Omstandicheyd /verdraayt oock na behoeft.
Ghy hebt die man vermoort t'blyckt dat ghy hem begroeft.
[p. 196]
+
Omdraay dit wederspreeckt door Rederyxe ghaven:
t'jan had ick hem gedoot/ k'en zou hem niet begraven.
d'Hoofdzaack uytbeeldelyck/ scheelt inde naam vant werc.
Zo iemand waarlyck ghoed uyt Klooster steelt of Kerck.
Missaackt dies Kerckenroof/ kent dieft/ hier valt de twist
Diemen by Redenkavelings uytbeelding slist.
d'Hoofdzaack rechtsprekelyck/ twist om d'hoedanicheyd.
Als iemand wel bekent/ verdadicht maar zyn feyt.
Ick heb die man ghedoot/ maar twaas een moordenaer/
Een straetschender of dief/ my dwang myn lijfs ghevaar.
Ongheval/ onverstand/ verschonen somtyd wel:
Of datment heeft ghedaan uyt oorzaack of bevel.
Ghelyck Orestes daad an zyn moeder bedreven/
Die wy by Schifting voor int breed hebben beschreven.
s'Bewerings plaatsen/ zyn
d
Natuur/
e
Wet ende
f
Wennis
g
t'Ghewysde/
h
Billickheyt/
i
Verbontenis en kennis.
t'Gheschil/ spruyt dickwils uyt de rechten ofte schriften/
Dat maghmen sonderling aldus in vyven schiften.
Eerst twyfelyck gheschrift of dubbeld van verstand:
Dan/ zo des scrijvers zin verscheelt van t'schrift te hand:
Oock als verscheyden schriften schelen onderling:
Of zomen tot de zaack gheen wet heeft zonderling:
Maar datmen dan gebruyckt de naast stemmende wetten/
Oock alsmen voor het recht de hoofdzaack kan verzetten:
+
Of weygheren den Rechter/ plaats/ tijd/ of die klaaght/
En datmen zo ontslipt of elders hem verdaaght.
+
Vant Beleden.
Het twede deel des Reedners ampt.
Beleding/ is t'gheschick om voor-bedachte dinghen
Op hun bequame plaats ghevoeghelijck te bringhen.
En die is dryerley:
a
s'Vertooghs delen voor an/
Der
b
Plaatsen en
c
Bewijs/ de
d
Sluytredenen dan.
En d'eerst deelt haer in t'ween/ na Kunste en na Oordel:
De Kunst die volght Natuur/ dees neemt zy tot haar voordel/
En schickt de delen recht: de Voorreen eerst/ en voort
Vertelling/ met de rest zo voren is ghehoort.
[p. 197]
Maar Oordels deling/ valt na tijd en plaats heel zonderling/
Zy laat dit of dat na/ vermengt de delen onderling.
Zo dat gheen zeker wet in dezen is te gheven.
Doch vest d'Anklagher/ eerst zijn klacht/ als voorgheschreven
Eer dat hy wederleyt: maar int weerspreken pryst/
Datmen t'hun wederleyt eer datmen t'zyn bewyst.
e
t'Geschick heeft oock geen Wet/ by Rijmers of Poëten.
t'Natuurlyke Beleed/ zy met voordacht vergheten/
Beghinnen van het eynd of uytet midden dick.
f
Kronijkers volghen al/ t'Natuurlyck voor gheschick.
Der Plaatsen en s'Bewys beleed/ heeft oock gheen reghel.
Des Reedners oordeel/ streckt in desen Wet en Zeghel.
Doch slaat dit voor al gha: schickt wildy iet bekreftighen
t'Onvast bewys int midden/ eerst en lest die treftighen.
Van Sluytredening.
+
Der Sluytredens gheschick (dat ant Beleden past)
Leert Redenkaveling/ heel grondelyck en vast.
Int Redenkavlen doch bewystmen slecht en naacktelyck/
Hier cierlyck/ opghepronckt/ beweeghlyck en volmaacktelyck.
In velerley manier: Verstrickt en Slecht besluyt/
Ontravling/ Teghenstelling/ Omdraay en Vraagh-uyt/
+
t'Waarom/ Scheeluytbeelding/ Dringend besluyt/ Zaamreding/
Oock Redenryck besluyt en Schickelick verbreding.
+
In Redenkaveling/ is
a
Slecht besluyt ghemelt/
Daart slot aldus ant enckel voortstel wert ghestelt.
Heeft zy een kind ghebaert/ zo isse niet meer maghet.
De zon is opgheghaan/ tis zeker want het daghet.
+
Verstrickt besluyt/ een valstrick dubbelt int belaghen/
+
Zo watmen antwoord t'is ghevanghen of gheslaghen.
Herkles wat roemdy u van Juppiters gheslacht/
Door overspel is hy/ of valsch u vaar gheacht.
Is gheleerdheyd niet nut? waer toe de hoghe scholen?
En isse ghoed? wat blyftz/ in Basterdtaal verholen?
+
Ontraveling/ die is na veler dingen uyting/
+
Zwacking der zommigher/ een endlyke besluyting.
Hebdy hem gheld gheleent/ zo hebdyt eerst ghehat
[p. 198]
Van overlange tijd/ des niet/ zo hebdy dat
Ghewonnen of gheërvet of ter schenck bekomen/
Ghevonnen by de wegh of iemand dat benomen:
Maar hebdyt altyd zelf van kindsbeen af ghederft/
Ghewonnen noch ghevonden/ niemand af gheërft/
En hebdyt niet ter schenck ghekreghen noch ghestolen/
+
Zo hebdyt hem oock noyt gheleent/ blyckt onverholen.
Na Tegenspraack komt
d
Teghenstel an t'voorste weer.
Bestaat/ van Voortstel/ Teghenstel/ en Wederkeer.
Doe die man is ontlijft alhier/ was ick te Romen/
Waar ic doe thuys geweest/ men mocht my schuldich nomen.
Maar was ick vander hand so wyd opt zelve pas/
+
Derfdy reen te vermoen dat ick oyt schuldigh was.
Uyt s'weersprekers bewys sluyt
e
Omdraay enckel vast/
Niet dat hem dienstlyck is/ maar tgheen ons beter past.
t'Leven eens vromen Vorsts behoortmen niet te waghen
Want onghedurigh ist en haast ter neer gheslaghen;
Om dies wil zoumen hem die doch onzeker leeft/
+
Ghebruycken tot s'lands nut/ terwyl datmen hem heeft.
+
Uytvraghing die spuert na/ watmen mocht teghenzeggen/
Om dat met ghoed bescheyd te moghen wederlegghen.
Hoe is die dorghezel zo haast dus rijck? ick docht
Ist door zyn Vaders erf? dats by de Kreet verkocht.
Heeft hyt met Koopmanschap dus veel gebracht te voren?
t'Gheen dat hy overhiel heeft hy daer by verloren.
+
Heeft hyt van eenigh vrund verkreghen by besterffenis?
Die hebben alleghaer hem gants ontmaackt hun erffenis.
Is dit dan alles jock/ so schud hy tgheld van bomen/
+
Of t'middel onrecht is/ daer hyt door heeft bekomen.
+
t' Waarom/ de Oorzaack melt: tis recht zo ick de dueghd
+
Oeffen en lief/ die my steeds wenschelyck verhueght.
+
Uytbeelding by verschchil
1)
iet onderscheydlyck zet.
Gheen Koninck ist moedwilligh die heerscht zonder Wet.
+
Dringend besluyt/ sluyt uyt ontwijfelijke dinghen
+
Die werden toegestemt/ t'geen twyflyck scheen te dringen.
Segt my ghy vrome vrouw/ had Trijnbuur beter waar/
[p. 199]
Of beter zilver/ haddy liever t'uw' oft haar?
Het haar; oock had zy beter rock en ringen me?
Maar had zy beter man wie koosdy van die twe?
+
De zammelreden/ sluyt door vyferley verbreding
+
.1.
Voortstel/
.2.
Reden-waarom/
.3.
Bevestighing/
.4.
Bekleding/
.5.
Bevanghing/ die de vier verhaalt en sluyt in een.
.1.
t'Best hoortmen eerst de jueght te leeren int ghemeen/
.2.
Alzo die leerzaamst is en oock best kan onthouwen/
.3.
Dewijl hunluy verstand vry is van zorgh en vrouwen/
.4.
Zo op een zuyverley men duydelyker scrijft/
Een niew ghebacken pot d'eerste rueck meest by blijft/
.5.
Zo zal de jongeling/ in d'eerste teder iaren/
t'Best leeren leechelijckst en trouwelijckst bewaren/
Dus ist hoogh nut voor t'land/ datmen de jonge jueght/
Zorghvuldigh int begin/ eerst leer/ tgeen help ter dueghd.
Verbreding reckt de zin/ by
.1.
reenwaerom
.2.
gelijckheyd
+
.3.
Strijding/
.4.
gelyckenis/
.5.
voorbeeld besluyt tot rijckheid
+
Een kloeck vernuftich man zal om gheen ongevoegh
Verzuymen wysheids winst/
.1.
want zy loont rijck genoegh/
.2.
Teelt vaylicheyt en vrueghd/ geluc door gelijcmoedicheyd.
.3.
En onkunde maar doling/ onrust en onspoedicheyd/
.4.
Recht zo in storm/ de Zeman opt Kompas te bet
Acht neemt/ hy opt ghevolgh oock med' omzichtigh let/
.5.
Zo diend' het onghemack des boschlevens nodruftigh
Den rijck-armen sint Jan tot zalicheid godvruchtigh.
+
Schicklyck besluyt of Redenering heeft vijf delen/
+
Of vier/ of drie/ na Redenkavelings bevelen/
+
Daar voeght de Reedner by/ telcken redenwaarom/
Na t'eerst en t'ander voortstel/ zyn dies vijver-som.
Zo wie noch winst behoeft en is niet waerlyck rijck/
Om dat verzaadheid is des rijckdoms meeste blijck/
Mas heeft noch winst ghebreck/ t'blijckt/ wildy bescheyd weten?
Sy woekert en bedrieght/ dus maghse niet rijck heten.
Dees sluytreen is volmaackt/ om iet vast te bewijzen:
Doch zyn d'ander me goed/ verandring moetmen prijzen.
[p. 200]
+
Van Bewoording.
Het