Cathay!
‘Het koninkrijk Cathay is het grootste ter wereld, het omvat vele volken en men vindt er onmetelijke rijkdommen en schatten. De mensen zijn er scherpzinniger en ook slimmer dan waar dan ook en overtreffen op het gebied van de kunsten en wetenschappen alle andere volken. Ze zeggen dan ook dat ze zelf met twee ogen zien, de Romeinen met één, en dat alle andere volken blind zijn. Zo drukken ze uit dat ze alle anderen onbeschaafd vinden. Maar al hebben ze dan een bijzonder helder inzicht in alle materiële dingen, van geestelijke zaken hebben ze niet het minste benul.’
Zo had Haithon de Armeniër, die tenslotte in een klooster op Cyprus terecht gekomen was, er tweeënhalf eeuw tevoren over geschreven.1 Daarvoor al waren Niccolò en Maffeo Polo uit Venetië, vergezeld door Niccolò's zeventienjarige zoon Marco, aangekomen in Peking, waar de khan aller Tartaren, Kubilai, zijn zetel gevestigd had. Daarvanuit heerste hij over Tangut en Tenduc, Cathay en Manzi en vele andere landen, zowel van het oude China als daarbuiten. En zo vervuld was hij van heimwee naar de steppen van zijn jeugd, dat hij het ruige gras op de binnenplaats van zijn paleis had laten zaaien, om tussen de zijden kussens en het strenge lakwerk van meubels en panelen het zweet van paarden en de strijdkreten van de woeste horden die klonken over de eindeloze vlakten, niet te vergeten.
In die tijd waren de karavaanroutes nog open en waren reizigers - kooplieden, weldra ook missionarissen - welkom geweest in het rijk. Maar niemand was er zo lang gebleven en had er zo wijd rondgereisd als Marco Polo. Tussen 1275 en 1292 had hij als afgezant van de grote khan zelf grote delen van het land bezocht. Hij was vanuit Peking in noordwestelijke richting getrokken naar Cathay, de provincie waarnaar later, in de overleveringen, het hele rijk zou worden genoemd.2
Het klimaat was vriendelijk. De wegen waren goed onderhouden en veilig. Op regelmatige afstanden waren er wachthuizen waar men kon rusten en wisselen van paarden, en nooit kon het gebeuren dat men voor de avond niet aangekomen was bij weer een volgende stad. Nergens vond men zoveel steden van een zo grote welvaart en rijkdom bijeen.3
Nergens ook waren de huwbare meisjes zo kuis en ingetogen. En met reden, want wanneer daar een vader zijn dochter ten huwelijk gaf, moest hij bij contract haar maagdelijkheid garanderen. Die werd dan op de dag van het huwelijk door de moeder en tantes van de bruidegom getoetst met een duiveëi. Vandaar ook dat ze zo sierlijk liepen, de meisjes van Cathay, en de ene voet nooit meer dan een vinger breed voor de andere zetten. Want hoe snel kon de ongereptheid bij een onverhoedse beweging niet verloren gaan? De Tartaren die nu het land beheersten waren zo precies niet met hun vrouwen en dochters. Die reden zelfs paard, alsof ze nog op de steppen waren. Heimwee, heimwee, als hun khan. De oude Chinese families zagen het met afkeuring aan en bewaarden des te strenger hun eigen tradities, wachtend op beter tijden.4
Maar al lagen in Cathay dan misschien de meeste steden, de rijkste stad van alle lag ten zuidoosten daarvan, in de provincie Manzi. Dat was Kinsai, Stad van de Hemel, de mooiste stad ter wereld. Ook daarheen reisde Polo, en men kan wel aannemen dat hij zich zal hebben laten rondvaren. Want hoewel vijfentwintig mijl uit de kust liggend, werd Kinsai over de volle omtrek van wel honderd mijl door water omringd en doorsneden door kanalen, die zo breed waren dat de schepen tot bij de huizen konden komen. Twaalfduizend bruggen waren er, waar zich een constante stroom van mensen overheen bewoog, die in de stad hun zaken hadden.
Kinsai was geen ambtenarenstad, maar een stad van handel en bedrijf. Op tien verschillende marktpleinen van elk een halve mijl in het vierkant kwamen gedurende drie dagen per week zo'n veertig- of vijftigduizend mensen van heinde en ver om te kopen en verkopen. Langs deze pleinen liep van de ene kant van de stad naar de andere een hoofdstraat van wel veertig voet breed, altijd vol rijtuigen en sleperskarren en draagstoelen, en die zelf weer op regelmatige afstanden gekruist werd door de nodige voetgangersviaducten. En wat de nering betrof: er waren twaalf gilden, ieder met twaalfduizend werkplaatsen waar tussen de tien en veertig mensen werkten.
Maar wie er ook werkten, niet de kooplieden of de eigenaars van de bedrijven, of zelfs de opzichters. Geen volk hield er zo van zich te ontspannen en kon het zich zo goed permitteren. Meer dan drieduizend badhuizen waren er, voor mannen zowel als voor vrouwen. En overal in de stad woonden in rijk gemeubileerde appartementen prachtig geklede en geparfumeerde courtisanes, die zo bedreven waren in strelen en liefkozen dat daarom alleen al vreemdelingen zich later de stad herinnerden als een stad van de hemel.
Zelf kenden ze van arm tot rijk geen groter genoegen dan te spelevaren op het grote meer ten zuiden van de stad. Daar waren de paleizen en buitenverblijven van de rijken en de abdijen. In het midden van het meer waren twee eilanden en op elk daarvan stond een prachtig gebouw met zoveel kamers en appartementen, dat het wel het verblijf van een keizer leek. Hier hielden ze hun trouwerijen en feesten, banketten voor wel honderd mensen en daarvan meerdere tegelijk, zonder dat men last van elkaar had. In het meer lag een groot aantal boten, grote en kleine, voor pleziertochtjes van tien, vijftien, twintig personen of nog meer. En iedereen die zich met zijn dames wilde ontspannen kon er één huren. Ze waren overdekt en uitgerust met tafels en banken met zachte kussens en alles wat je maar kon wensen. Op het meer was het een voortdurend gewemel van dit soort bootjes, waarvanaf muziek klonk en men wuifde van het ene gezelschap naar het andere. Niets plezierde de inwoners van Kinsai meer

16. De landroutes naar Cathay, ca. 1245-1345.
Ten tijde van de Tartaren bestond er een relatief intensief handelsverkeer tussen Europa en China. Dit werd afgesneden door de opkomst van het Ottomaanse rijk.
dan, na gedane arbeid, een deel van de dag met hun echtgenotes of met gehuurde dames hier door te brengen, te varen of een tochtje met een rijtuig te maken naar een van de openbare tuinen in de omgeving, waar ze door de parkwachters ontvangen werden in speciaal aangelegde prieëlen en ze tot laat in de avond bleven toeven.
Zo rijk waren de mensen daar en zo profijtelijk was de handel dat, naar de berekeningen van Marco Polo, de Grote Khan alleen al van Kinsai en de daaraan onderhorige steden niet minder dan veertienmiljoenzevenhonderdduizend goudstukken per jaar ontving.5 Zo rijk was Cathay. En zo had Messer Polo het, aan het eind van de dertiende eeuw terug in Italië, gedicteerd.6
Toen Olivier Brunel, ergens eind jaren zestig of begin jaren zeventig, de Oeral was overgetrokken en, zoals hij later beweerde, in de stad Yaks Olgush had gehoord over
rijkbeladen schepen die afkomstig zouden zijn uit een land in het oosten, was dat alles allang een mythe geworden. Een droom over een manier van leven zoals alleen in de hemel denkbaar was, maar niet in de koude werkelijkheid van Antwerpen, laat staan Moskou, waar Anthony Jenkinson pochte over zijn tochten, tien jaar eerder, via Kazan en Astrakan naar Perzië. Alle rijkdom van de Perzische Pauwentroon zou niets zijn vergeleken met die van Cathay.7
Al ruim twee eeuwen was niemand uit het westen meer zo ver geweest. Nog geen vijftig jaar nadat Marco Polo was teruggekeerd in Italië waren de traditionele karavaanroutes - over Akko en Bagdad en vervolgens langs de Zee van Azov en via Astrakan dwars door Turkestan richting China (zie afb. 16) - afgesneden door de Ottomaanse moslims.8 Tevoorschijn gekomen uit het niets hadden ze binnen de kortst mogelijke tijd Klein-Azië veroverd, en vervolgens ook delen van Europa. De halve maan en het kromzwaard heersten nu over Bulgarije, Servië, Griekenland en onlangs ook Hongarijë, delen van Oostenrijk. In 1529 hadden ze zelfs voor Wenen gestaan en het gevaar dat ze nog verder zouden oprukken, was nog lang niet geweken.9
Wel kwamen er nog goederen: zijde, edelstenen en de hars van aloë, en met de goederen nog steeds de verhalen. Giovanni Caboto had ze in Mekka gehoord van de karavaanvoerders en zo waren er wel meer. Maar de doorgaande handelsverbinding was verbroken. Van karavaan op karavaan werden de goederen doorverkocht en overgeladen, waarbij van grens tot grens de prijzen stegen, zeer tot genoegen van de Turkse tolgaarders en de Arabische handelaars, dat wel. Totdat ze tenslotte in minimale hoeveelheden en tegen astronomische prijzen de markten van het westen bereikten.
Iedereen wist dat degene die zelf weer de verbinding zou weten te leggen fabelachtige winsten zou maken. Christoffel Columbus had het geweten, maar was gestoten op het ellendige Amerika met zijn naakte wilden, waar het zilver met bloed en zweet gewonnen moest worden. En Vasco Da Gama, die via Kaap de Goede Hoop was gegaan, en toen was blijven hangen in India. Sebastian Cabot wist het, en Burrough, ploeterend in het ijs bij Nova Zembla, en ongetwijfeld Jenkinson.
Maar hoe er te komen? De geografen opperden mogelijkheid na mogelijkheid: langs het noordwesten, langs het noordoosten, of zelfs recht over de pool. Ook bij Gillis Hooftman op het kantoor zullen er gesprekken zijn gevoerd, of in de werkplaats van Abraham Ortelius, de kaartenmaker, wiens atlas naar men zei door Hooftman zelf was gefinancierd.10
- ‘En door Rusland en dan verder door Centraal Azië?’
- ‘Jenkinson zegt dat dat niet kan vanwege de bloeddorstige volken, de anarchie en de voortdurende oorlogen daar.’11
- ‘Ik bedoel noordelijker.’
- ‘Noordelijker? Daar ligt het rijk van de Antichrist.’
- ‘Ach...’
- ‘Wat staat er in de Schrift over Gog uit het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal? Lees Ezechiël 38, vers 15 tot 19: ze zullen komen uit het noorden, zij en vele volken met hen. Zij allen zullen op paarden rijden, een machtig leger. En er zal een groot beven zijn.’
- ‘Ach...’
- ‘In de Openbaring van Johannes staat geschreven dat aan het einde van het duizendjarig rijk Satan uit zijn gevangenschap zal worden losgelaten en zal uitgaan om de volken Gog en Magog te verleiden en hen tot de oorlog te verzamelen, en dat zij over de aarde zullen komen als het zand van de zee.’
- ‘Het einde van het duizendjarig rijk, zo ver zijn we nog lang niet. Laat het eerst maar eens beginnen.’
- ‘Onwetende. Spot er maar mee... Trouwens, iedereen weet dat Alexander de Grote op zijn tocht naar het einde van de wereld de ver in het noorden huizende barbaren achter een muur heeft gesloten. Wie zouden dat anders moeten zijn geweest dan Gog en Magog? Op de kaarten van de middeleeuwen staan ze genoteerd, met om hen heen een ronde muur.12 Wil jij het beter weten dan de geleerden? Volgens Martin Waldseemüller zijn ze dezelfden als de verloren stammen van het volk Israëls, die Artaxerxes de Pers indertijd verbannen heeft en die nooit teruggevonden zijn. En velen zijn het met hem eens.’13
- ‘Op de kaarten van Ptolemaeus staat anders niets daarvan.’
- ‘Op de kaarten van Ptolemaeus staan de Scyten, de Antropofagen en Hippofagen of Hippopeden, in plaats van de volken van Gog en Magog, zoals er ook “Land van de Chinezen” staat in plaats van Cathay en Manzi.14 De namen hoeven niet altijd dezelfde te zijn. Marco Polo zelf is er nota bene geweest en schrijft dat ze tegenwoordig de Ung en Mungul genoemd worden. In Ung wonen de Gog volgens hem, en in Mungul de Tartaren of Mongolen.15 Voor Johannes Ruysch is dat in elk geval voldoende reden geweest om, behalve Cathay en Kinsai en Manzi, ook Gog en Magog weer op zijn kaart te vermelden, tussen de Waldseemüllers “Judei inclusi” en Cathay in (zie afb. 12).’16
- ‘Ach, Johannes Ruysch, wat die niet allemaal heeft. Terwijl het maar de vraag is of hij zelf wel heeft bestaan. Niemand weet wie hij is.’
- ‘Het noorden is gevaarlijk, dat staat vast, gevaarlijker dan een mens aan kan. Het is het rijk van Satan en van de eeuwige duisternis. Tovenarij, zwarte kunst. Geen sterveling die er levend van terugkeert. Denk toch aan de woorden van de profeet Jeremias: het kwaad zal zich vanuit het noorden uitbreiden over de aarde.’17
Vanaf de vroegste middeleeuwen had men de Gothen beschouwd als de zonen van Magog.18 Maar toen de Mongolen over Azië waren gekomen en hun macht tot Peking toe hadden uitgebreid, was het duidelijk geweest dat zíj de volken van Gog en Magog waren en dezelfden als de verloren stammen van Israël. Al rond het midden van de dertiende eeuw had Willem van Rubroeck, die als afgezant van de Franse koning die streken had bezocht, erover geschreven en korte tijd later ook Marco Polo zelf.19
Maar pas in deze eeuw, nu de geleerden de boeken van de Heilige Schrift en de werken van de kerkvaders weer werkelijk ernstig waren gaan nemen, en sommigen van hen zelfs toegang hadden weten te krijgen tot de mystieke Joodse geschriften, waren er dingen duidelijk geworden... Juist hier in Antwerpen, waar de grootste geesten bij Ortelius en bij de uitgever Plantijn in en uit liepen, ernstige mannen voor wie zelfs het Hebreeuws geen geheimen had en die in de zware folianten de passages konden aanwijzen waar het geschreven stond, Benito Arias Montano, de afgezant van Philips II zelf, en, naar gefluisterd werd, de grote hermeticus Guillaume Postel.20 Het gevolg was geweest dat men langzamerhand de middeleeuwse reisgeschriften weer ernstig begon te nemen.
De vraag was alleen of een koopman, hoe gelovig ook, zich daardoor moest laten weerhouden. Het zou allemaal zeker waar zijn, maar handel was handel en met een flinke zak geld zou je ook daar wel terecht kunnen. En wat het einde der tijden betrof... Ach, als het zover was, zou niemand veilig zijn die niet tot de rechtvaardigen behoorde, daarvoor hoefde je waarachtig het noorden niet te mijden.
Over land dus, dwars door de noordelijke streken van Azië. Dat wil zeggen: eerst over zee, langs de Noordkaap en onder Nova Zembla door via de Kara-zee tot aan de monding van de Ob'. Maar dan over de Ob' landinwaarts. Dat moet de route zijn geweest die in die jaren het meest kansrijk werd geacht. Naderhand, in de jaren tachtig, zou hij genoemd worden in de instructie van Pet en Jackman en zou Mercator hem aanraden in zijn brief aan Hakluyt. Maar de gedachte eraan moet al opgekomen zijn rond 1570, toen Ortelius in zijn wereldatlas een kaart van Tartaria afdrukte waarop achter de Ob' het land zo steil naar het noorden liep dat van verder varen langs de noordkust van Rusland - zoals Cabot voor ogen moest hebben gehad - geen sprake kon zijn (zie afb. 28).21
Overigens waren ook zonder de Antichrist de gevaren al groot genoeg. Tot de Ob' zou het al niet eenvoudig zijn, door de mist en de ijsgang, vooral bij Nova Zembla, en door het volk dat er woonde, bloeddorstig en bedreven in alle soorten van tovenarij. Maar het werkelijke probleem kwam pas daarna. Want over de route die men vanaf de monding van de Ob' zou moeten volgen, was niets anders bekend dan het verhaal waar de Duitse diplomaat Siegmund von Herberstein in Moskou de hand op had weten te leggen en dat hij in zijn boek over Rusland had gepubliceerd.
Volgens die bron - maar waar kwam hij vandaan en hoe betrouwbaar was hij? - ontsprong de Ob' in het meer van Khitay, dat in, of tenminste vlakbij, China of Cathay lag. Daarvandaan zouden ‘zwarte mensen’ de rivier af komen zakken met allerlei goederen, vooral parels en edelstenen, die ze verkochten aan de daar wonende Tar-
taren. En ze kochten de huiden die de Tartaren op hun beurt weer van de Lucomortzen hadden, een volk dat in de bergen in het noorden huisde, bij de monding van de Ob'. Van hen werd verteld dat ze ieder jaar - om precies te zijn op de zevenentwintigste november, als de Russen de geboortedag vieren van de heilige Gregorius - stierven, om dan in het voorjaar op de vierentwintigste dag van april weer herboren te worden. Ze waren zo schuw dat ze, als hun tijd van sterven aangebroken was, hun waren op een bepaalde plek neerlegden en verdwenen. De Tartaren namen die dan weg en legden er goederen van gelijke waarde voor in de plaats. Maar als de Lucomortzen, in het voorjaar weer levend geworden, merkten dat ze niet de juiste hoeveelheid hadden neergelegd, was het oorlog. En vechten konden ze, daar hadden zelfs Tartaren eerbied voor.22
Het boek van Von Herberstein lag bij Ortelius in de werkplaats op tafel en het meer van Khitay kwam voor op zijn kaart van Tartaria.23 Maar dat was voor Brunel, die soortgelijke verhalen ook in Yaks Olgush gehoord had, geen nieuws. De vraag was alleen hoe ver het was en hoeveel stammen en volken men, behalve de Lucomortzen en de Tartaren, nog meer tegen zou komen voordat men daar was. En daarna. Want in zoverre week Ortelius' kaart af van Herbersteins berichten, dat zich daarop achter het meer van Khitay weer nieuwe verten uitstrekten voordat men China bereikte, of Cathay.
De klassieken, die hadden het geweten. Op de grote overzichtskaart van Ptolemaeus waarop het hele noordelijke halfrond afgebeeld was door middel van een conische projectie, zodat de afstanden min of meer overeenstemden met de werkelijkheid, zag je het voor ogen. Steeds verder weg van de zee lagen de bergketens waar je over moest. Als dunne slingers lagen ze over de witte vlakten, waarop hier en daar de stippellijn van een rivier, de naam van een volk. Eerst de Ripaeïsche bergen, die van het zuiden naar het noorden liepen, tot daar waar de grote Alexander zijn altaar had geplaatst en nog iets verderop twee zuilen, als grens van de bewoonde wereld. Ten noorden daarvan strekte zich van west naar oost het Hyperboreïsche gebergte uit. Daarboven woonden de Hyperboreërs, en er onder, tussen het Ripaeïsche en, ver in het oosten, het Imausgebergte, de Scyten. En voorbij de Imaus weer andere Scyten.24
Zoveel stammen en volken (zie afb. 17). Plinius had erover geschreven en Pomponius Mela, en later in de derde eeuw Caius Julius Solinus, van wiens werk juist nog in Antwerpen bij Plantijn een uitgave was verschenen. Om niet te spreken van wat men in de eeuwen daarna er nog aan toe had weten te voegen. Ze hadden hun informatie gehad van soldaten die meegetrokken waren met Alexander de Grote om de wereld te veroveren, van gevangen genomen barbaren, en van reizigers, mannen met platte gezichten en sluike zwarte haren die van ver waren gekomen en die verhalen hadden over nog verder.
Volgens Plinius liepen de Ripaeïsche bergen uit in een streek van diepe duisternis en eeuwige vorst, waar de noordenwind heerste en de sneeuw viel als veren. Daarachter, nog meer naar het noorden, zouden de Hyperboreërs leven, de gelukkigen, die ouder werden dan wie ook op aarde.

Hoe vaak had de jonge Olivier Brunel de tekst niet herlezen, na die eerste keer toen hij in het stoffige klaslokaal en met zijn vinger de letters volgend de zinnen woord voor woord, hakkelend en verdwalend in de Latijnse constructies, had vertaald:
‘Daar zijn de hengsels van het heelal, de scharnieren waarlangs de sterren draaien. De zon komt er slechts eenmaal per jaar op en gaat er slechts eenmaal onder. Het is een lieflijke streek met een gezegend klimaat en uitgestrekte wouden, waar de inboorlingen huizen in hutten en holen. Alle ruzie en verdriet is hun onbekend. Ziekten komen niet voor en ze sterven pas wanneer ze voldaan zijn van het leven. Dan, na een overdadig banket met al hun familieleden en vrienden, nemen zij afscheid en vertrekken zij naar de kust om van de hoge rotsen de zee in te springen.
In hun dag van zes maanden lang zaaien ze in de morgen, maaien ze in de middag en oogsten ze tegen zonsondergang de vruchten van het veld en het fruit van de bomen. Dan trekken zij zich terug voor de nacht. In de oude tijd brachten ze geregeld de eerste vruchten van de nieuwe oogst naar Delos, als offer aan Apollo die ze speciaal vereren. De gaven werden toen gebracht door jonge meisjes, die op hun jaren lange reis naar de Griekse eilanden gastvrij ontvangen werden door alle volken waar ze langs kwamen. Totdat hun goede vertrouwen geschonden werd. Nadien hadden ze de gewoonte om hun offeranden bij de grens met hun buurvolk neer te leggen, die ze dan weer doorgaven aan hun buren, en zo verder, totdat ze tenslotte in Delos terecht kwamen. Maar later is ook die gewoonte in onbruikt geraakt...’25
Later, toen hij in dienst van de Stroganovs hoorde over de Lucomortzen, of Samojeden, moest hij er altijd aan denken, aan dat verhaal van Plinius.
Er zouden daar, aan gene zijde van de Ripaeïsche bergen, gebieden zijn die onbewoond waren, maar rijk aan goud en edelstenen, vooral smaragd en kristal. Die schatten werden bewaakt door griffioenen, de meest woeste vogels op aarde, half leeuw, half adelaar, die iedereen verslonden die ze vanaf hun hoge uitkijkpost op de rotsen in het oog kregen.26 Maar in de meeste streken huisde toch wel een of ander volk.
Ten oosten van de Hyperboreërs woonden de Arimphaei, een vreedzaam volk dat lange haren schandelijk achtte, zowel voor vrouwen als voor mannen. Dan kwamen de Amazonen. Het woongebied van dat vrouwenvolk strekte zich ver naar het zuiden uit, tot aan de Kaspische zee.27 Er werd verteld dat ze zwanger werden van een slok water, hoewel het waarschijnlijker was dat dat gebeurde door voorbij trekkende kooplieden, of door de krijgsgevangenen die ze op hun strooptochten maakten en met zich meevoerden met de opzet zich door hen te laten bevruchten. Of door de monsters die men in die gebieden niet zelden aantrof: mensen met hun hoofd in hun borst, die meer blaften dan spraken en die men in Rusland wel in gevangenschap zag.28 Men sprak van jaarlijkse feesten, waarna ze de mannen, van welke soort ook, wegjoegen. En ook de manlijke baby's hielden ze niet, maar stuurden ze hen later na.29 Maar dat was bij lange na niet het wonderlijkste volk waarover de boeken spraken.
Achter de Amazonen kwamen de Scyten, die hun kinderen in de diepste bossen en spelonken verborgen hielden tot ze konden rennen en van de rotsen konden springen op de vlucht. Met hun gespitste oren hoorden ze elk geluid. Ze blaften als honden en liepen altijd tegen de wind in zodat ze hun geur achter zich lieten.30 Ze waren onderverdeeld in een onnoembare hoeveelheid stammen, de ene al bloeddorstiger dan de andere: Massageten en de Arimaspen, die maar één oog hadden en altijd in oorlog waren met de griffioenen om het goud.31 Neuren waren er onder, die 's zomers in wolven veranderden en 's winters weer mensen werden, en die in plaats van beelden hun zwaarden aanbaden en de beenderen van hun gevangenen brandden op hun altaren. En Gelonen, die de huid van hun vijanden afstroopten. Ze maakten een snee om de schedel en langs de armen en vingers en trokken de huid er in zijn geheel af, om hem als een mantel voor zich zelf te gebruiken. Ze zetten de scalp met de haren op hun eigen hoofd en de rest lieten ze los van hun schouders hangen. Of ze sneden er riemen en sjabrakken van voor hun paarden. Er waren blauw geverfde Agathysen - hoe blauwer hoe hoger in rang -, en verderop waren er Albanen, die dachten dat ze de nazaten van Jason zelf waren en die geboren werden met witte haren en ogen van vuur waarmee ze 's nachts beter zagen dan overdag. Ze zouden gigantische honden hebben, die woester waren dan welk wild dier ook en met hun angstwekkend geblaf zelfs het gebrul van een leeuw overstemden, en die zelfs stieren aan stukken konden scheuren.32
Nog meer naar het oosten, aan gene zijde van het Imaus-gebergte, kwamen die Scytische volken die menseneters waren, Antropofagen, zodat iedereen uit hun buurt bleef en de omringende landstreken onbewoond waren, leeg en woest, slechts bevolkt door wilde beesten, die al evenzeer op de loer lagen om mensen te verscheuren.33 Het meest barbaars waren wel de Essedonen, die de lijkstaties van hun eigen familieleden weliswaar met zang begeleidden, maar de lichamen dan vervolgens met hun tanden uiteen reten en van het vlees, vermengd met het vlees van hun vee, een feestmaal maakten. Van de schedels maakten ze met goud ingelegde drinkschalen, iets wat andere Scyten ook wel deden, maar dan alleen van de schedels van hun vijanden. Want als een Scyth iemand doodde, dronk hij diens bloed en bracht hij diens hoofd naar de koning als bewijs van zijn moed. Wie een jaar lang geen man gedood had, gold als een eerloze.34
Pas na de laatste Scyten en de hen omringende leegte, kwam de landengte Tabin, die volgens Plinius en anderen ver naar het noorden liep tot dicht bij de pool. En pas daarna - na weer eindeloze onbewoonde vlakten, volgens Marco Polo vol meren en moerassen en zo modderig van het ijswater dat geen paard er kon lopen, dertien dagreizen ver -, pas daarna kwam Cathay.35
Naderhand waren al die Scytische volken overwonnen door de Tartaren, een al even bloeddorstig volk van afzichtelijke mensen met uitpuilende ogen, woeste wenkbrauwen en een schreeuwerige taal die niet te verstaan was, altijd te paard, met vrouwen, kinderen en al. Dat waren dan wel in principe geen menseneters, maar hun vijanden
verslonden ze even zo goed, zei men, en wie zich daarbij het meest als een wolf gedroeg, werd het heldhaftigst geacht.36 Want wie in die streken woonde, werd nu eenmaal beheerst door de tekens van Aquarius en Saturnus, waaruit de wreedste en krijgszuchtigste karaktereigenschappen voortkwamen.37 Zei men.
Geduchte krijgers waren ze, die in het verleden - om precies te zijn in het jaar twaalfhonderdelf en voorafgegaan, in de maand mei van het jaar daarvoor, door een reusachtige komeet die zijn staart tot ver in het westen uitstrekte en die niet minder dan achttien dagen boven Rusland was blijven ronddraaien - in woeste horden ver Europa binnen gedrongen waren, alles vernielend wat ze tegenkwamen, blindelings gehoorzamend aan hun hoofdmannen, de khans.38 Nog steeds gingen er verhalen die de angst levend hielden. Maar tegenwoordig bleven ze achter de Oeral, waar ze met hun onafzienbare kuddes van de steppen in het zuiden tot de toendra's in het noorden rondzwierven. Hun voornaamste eigenschap was nu hun begeerte naar goud, zodat je, wanneer je maar een zadeltas vol goudstukken bij je had, nimmer tevergeefs zou vragen om een stuk vlees of een slok melk. Als je 's nachts maar het vuur brandend hield en sliep met je ogen open, want dieven waren en bleven ze.
Brunel had ze goed leren kennen op zijn tochten naar de Irtysh en de Ob'. Hij had hun hoofdmannen bezocht in hun spitse tenten en de huiden bekeken die ze hem te koop aanboden. En terwijl hij afdong op de prijs, had hij om zich heen gekeken, terloops vragen stellend: hoe ver in de richting van de Poolster - die zij de Selesnikol, de IJzeren Nagel, noemden - het was naar de horde der Baschirdoi, en vandaar naar die van de Chiesani, en van hen naar de Usezucani, naar de Ciremissen en hoe al hun horden of stammen ook heten mochten.39 Om te weten te komen hoe ver het land zich nog uitstrekte naar het noorden en of er sprake van kon zijn dat daar Tabin was, de landengte waar men onvermijdelijk op moest stuiten wanneer men langs het noorden van Rusland zou doorvaren naar het oosten. Hij had gevraagd en gevraagd: van wie ze de huiden hadden gekocht en van wie de edelstenen die ze hem toonden, en of er schepen waren geweest, geroeid door mannen met een nog donkerder huid dan zij zelf, die de Ob' af waren komen zakken.
Want één ding was duidelijk en dat was dat, hoe dan ook, het vervoer van de handelswaren uit Cathay per schip zou moeten gebeuren. Hetzij langs de noordkust, wanneer die tenminste niet zover naar het noorden zou lopen dat iedere doorvaart onmogelijk zou zijn door het ijs, hetzij over de rivieren. Ook als men de aanvallen van de Tartaren, waar Jenkinson al op had gewezen, niet vreesde, dan nog was een weg over land ondenkbaar. Want hoe zou men de goederen moeten verslepen, langs ongebaande wegen, zonder halteplaatsen waar men van kamelen en muilezels kon wisselen en voedsel en drank zou kunnen inslaan?
Met een schip zou dat betrekkelijk gemakkelijk en veilig kunnen gebeuren. Zelfs als her en der in verre uithoeken nog nazaten zouden blijken te leven van de oude Scytische stammen met hun barbaarse gewoonten, Gog en Magog, of, ver in het noorden of oosten, de monsters waarover men soms las: de Cyclopen, met hun ene oog in hun voorhoofd, in het noorden en in het oosten de Hondekopmensen en de

18. Claudius Ptolemaeus, Sebastian Münster, Scytië voorbij de Imaus (1540).
Vooral verder in het oosten zouden mysterieuze, vaak gewelddadige volken leven: Ymantopeden (Eénvoetigen), Antropofagen (Menseneters), Blemmyae, Cynocefalen (Hondekoppigen).
Blemmyae, die helemaal geen hoofd hadden en die hun ogen, neus en mond in hun borst hadden, of de Ymantopeden, eenvoetigen, die rondsprongen op één reusachtige voet, of zij die helemaal geen voeten hadden, maar alleen zeer lange armen en handen waarop ze zich verplaatsten (zie afb. 18).40 Sebastiaan Münster had ze in 1540 nog laten afbeelden in zijn Ptolemaeus-editie.41 En al was het duidelijk dat hij ze alleen nog zag als de voortbrengselen van een achterhaald bijgeloof, men kon toch nooit weten. De werkelijkheid kon vaak vreemder zijn dan de wonderlijkste verzinsels en zolang men niet zeker was...
Wie van al die verhalen in elk geval niets had willen weten, was Matthias van Miechov, de geleerde kannunnik van Krakau. Een eigenzinnig man ongetwijfeld, deze Matthias: zijn functie als hofarts van de Poolse koning had hij opgegeven om monnik te worden, van zijn rijkdommen had hij scholen en hospitalen gesticht, en tegenover het gezag van de beroemdste geleerden van de oudheid en van alle eeuwen daarna had hij een mening
gesteld die op niets anders berustte dan zijn eigen waarneming.42 En wat is er ongewisser dan een waarneming?
- ‘Neem het maar van mij aan, beste jongen, dat er aan jouw waarneming niets mankeert, ook al hebben ze je de hele weg van Kholmogory tot Yaroslavl' geblinddoekt met zich meegevoerd. De Ripaeïsche bergen bestaan helemaal niet en de Hyperboreïsche al evenmin. Ha, ha, zelfs met een blinddoek voor heb je het nog beter gezien dan al die geleerde cosmografen, die met hun spitsvondige redeneringen het ene verzinsel aan het andere rijgen.’
- ‘Hoe ziet het land er dan uit volgens u?’
- ‘Rotsachtig heuvelland. En bossen, eindeloze ondoordringbare bossen dagreizen en dagreizen ver, naar het noorden en nog verder naar het oosten.’
- ‘Maar als ze ondoordringbaar zijn, dan weet toch niemand wat je daar nog kan aantreffen?’
- ‘Dat is waar, dat is waar, maar toch in elk geval geen goud, of zilver, of edelstenen, want dan was men er allang geweest, ondoordringbaar of niet. Ha, ha. En zeker geen griffioenen die zo sterk zijn dat ze een paard mee de lucht in kunnen nemen. Een konings-adelaar, een enkele kleine draak desnoods. Griffioenen bestaan niet eens. Net zo min als al die monsterlijke wezens bestaan als hondekoppigen, konijnkoppigen, tweekoppigen en koplozen, of wat niet al. Goed om de kinderen mee naar bed te krijgen, maar in een kosmografie... Ach, jongen, papier is geduldig en geleerden zijn nog ijdeler dan de meeste andere mensen. Ze willen altijd weer met iets opzienbarends komen, neem dat van mij aan. Elyseïsche velden, waar het klimaat altijd zacht is en de mensen lang en gelukkig leven totdat ze zich voldaan in zee storten. Ha, ha, en dat in het noorden. Alsof niet iedereen zich aan het leven vastklemt als een schipbreukeling aan een drijvende ton. En of er daar in het noorden iets anders te vinden is dan de meest armzalige sloebers, die diep teruggetrokken in hun ellendige bossen in ondergrondse holen leven, zich voedend met rauwe vis en het vlees van wilde dieren.’43
- ‘De Lappen?’
- ‘“Lappen”, laten ze het niet horen, want dat betekent “dwazen” of “dommen”.44 En dat zijn ze allerminst. In vroeger tijden werden ze Skrittfinnen genoemd, naar de sprongen die ze maken op hun essenhouten latten waarmee ze achter het wild aan jagen, zichzelf sturend met een stok (zie afb. 19). De ene lat is een voet langer dan de andere, dat is, zeggen ze, om goed te kunnen glijden, en de kortste van de twee moet even lang zijn als de man of vrouw die ze aan heeft. Aan de voorkant zijn ze krom gebogen en van onderen zijn ze bekleed met rendiervel, waardoor ze beter kunnen draaien en bovendien op een steile helling niet terugglijden. Door de weerstand van de haren, begrijp je? Ik heb het zelf gezien hoe ze met grote slingerende bogen langs de hellingen glijden, diep de bergen in, even snel omhoog als omlaag. Geen klip zo steil of ze weten er met een plotseling draai om heen te schieten.

Soms doen ze het zo maar, om geen andere reden dan om te zien wie het snelst is.’45
- ‘Wie het snelst is? Zomaar, zonder dat om een buit gaat of zoiets?’
- ‘Zomaar. Het lijkt zo gemakkelijk dat je haast zin krijgt het zelf ook te gaan doen.’
- ‘Vreemde genoegens. En dat volk zou niet dwaas zijn? Waar komen ze eigenlijk vandaan?’
- ‘In feite horen ze van Kola tot Nova Zembla allemaal tot de Iuhri, een volk van Scythen, die de oorspronkelijke Gothen daar hebben verdreven.’
- ‘Dezelfde Gothen die tenslotte Italië hebben veroverd en Spanje?’
- ‘Ja, ja. En dezelfde Iuhri als die in het zuiden Hongaren worden genoemd.’
- ‘Dezelfden? Hoe kan dat?’
- ‘Opgejaagd door de Tartaren, jongen, en opgesplitst, een deel naar het noorden en een deel naar het zuiden. Alle volken gingen op drift. Je houdt het niet voor mogelijk, wat die hebben aangericht.46
Wat er allemaal van waar was, stond te bezien. Maar wat die Iuhri betrof had vader Mattheus in zoverre gelijk, dat het een schuw volkje was zonder enige beschaving. Zonder sneeuw konden ze niet bestaan, hoe ongelooflijk dat ook mocht klinken.47 Ze leefden inderdaad van het rauwe vlees van wilde dieren, kleedden zich in beestevellen en zwierven rond in tenten zonder vaste woonplaats. Ze hadden geen paarden, wel een soort herten, die ze sleeën lieten trekken waarmee ze in een etmaal wel honderd-vijftig mijl konden afleggen, over welke afstand ze zeiden dat de horizon driemaal

20. Lappen.
Ze leven van de jacht en de visvangst en aanbidden houten afgodsbeelden.
veranderde (zie afb. 20). Wat betekende dat ze driemaal van het ene opgerichte teken tot het volgende konden zien. Of ze flitsten met hun bootjes, die ze met twijgen en pezen in elkaar zetten, over de wilde rivieren. Zoals de Ethiopiërs hun vissen droogden in de zon, zo deden zij het in de kou en vervolgens verpulverden ze ze tot een soort meel.
Zoals was te verwachten van een wild volk dat met geen beschaving in aanraking was geweest, hadden ze wonderlijke gewoonten. Zo was het aan een vrouw verboden de tent door dezelfde uitgang te verlaten als waardoor haar man die dag op jacht was gegaan. Ook mocht ze het geschoten wild niet met de hand aanraken, maar reikte haar man haar op de punt van zijn spies zoveel vlees aan als hij haar toekende. Ze waren buitengewoon bijgelovig en hadden in de bergen beelden opgericht die ze voor goden hielden.48 Of liever: rechtopstaande stenen die ruwweg de gestalte hadden van mensen, besprenkeld met bloed, of zelfs planken met alleen twee of drie gaten erin voor de
ogen en de neus. Daar spraken ze dan hun bezwerende formules over uit.49 Ze aanbaden de zon, de maan en de sterren. Of ze hingen een stuk rood laken aan een stok en aanbaden dat, omdat ze vanwege de kleur van bloed dachten dat er een godheid in was. En ze offerden de botten van wilde dieren en walvissen, maar niet 's zomers, want dan zou het kunnen lijken dat ze met hun offervuren spotten met de hitte en het licht van de zon. Ze bewaarden alles tot het diepste van de winter en dan staken ze het aan, zodat het licht tot aan de horizon was te zien en het was of de zon teruggekeerd was.50 Dat alles was tot op zekere hoogte te begrijpen en geen reden voor vrees. Maar ook waren er verhalen over hun bedrevenheid in magie en tovenarij.
Adam van Bremen had het er al over gehad dat ze zich erop beroemden alles te weten wat waar dan ook op aarde gebeurde.51 En later had de geschiedschrijver van de Deense koningen, Saxo, weten te vertellen dat ze in het gevecht kiezelstenen achter zich wierpen die aan hun vijanden bergen toeschenen, of handen vol sneeuw die ze deden lijken op brede rivieren, zodat hun achtervolgers stilhielden.52 Dat waren auteurs geweest uit de duistere middeleeuwen. Maar ook een eigentijdse geleerde als Jakob Ziegler, die zowat overal in Duitsland en Hongarije had gedoceerd, schreef over de bezwerende gezangen waarmee ze walvissen naar de kust lokten, en over de riemen met drie knopen, waarin ze de winden gevangen hielden. Wanneer ze één knoop losmaakten, lieten ze een zacht briesje tevoorschijn komen, maar bij de tweede al een stevige wind, en bij de derde een storm zó hevig dat de zeeman die het vege lijf wist te redden zich gelukkig mocht prijzen. Ze konden schepen midden op zee doen stilstaan met hun kunsten, zodat er geen beweging meer in te krijgen was.53 Het enige middel daartegen zou de ontlasting van jonge maagden zijn, waarmee men het schip van binnen en van buiten moest insmeren.54
Zeker was, dat ze de toekomst zagen in vuur en kristal, en, vooral, dat ze gevaarlijk waren. Van elke willekeurige afstand schoten ze met hun korte magische pijlen van lood, die niet meer dan een vinger lang waren, op degenen op wie ze wraak wilden nemen. Die stierven dan binnen drie dagen onder de meest afschuwelijke pijnen aan de kanker in armen of benen.55 Al met al kon men rustig zeggen dat ze alle duivelskunsten beheersten die de Schrift verboden had.
O, dom waren ze zeker niet. Maar spreken konden ze nauwelijks, het was meer een soort tandenknarsen wat ze deden, zodat ze zich zelfs aan de aangrenzende volken niet verstaanbaar konden maken. Daarom en om geen andere reden was het, dat ze hun handel dreven door de huiden die ze wilden ruilen neer te leggen en later te zien wat er ter betaling voor teruggelegd was.56 Daarom ook was het dat ze Lappen werden genoemd, onnozelen, Fin-Lappen zoals ze op de kaarten genoemd stonden, ter onderscheiding van de Wild-Lappen die hoog in de bergen woonden en die nog schuwer waren, een volk van faun-achtige mannen en vrouwen met baarden, die zich
maar zelden lieten vangen.57 Nog noordelijker vond men dan volgens sommigen de Pygmeeën, die niet groter werden dan een tienjarig kind, een volk dat slechts een soort gekwaak uitstootte en dat dichter bij de apen dan bij de mensen scheen te staan.58
Het was wel zeker, dat het volk dat verderop, voorbij de Witte Zee, langs de kust woonde hetzelfde was als deze Skrittfinnen of Fin-Lappen of Samen. Daar was Biarmenland, dat volgens de middeleeuwse geschriften bevolkt werd door reuzen en dat de grens vormde tussen de natuurlijke en de bovennatuurlijke wereld. Mensenhoofden op staken en reusachtige honden zouden er de toegang bewaken. Volgens Saxo waren de daar wonende Samojeden al even grote tovenaars als de Finnen. Ze zouden naar believen het weer kunnen veranderen en stortbuien op hun vijanden doen neerkomen, bliksem en donder, of hen plotseling overvallen met een zinderende hitte, wat nog erger was dan de ergste kou.59 In elk geval leken ze in alle opzichten op de Fin-Lappen van Kola, met hun sleeën en gebogen latten en hun tenten van dierenhuiden.
En deze Samojeden, Samen, of, zo je wilde, Iuhri, moesten op hun beurt weer dezelfden zijn als de Lucomortzen waarover Von Herberstein het had. Namen genoeg. 's Winters zag niemand ze en leefden ze diep teruggetrokken in hun bossen en holen, zodat je inderdaad wel kon zeggen dat ze gestorven waren. Maar wanneer de zon weer was teruggekeerd en op de zuidelijke hellingen en langs de oevers van de rivieren de sneeuw begon te smelten, kwamen ze tevoorschijn. Tweemaal per jaar kwamen ze op een vaste plaats in de buurt van de rivier de Pechora bijeen en ruilden ze hun goederen met de Russen en Tartaren.60
Richard Johnson, de bediende van Chancellor die in 1556 mee was geweest tot voorbij Nova Zembla, had ze bezocht en erover geschreven in zijn verslag. En hij had er aan toegevoegd, dat vooral de Samojeden die op het eiland Vaygats woonden, tussen Nova Zembla en de Russische kust in, gevaarlijk waren. Iedere Rus die daar aan land ging, doodden ze en aten ze op. Maar nog gevaarlijker waren, naar zijn zeggen, de Samojeden bij de monding van de Ob', die werkelijk iedereen die ze te pakken konden krijgen en die hun taal niet sprak, vermoordden.61
Diezelfde Johnson was ook aanwezig geweest bij een van hun magische seances. Dat was om precies te zijn op 5 januari 1556. Niemand dan hij had zoiets ooit meegemaakt, maar als je zijn beschrijving las, was het of je er zelf bij was:
‘Iedere familiegroep offert in zijn eigen tent - zo begon hij zijn verhaal - en hij die het oudste is, is de priester. Deze begint eerst te slaan op iets dat nog het meeste op een grote zeef lijkt, met aan één kant een vel erover heen gespannen als bij een drum. Hij doet dat met een stok met een ronde knop, die overtrokken is met rendierhuid. Op zijn hoofd heeft hij een soort witte krans en zijn gezicht is bedekt met stukken stof waar kleine botjes en tanden van vissen en wilde beesten op zijn genaaid.
Dan gaat hij zingen, en dat op een manier zoals wij in Engeland naar de honden schreeuwen. De rest van het gezelschap antwoordt met de bezwerende woorden “Igha, Igha, Igha”. De priester antwoordt weer met zijn kreten en zij antwoorden hem met dezelfde woorden, en dat zo vaak dat hij tenslotte als het ware gek wordt en neervalt alsof hij dood is. En dat alles met niets anders aan dan een hemd.
Hij lag daar dus op zijn rug en ik kon zien dat hij ademde. Ik vroeg, waarom hij daar zo lag, en ze zeiden:
“Nu vertelt onze God hem, wat we moeten doen en waar we heen moeten gaan.”
Nadat hij enige tijd zo had gelegen, riepen ze opeens allemaal tegelijk driemaal “Oghao, Oghao, Oghao”. Terwijl ze dat riepen, richtte hij zijn hoofd op en liet het weer zakken. En toen kwam hij overeind en zong met dezelfde stem als tevoren en zijn gehoor antwoordde “Igha, Igha, Igha”. Hij beval hen drie elanden of grote herten te slachten, en ondertussen bleven zowel hij als zij maar doorgaan met zingen. Toen nam hij een zwaard van wel driekwart meter lang, ik heb het zelf gemeten, en duwde dat tot bijna de helft in zijn buik. Er was geen wond te zien en ze bleven maar zingen. Vervolgens hield hij het zwaard in het vuur tot het heet was en stak het via een split van zijn hemd dwars door zijn lichaam, leek het wel. Het ging er bij de navel in en kwam er van onderen weer uit. De punt stak aan de achterkant onder uit zijn hemd. Ik legde mijn vinger er op, maar toen trok hij het zwaard weer terug en ging zitten.
Toen het zo ver was, hingen ze een ketel water boven het vuur om warm te worden. Zolang zaten ze en zwegen. Maar toen het water begon te ruisen, begon de priester weer te zingen en zij hem te antwoorden. Ondertussen maakten ze iets, een soort stoel, aan de voorkant bedekt met een kleed. Toen het water kookte en de zetel klaar was, deed de priester zijn hemd uit. Hij nam de krans van zijn hoofd en haalde de repen stof die voor zijn gezicht hingen weg, maar hij hield zijn laarzen van herteleer waar de haren nog aanzaten en die tot zijn liezen kwamen, aan. Zo ging hij naar de vierkante zetel. Hij ging zitten zoals een kleermaker doet en zong en riep met luide stem.
Ze sneden een smalle reep van herteleer van wel zeveneneenhalve meter lang en gaven hem die. De priester maakte hem met een knoop vast om zijn nek en onder zijn linker arm, en gaf de uiteinden aan twee mannen die aan weerszijden van hem stonden. De ketel heet water werd voor hem gezet. Al die tijd was de zetel zichtbaar, maar toen werd het kleed, een stuk goed zonder voering zoals de Russen dragen, ervoor gehangen. De twee mannen die de uiteinden vasthielden, begonnen te trekken. Ze trokken tot de lijn strak stond en ze trokken nog, en toen hoorde ik iets in de ketel met water vallen.
Ik vroeg aan degenen die naast me zaten, wat daar in het water viel, en ze zeiden dat het zijn hoofd, zijn schouder en zijn linkerarm waren, die afgesneden waren door de lijn. Ik kwam overeind en wilde kijken of dat waar was of niet, maar ze hielden me tegen en zeiden dat degene die hem zag zou sterven. De meesten kenden wel Russisch en ze hielden mij voor een Rus. Ze begonnen te schreeuwen “Oghaoo, Oghaoo, Oghaoo”, allemaal tesamen en vele malen achtereen. En terwijl ze zo zongen en schreeuwden, zag ik iets dat leek op een vinger van een mens twee keer door het gordijn heen steken. Ik vroeg degenen die naast me zaten, wat het was dat ik daar zag, en zij zeiden dat het niet de vinger van de priester was, want
dat die nog dood was, maar dat het een beest was dat ik door het gordijn had zien komen. Maar wat voor beest, dat wisten ze niet of wilden ze niet zeggen. Ik keek het gordijn langs, maar er was geen gat te zien. En tenslotte richtte de priester zijn hoofd op en zijn schouders en arm, en zijn hele lichaam, en kwam tevoorschijn.
Dat alles had meerdere uren geduurd. Later ging ik nog naar de dienaar van de priester en vroeg hem, wat hun God hem gezegd had toen hij daar zo lag. Hij antwoordde dat zelfs zijn eigen volk dat niet te horen kreeg en dat ze blindelings moesten doen wat hun bevolen werd.’62
Zo waren ze dus: onbeschaafd, wild en vijandig. Maar om bang voor te zijn? Dat toch zeker niet. Daarvoor waren de huiden die ze te ruil aanboden te veel waard op de markten van het westen. En Brunel ruilde, kocht. In Lampas, de verzamelplaats ten oosten van Nieuw Kholmogory,63 ruilde hij zijn kramerij van bellen en spiegeltjes tegen sabel en hermelijn.64 Of wellicht ook zamelde hij voor de tsaar aller Russen, of voor de Stroganovs als de gemachtigden van de tsaar, de huiden in die de Samojeden als schatting schuldig waren sinds ze door hem waren onderworpen.65 En terwijl hij de smerige vellen in bundels, of in de naar traan stinkende zakken van walrusleer op zijn sleeën bond en verderop van zijn sleeën weer overlaadde op zijn schip, keek hij weer, vroeg hij weer.
Dat was niet ver van waar het eiland Vaygats de vrije doorvaart tussen Nova Zembla en het vaste land versperde. Burrough had daar slechts een smalle doorgang weten te vinden, die meestal door de ijsgang nog onbevaarbaar was ook. Maar soms, plotseling, kon de stroming alle ijs als bij toverslag doen verdwijnen, trok de mist op en strekte het open water zich voor je uit. Het moest mogelijk zijn zo naar de Ob' te komen. Er waren Russen die het deden in hun lodya's.66 En eenmaal bij de monding van de Ob' zou de route over de binnenwateren - over de Ob' en de Ardoh en het meer van Kithay, of hoe het allemaal heten mocht - open liggen.
Van Lampas ging het naar Kola en van Kola, samen met Grigorei, Jakov, Semjon of een andere Stroganov, naar Dordt. Ze zullen de reis wel gemaakt hebben met een schip uit Antwerpen of uit Enkhuizen of welke andere Nederlandse haven dan ook. Voor het eerst sinds jaren sprak Brunel weer Nederlands. Voor het eerst ook hoorde hij van de ongeregeldheden, een opstand welhaast, in het vaderland. Maar het was goede handel die ze met zich meevoerden en al in Dordrecht wist hij contacten te leggen voor een duurzamer samenwerking en dat zou nog beter worden als hij in Antwerpen een van de grote kooplieden daar, Gillis Hooftman bijvoorbeeld, voor de handel via Kola zou weten te interesseren.
Maar achter al die activiteiten moet steeds de droom geschemerd hebben van Cathay. Het was niet alleen begeerte naar rijkdom. Het was ook, in de modder en de kou van het noorden zo goed als in het welvarende Antwerpen, een droom van een beschaving die zijn gelijke in de wereld niet had. Van badhuizen, paleizen, en van parken en spelevaren in boten met zijden kussens. Van een rijk vooral, waar men van
het zuiden tot het verre noorden doorheen kon reizen zonder enig gevaar van oorlog of van rovers, met na iedere dagreis een herberg zo comfortabel als een vorst zich wensen kon. Een vaag vermoeden hoe het leven zou kùnnen zijn.