terug  begin  verder
[p. 78]

V De eilanden

- ‘Olivier Brunel.’
- ‘Brunel! Is het mogelijk, na al die jaren? Waar kom je vandaan?’
- ‘Van de Oeral, van Moskou, Kola en Dordrecht.’

De terugkeer in Antwerpen moet voor Brunel een schokkende ervaring zijn geweest. De stad was rijker en bedrijviger dan in zijn stoutste herinneringen, met als bekroning het nieuwe stadhuis, dat blonk in de zon. Maar tegelijkertijd heerste er een matheid die zo nu en dan, in een blik, een wending van een gesprek, over leek te slaan in angst. Alleen Hooftman was onverstoorbaar dezelfde. In de hoge eetkamer van zijn huis bij het Steen sloeg hij blad na blad om van zijn atlas, terwijl van vier muren de schilderijen op hem neerkeken die hij Maarten de Vos had laten maken van episoden uit de handelingen van de apostel Paulus. Een monument van Godsvertrouwen (zie afb. 30).1



illustratie
30. Maarten de Vos, Paulus op Malta (1568).
Dit schilderij is vervaardigd in opdracht van Gillis Hooftman. Onder de afgebeelde figuren komen hijzelf, Abraham Ortelius en andere tijdgenoten voor.


[p. 79]
- ‘Kijk, Amerika.’

En ook dat was verbijsterend. Jaren geleden, toen Brunel uit Antwerpen was vertrokken, was men er van uitgegaan dat het door Cabot ontdekte Bacalaos, als het niet al de kust van Azië was, toch niet meer kon zijn dan een smalle strook land. Naar het zuiden toe was het weliswaar verbonden met het Amerika van de Spanjaarden, dat hadden Cabots reizen langs de oostkust van het nieuw ontdekte land wel bewezen. Maar dat nam niet weg dat het in het noorden toch gemakkelijk te passeren moest zijn. Ergens moest de golfstroom toch een doorgang uitgesleten hebben.2

Maar Ptolemaeus had zich schromelijk vergist in de grootte van de aardomtrek en met hem hele generaties geografen.3 Nu lag daar een heel continent, zo groot als Europa en Azië samen, weliswaar alleen langs de kust geëxploreerd, maar zich volgens de jongste berekeningen uitstrekkend tot verder dan de tweehonderdzestigste lengtegraad.

Brunel staarde. De hele oostkust van de nieuwe wereld was volgeschreven met namen van baaien en vestigingen: Estotiland met de Baia do Serra en de Rio Nevado en Rio de Tormenta, en zuidelijker de Golfo di San Lorenzo en de nederzettingen Hanguz, Canada en Roquelai (zie afb. 31).4

- ‘Portugezen?’
- ‘Naar ze zeggen, ja, en Fransen. Hoewel ook Henry VIII, op aandringen van Robert Thorne, er indertijd nog iemand naartoe gestuurd heeft. Dat had toen geen resultaat, schijnt het, maar nu zijn ze weer bezig.’5

Van het hele Bacalaos was niet meer overgebleven dan een eiland voor de kust. Maar dat was niet alles. Ook in de oceaan zelf, tussen de oude en de nieuwe wereld, lagen allerlei eilanden waarvan hij nog nooit had gehoord. IJsland, dat was bekend. En Groenland natuurlijk, al had indertijd niemand geweten waar dat precies lag en had men het meestal beschouwd als een deel van het poolland. Maar daarboven lag nu, nog verder naar het noordwesten, Grocland en er onder het rotseiland Witsarc, en in het noordoosten, bij de ingang van de IJszee, de twee eilandjes Rustene en Santi, en zuidelijker, onder IJsland, nog Grisland, en Frisland, en Drogeo, Icaria, Neome, Podalida, en wat niet al (zie afb. 32).6

- ‘Ja, meester Mercator heeft niet stilgezeten. Ortelius heeft veel aan hem te danken, vooral wat betreft de noordelijke streken.’7

Weer werd er een kaart te voorschijn gehaald en op tafel uitgerold.

[p. 80]


illustratie
(Bij afbeelding op pagina 80)
31. Abraham Ortelius, Wereldkaart (1570).
Op de oostkust van Noord-Amerika zijn de nieuwe, door de Portugezen en Fransen gestichte, nederzettingen aangetekend: Hanguz, Roquelai, Canada.


[p. 81]
- ‘Zie daar, de beste die er is: anderhalf bij twee vierkante meter pure geleerdheid en bruikbaar voor een stuurman ook. Plantijn, die het monopolie voor de verkoop in de Nederlanden bezit, heeft er al honderdvijfentachtig van de hand gedaan, heb ik horen zeggen. En dat voor drie gulden het stuk. Zo'n bedrag legt men toch niet gauw neer voor één kaart. Maar de oplage schijnt niet zo groot te zijn geweest en dat is begrijpelijk.’
- ‘Hoezo?’
- ‘Met al die revolutionaire nieuwigheden? De mensen kopen meestal liever iets vertrouwds. Maar in dit geval had hij zich geen zorgen hoeven te maken. Kijk...’8

Met een korte dikke vinger wees hij aan:

- ‘Tussen Groenland en het noorden van de nieuwe wereld zou een doorgang zijn waardoor men de Straat van de Drie Gebroeders kan bereiken, Straat Anian, zoals men tegenwoordig meestal zegt. En vervolgens kan men zo afzakken naar Quivira op de westkust, dat bekend is van de Spanjaarden. Herinner je je niet dat Gemma Frisius het indertijd al had over de Quii, bij wie Johannes Scolvuss terecht zou zijn gekomen? Vandaar naar Zipangu en Cathay zou maar een korte oversteek zijn. Mercator gelooft er heilig in.9 En de Engelsen ook trouwens. Er wordt zelfs beweerd, dat in 1541 aan de zuidzijde van de Straat van de Drie Gebroeders een schip is geland vol handelswaar en met zeilen beschilderd met exotische vogels, waarvan de bemanning met gebarentaal duidelijk heeft weten te maken dat ze uit Cathay kwamen en er dertig dagen over hadden gedaan.’10
- ‘En dat zou kort zijn?’
- ‘Een stuk korter in elk geval dan via Straat Magellaens. Dat is wel vijftienduizend mijl, nog afgezien van de stormen en de stromingen, die een passage daar vrijwel onmogelijk maken.11 Nee, ik begrijp die Engelsen wel. Jenkinson schijnt ontevreden te zijn over de resultaten in Rusland en een rijke edelman gevonden te hebben die het allemaal financiert, en niemand minder dan John Dee heeft de nautische adviezen gegeven.12 Op 7 juni zijn ze met drie schepen onder commando van Martin Frobisher vertrokken en op 2 october waren ze alweer terug. Met een klomp goud, en met een inboorling die in alle opzichten op een Tartaar schijnt te lijken.13
- ‘Hoe zag die er dan uit?’
[p. 82]


illustratie
(Bij afbeelding op pagina 82)
32. Abraham Ortelius, De noordelijke landen (1570).
In navolging van Mercators wereldkaart van 1569 tekent Ortelius de Noordzee vol eilanden die afkomstig zijn uit oude, meest imaginaire, reisbeschrijvingen: Grocland, Icaria, Drogeo, Frisland, Grisland, Neome, Podalida, en, boven Noorwegen, Santi en Rustene. Het schiereiland op het vaste land van Amerika, dat vroeger Bacalaos werd genoemd, heet hier Estotiland. Tussen IJsland en Groenland ligt het rotseilandje Witsarc.


[p. 83]
- ‘Een vet lijf en korte benen en een breed, donker gezicht met kleine ogen, een dunne zwarte baard en lang gitzwart haar dat boven zijn voorhoofd was vastgeknoopt.’14
- ‘Engelse bluf. Zo ziet een Tartaar er niet uit, dat weet Jenkinson net zo goed als ik. En wat die Russische handel betreft, hij is alleen maar teleurgesteld dat de tsaar dreigt het Engelse monopolie op te heffen en ook anderen toe te laten tot de Witte Zee.15 Want er is daar goede handel te drijven, dat verzeker ik u, huiden en zalm en talk, beter dan in die zogenaamde nieuwe wereld...’

Maar op zondag 4 november 1576, toen in Gent de onderhandelingen met de prins van Oranje over enige vorm van overeenstemming al ruim twee weken aan de gang waren,16 barstte de hel los over Antwerpen.

Het begon de vrijdag ervoor. De Spanjaarden, die in het kasteel gelegerd waren, eisten sinds enige tijd steeds luider soldij en van de andere kant naderden de troepen van de gewesten. De Spaanse en Italiaanse kooplieden waren begonnen zich met familie, have en goed op de burcht in veiligheid te stellen, maar de rest van de stad hield zich of er niets aan de hand was.

Die ochtend, om tien uur, werden de gewestelijke troepen door de Kipdorppoort aan de noordoostzijde de stad binnen gelaten (zie afb. 33). Ze marcheerden regelrecht naar het zuiden, richting kasteel. Daar, aan de rand van het excercitieterrein, begonnen ze van de Sint Jorispoort aan de oostzij tot de Kronenburgpoort aan de Schelde schansen op te werpen. Zakken voor wol en hop, lege vaten, oude stoelen zelfs werden aangevoerd en mannen en vrouwen, jongens en meisjes werden geprest om te helpen graven. Het was zo mistig dat men op het kasteel niet kon zien wat er gebeurde. Pas's nachts kregen ze het in de gaten, en toen begonnen ze ook te schieten. Daarmee bleven ze de hele volgende dag en ook de daarop volgende zondag doorgaan, tot in de middag toe. Dwars door de huizen daar schoten ze, waarbij veel mensen omkwamen.

's Zondagsochtends kregen de Spanjaarden versterking van de muitende troepen uit Aalst en Maastricht. Ze kwamen aan de achterkant het kasteel binnen en gingen meteen door naar de voorkant om uit te vallen naar de schansen. Een paar uur lang werd er hevig gevochten. Overal lagen doden. Maar toen overmanden ze de versperringen en trokken de stad binnen, door de Sint Jorisstraat en de Begijnenstraat, de Walenstraat, de Kloosterstraat. De klokken luidden. Burgers kwamen aansnellen met geweren en zwaarden in de hand. Maar er was geen vechten meer aan.

[p. 84]


illustratie
33. Antwerpen en de Spaanse Furie.
Vanuit het Kasteel trekken de soldaten door de Sint Jorisstraat, de Begijnenstraat, de Walenstraat en de Kloosterstraat brandend en plunderend de stad in. De wijk rond de Grote Markt: Braderijstraat, Zilverstraat, Kaasstraat, Suikerrui, Vlasmarkt, en een deel van de Hoogstraat gaat in vlammen op. Hetzelfde geldt voor het uiteinde van de Kloosterstraat, bij het Kasteel.


De verdedigers voor zich uit jagend drongen ze naar de Grote Markt. Het nieuwe stadhuis, waarvanuit de schutters nog weerstand boden, werd in brand geschoten, zodat de verdedigers uit de vensters moesten springen om het vege lijf te redden. En verder ging het, tot de noordzijde toe, waar vluchtende burgers wanhopig probeerden met touwen en staken van de wallen af het open veld in te komen, of met boten over de grachten van de Nieuwstad de Schelde op te raken. Er verdronken er heel wat, want de boten kapseisden onder de massa.

En toen, zondagavond, toen alle weerstand gebroken was, begon het plunderen, dat door zou gaan tot ver in de donderdag. Deuren werden opengeslagen of -geschoten en met het rapier in de hand stormden ze de huizen in. Geld wilden ze, veel geld, en als ze alles hadden, wilden ze nog meer. Het ene huis na het andere ging, uit wraak op wie niet kon betalen, in vlammen op. De hele wijk bijna rond de Grote Markt, de Braderijstraat, Zilverstraat, Kaasstraat, Suikerrui, Vlasmarkt, de helft van de Hoog-

[p. 85]

straat, en in het zuiden van de stad alles rond het uiteinde van de Kloosterstraat bij het kasteel.

Vijfhonderd huizen minstens brandden geheel uit en zo'n negenhonderd andere waren zwaar beschadigd. Men sprak van vijfduizend, maar ook van achttienduizend doden. Nog dagen later werden er lijken onder het puin vandaan gehaald.17 Met recht vroegen sommigen zich af of, in plaats van 1556 of '66, 1576 het magische jaar was dat de Antichrist over de wereld zou komen om allen die hadden gezondigd te vernietigen. Wat er daarna ook allemaal gebeurde - de algemene overeenstemming tussen de gewesten en de prins van Oranje dat in elk geval de buitenlandse troepen het land uit moesten, het vertrek van de Spaanse troepen en de komst van 's konings halfbroer Don Juan als de zoveelste nieuwe landvoogd, en tenslotte, in september 1577 de terugkeer van Willem van Oranje in Antwerpen18 -, de stad zou nooit meer worden als voordien.

 

Maar de handel ging door. Nog geen drie maanden na de ramp, terwijl de geur van verbrande kalk en roet nog in de straten hing, vertrok Abraham Ortelius naar Londen. In januari had John Dee hem geschreven over de plannen voor Frobishers tweede reis en volgens sommigen had hij geen ander doel dan daar alles over te weten te komen.19

Er was nog zoveel te ontdekken. Niet alleen de noordelijke streken van Amerika waren onbekend, ook in de grote oceaan zelf moesten vrijwel alle nieuwe eilanden die op de wereldkaart van Mercator aangegeven stonden, worden geëxploreerd. Over de zeilroute naar Groenland bestond nog steeds de grootste onzekerheid. En zelfs over IJsland, waar toch al eeuwen schippers naartoe voeren om boter en gedroogde vis,20 gingen de meest wonderlijke verhalen.

- ‘Neem alleen Olaus Magnus’ boek over de noordelijke landen. Die man is zelf een Zweed, maar de onzin die hij vertelt... Onze stadssecretaris Cornelius Grapheus heeft er tot vlak voor zijn dood werk aan gehad om alle verouderde en overbodige geleerdheden waar die gemankeerde aartsbisschop mee pronkte, er uit te halen, voordat Plantijn er met goed fatsoen een herdruk van kon laten verschijnen.’21
- ‘Gemankeerd?’
- ‘Ja toch? De paus mag hem dan benoemd hebben, terug naar Zweden is hij nooit gegaan. Wat had hij er ook moeten doen, nu het hele land Luthers leer volgt.22 Maar goed, in elk geval is zijn boek er heel wat handzamer door geworden, en bruikbaarder, al blijft het een wonderlijke wereld.’

En zo was het. Als één land de stelling van de geleerde Postel bevestigde, dat in het noorden Satan vastgeketend lag en dat daarom alle demonische krachten zich daar manifesteerden, dan was het wel IJsland. De natuur was er ook naar. Op de toppen

[p. 86]

van de bergen lag altijd sneeuw, terwijl het aan de voet tussen de stenen borrelde en siste van onderaards vuur, dat elk ogenblik weer uit kon barsten, zoals nog was gebeurd in het jaar 1558.23 Overal waren plassen van groen dampend water dat naar zwavel smaakte en waarboven wolken van vliegen en muggen hingen. En boven dat alles verhieven zich de zwarte hellingen, die bedekt waren met as, en daarboven weer reusachtige ijsvlakten als witte muren in de lucht.

Niets groeide er, geen bomen, geen graan, alleen in het zuiden hier en daar wat gras. De mensen gebruikten er de ribben van walvissen om huizen te bouwen. Ze leefden van de vis die ze droogden op de rotsen, en van wat ze wisten te ruilen voor hun boter bij de kooplui die met hun schepen uit Denemarken kwamen, of uit Duitsland en Engeland en soms ook uit de Nederlanden.

Dat alles kon men in de elfde eeuw al lezen bij Adam van Bremen en was in de zestiende eeuw nog precies zo.24 Niets om je over te verwonderen, als tenminste al dat andere er niet was geweest. Maar er waren bronnen waarin alles onmiddellijk in steen veranderde en bronnen zo giftig dat wie er van dronk ter plekke dood neerviel, bronnen die hun hete water tot in de hemel spoten en bronnen waaruit bier vloeide.25 Tussen de bergen en rotsen liepen rivieren van ijs dat om en om wentelde, zodat de lijken van de mensen die daar in een spleet gevallen waren later weer aan de oppervlakte werden teruggevonden.26 En er blies een voortdurende noordwestenwind die zo krachtig was, dat hij zelfs gewapende mannen van hun paard gooide en op volle zee het water onder de schepen wegblies, zodat ze hoog in de lucht hingen.27

Maar het ergste was de berg Hekla, die als de Etna in Italië altijd brandde. Men zei dat daar de ingang van het vagevuur was, waar de zielen gereinigd en gezuiverd werden (zie afb. 34). Dat was dan wel paapse onzin uit de koker van een of andere middeleeuwse paus,28 want hetzelfde verhaal ging ook over een grot in Ierland, waarvan men vroeger dacht dat het aan het eind van de wereld lag en waar de heilige Patrick een blik in het vagevuur had mogen werpen.29 Maar toch...

‘Wee en ach’ en ‘ach en wee’ zou men er hebben gehoord en het knarsen van tanden, terwijl aan de ene kant een brandend zwarte rivier ontsprong en aan de andere kant een ijskoude, waarin de zielen gepijnigd werden. En niet alleen brandende stukken hout vlogen er in de rondte, maar ook brandende vogels, die op kwamen vliegen uit de krater en door de lucht dwarrelden met een afgrijselijk gekrijs.

Sint Brandaan had er al over bericht.30 En later had de monnik Alberich uit het cisterciënzerklooster in Trois Fontaines bij Straatsburg geschreven, dat in het jaar 1134 tijdens de slag bij de Fode-baai in Zuid-Zweden, toen er behalve de zoon van koning Niels de Grote niet minder dan vijf bisschoppen gesneuveld waren, de herders op IJsland de zielen in de gedaanten van zwarte kraaien en andere vogels hadden zien rondvliegen, al roepend: ‘Wee, wee ons, wat hebben we gedaan? Wee, wee, wat is ons

[p. 87]



illustratie
34. De vulkanen op IJsland.
De middelste is de Hekla, die van boven bedekt is met sneeuw (‘nix’) en van onderen brandt. Daar is de ingang van de onderwereld (‘chaos’).


overkomen?’ En ze hadden gezien hoe andere reusachtige vogels, die op griffioenen, leken, hen aanvielen en hen allen de IJslandse hel indreven. En ook in het jaar 1341 zouden er bij een uitbarsting van de Hekla zielen in gedaante van vogels met luid geschreeuw hebben rondgevlogen in het vuur.31

Weliswaar had Saxo, die toch ook niet de eerste de beste was, mee weten te delen dat het kruiende ijs dat vanuit zee tegen de rotsen stootte al dat gekreun voortbracht.32 En moderne schrijvers als Ziegler en Sebastiaan Münster leken aan dat verhaal de voorkeur te geven, maar even goed vertelden ook zij over verdronkenen die zich aan passanten vertoonden alsof ze nog leefden, maar die zodra men ze een hand wilde geven met een zucht oplosten in de lucht. Als Olaus.33

En wat te denken van het verhaal over een schip dat van IJsland vertrok, recht voor de wind, en dat gekruist werd door een ander schip dat - wie het gelooft gelooft het - dwars tegen wind en weer in voer met de snelheid van een storm. Toen ze riepen: ‘Waar komen jullie vandaan?’, antwoordde de schipper: ‘Van de bisschop van Bremen’; en toen ze riepen: ‘Waar gaan jullie heen?’, was het antwoord: ‘Naar de Hekla toe, naar de Hekla toe’.34

Maar de mensen, zo schreef Olaus, waren goede christenen en wars van alle luxe. Al van de vroegste tijden af had men er met verwondering over geschreven hoe tevreden en gelukkig ze daar waren, hoe vol naastenliefde, en hoe ze alles deelden, zowel onder elkaar als met vreemden.35 Ze hadden hun eigen schrift, waarmee ze van oudsher zorgvuldig de dappere daden van hun landgenoten opgetekend hadden, en

[p. 88]

ook nu nog waren ze altijd bezig de dingen die er gebeurden te noteren. En opdat ze beter onthouden werden, maakten ze er liederen en refreinen van, die ze uithakten in de rotsen boven de zee.36

Dat was nog eens wat anders dan de bakerpraatjes van Plinius over eilanden in het noorden, waarvan de bewoners geboren werden met paardenhoeven in plaats van voeten, of met oren zo lang, dat die hun hele naakte lichaam bedekten en ze geen andere kledingstukken nodig hadden.37 Nee, Postel had wel gelijk gehad toen hij had geschreven, dat de oorsprong van het goede naast die van het kwaad moest zijn en dat naarmate men noordelijker kwam de mensen rechtvaardiger waren.

 

En verder? Verder naar het noorden lag Groenland, en Groenland was zoek.

- ‘Officieel tenminste.’
- ‘Hoezo? Zijn er dan mensen die...’
- ‘Wie weet. Mij zal je het niet horen zeggen. Maar er zijn altijd wel zeelui die een kans wagen waar een ander niet komt.’
- ‘Ik heb horen zeggen dat de Deense koning de doodstraf niet te zwaar vindt voor wie zijn monopolie doorbreekt.’
- ‘De Deense koning zelf lukt het niet eens de vaart weer te openen.’
- ‘Ik heb ook horen zeggen dat er niemand meer leeft, behalve de Pygmeeën die ze Skraelings noemen. Dat de Skraelings ze allemaal vermoord hebben.38 Met wie zou men dan handel moeten drijven?
- ‘En ik heb gehoord dat er wel degelijk mensen leven, zo klein als Pygmeeën, maar van Noorse komaf.39 Geruchten natuurlijk. Wie daar buiten de Deense koning om handel drijft, zal er niet over spreken. Maar in elk geval kan ik je verzekeren dat de mensen die daar wonen niet groen uitgeslagen zijn door het zeewater, maar door ondervoeding en ziekte.40 Daarvoor zullen de Deense koningen en hun raadslieden, die de bevoorrading hebben laten verlopen maar niettemin de particuliere handel verboden hebben, zich nog wel bij de Heer hebben te verantwoorden.’

Voorop stond dat er geen reden was aan te nemen, dat de meest noordelijke streken vanwege de kou onbewoonbaar waren, zoals men wel zei. De geleerde geograaf Jakob Ziegler had dat met kracht van redenen ontkend. En al had hij het dan wellicht mis met zijn opvatting dat Groenland samenviel met het nieuw ontdekte Bacalaos en zich als één gesloten poolland uitstrekte tot Lapland of Biarmen - een opvatting die in Duitsland trouwens door velen gedeeld werd41 -, dat betekende nog niet dat hij wat dit betreft ongelijk had. Hij had gewezen op de overvloed aan vis in de zee en wilde dieren op het land. En wat meer was, hij had een wetenschappelijke verklaring aangevoerd die moeilijk

[p. 89]

te weerleggen zou zijn, omdat zij berustte op de eigenschappen van de vier elementen zelf, de lucht, het water, de aarde en het vuur.

Immers, daar ieder element nu eenmaal aan moest sluiten bij dat waar het het dichtst bij lag - want wie wist niet dat de natuur geen onverenigbaarheden kende -, daarom was het water waar het grensde aan de aarde het dikst, dus het zoutst. Want datgene wat water dikte kon geven, was het zout. Zout, zei Plinius, gaf een olieachtige vettigheid, en olie op zijn beurt kwam wat zijn warmte betrof in de buurt van vuur. Dus waar de zee in talloze inhammen het land binnendrong, daar stimuleerde het zoutgehalte de warmte en de vettigheid de vruchtbaarheid. Zo matigde de wederzijdse doordringing van water en aarde de temperatuur van de lucht. En voor zover er dan nog strenge kou over bleef, voorzag natuur haar schepselen van diepe holen en dichte vachten, of, waar het mensen betrof, van de kracht om te jagen en verder van alles waar intelligentie en handigheid in konden voorzien: kleding, verwarmde woningen, veren bedden.42

Volgens Ziegler werden er vroeger op Groenland grote hoeveelheden boter en kaas geproduceerd voor de export, maar woonden er nu alleen Lappen, dezelfden als langs de noordkust van het vaste land van Europa tussen de Noordkaap en de Ob' woonden en even bedreven in magie. Met hun liederen zweepten ze stormen op en deden ze schepen vergaan, om zich zo meester te kunnen maken van de lading. Soms kwamen er ook Pygmeeën afzakken vanuit het onbekende land onder de pool. Een roofzuchtig volkje, niet groter dan tienjarige kinderen, maar, naar men zei, zo boosaardig als ze klein waren.43

Dat was gedegen informatie, waar Olaus Magnus met al zijn geleerdheidsvertoon vreemd bij afstak. Want wat te denken, niet alleen van diens bewering dat deze

illustratie
35. Gevecht van Pygmeeën met kraanvogels.
Dit verhaal van Plinius wordt door Olaus Magnus toegepast op de Eskimo's, die sinds Claudius Clavus ‘Pygmeeën’ worden genoemd.


[p. 90]



illustratie
36. Wrakhout en hutten van walvisribben.
In dergelijke hutten, bedekt met twijgen en mos, zouden de Pygmeeën op Groenland leven.


Pygmeeën onvervaard mensen van normale grootte aanvielen, maar ook dat ze in de lente, zittend op de rug van rammen en geiten en gewapend met speren, in slagorde naar de zeekant trokken om zich daar drie maanden lang te voeden met de eieren en kuikens van de kraanvogels (zie afb. 35)? Alleen zo zouden ze zich tegen de woedende vogels kunnen handhaven.

Dat verhaal had hij bij Plinius gevonden en de geloofwaardigheid ervan had hij trachten te verhogen door te wijzen op Solinus, een nog groter fantast, die beweerd zou hebben dat de Pygmeeën ooit door een troep kraanvogels uit de stad Gerania, wat Ooiervaarsbek betekende, waren verdreven. En wat die kraanvogels betrof - ganzen of zwanen waarschijnlijk -, daarvan zei hij, Olaus, dat ze voordat ze naar het noorden trokken bij wijze van ballast zand en stenen verslonden, opdat ze door de stormen daar niet uit de koers geslagen zouden worden, en dat ze dat alles pas uitbraakten als ze te bestemder plekke waren gearriveerd.44

Onzin, en door Cornelius Grapheus terecht geschrapt. Maar wat wel waar zou zijn, was dat ze ook daar, als op IJsland, hun huizen maakten van de ribben van walvissen, bedekt met twijgen en mos, zodat ze er volgens de enkeling die er langs was gevaren, vanuit de verte uitzagen als omgekeerde boten (afb. 36). En ook, dat ze boten hadden van leer waarmee ze evengoed onder, als op het water konden varen en passerende schepen van onderen konden doorboren en doen zinken, om zich meester te maken van de lading.45 Want zulk gluiperig gevaar, te voorschijn schietend van godweetwaar, vanachter een golf of een ijsschots, dat kende Brunel. Hij had ze bij Kola gezien, en later bij Vaygats. Wat maar weer bewees dat Claudius Clavus, en Ziegler, en Münster, en ook Olaus Magnus gelijk hadden als ze zeiden dat Groenland zo ver reikte als Vardohüs en nog verder.46 Hoewel toch weer niet dat er geen water tussen lag, want ze voeren even rustig tien of twintig mijl ver de zee in tot ze geen land meer zagen, als dat ze tussen het pakijs doorschoten. Alsof het niet de meest verradelijke zee was die

[p. 91]

je je denken kon, met onzichtbare klippen en kolken, en met stormen die onverwacht opstaken en voor je het wist de zee, zojuist nog schoon zo ver het oog reikte, voldreef met schotsen.

Dat was het grootste probleem: hoe er te komen. Nergens was de zee zo gevaarlijk als ten noordwesten van Noorwegen, vol draaikolken waarin ontwortelde bomen rondtolden, die soms verrot waren, maar vaak ook nog zo hard dat ze een schip lek konden stoten. De meest beruchte was ter hoogte van de Lofoten. Dat was de maalstroom waarvan middeleeuwse geleerden als Paulus Diaconus en Giraldus meenden dat alle zeestromen erdoor naar het binnenste van de aarde werden gezogen. Wat in zoverre onjuist was dat die nog veel noordelijker moest zijn. Maar ook hier moesten de schippers voortdurend van richting veranderen en dan weer deze en dan weer die kant uit varen om niet in problemen te komen. En dat terwijl er, vooral bij volle maan, noordwesterstormen voor kwamen waar elke zeeman met recht bang voor was.47

In zo'n nacht, als in het bleke maanlicht het schip op de kam van de golven hoog werd opgetild om vervolgens omlaag te worden gesmeten de zwarte diepte in, in zo'n nacht kon het gebeuren dat je Holler, de tovenaar, aan zag komen varen. Schrijlings zat hij op het bot van een reusachtige vis, zijn mantel als een zeil in de wind.48 Dan sloeg de zeeman een kruis en vervloekte de dag dat hij uitgevaren was.

Maar wie langs de maalstroom raakte lag op koers naar de nieuwe wereld, al wist dan ook niemand wat daar te vinden zou zijn.49

 

De koers... Er waren zeilaanwijzingen, of geruchten van zeilaanwijzingen. Brunel herinnerde zich de de woorden van een zeeman uit Hamburg:

- ‘Wanneer je op tweederde van Ierland en eenderde van IJsland bent, kan je bij helder weer zowel de Snaevelsjokel op IJsland als de Witsarc op Groenland zien. Ze zeggen dat beide landen niet meer dan dertig zeeweken, en dat is honderdtachtig mijl, van elkaar liggen. Komt de stroming uit het noorden, dan moet je oppassen niet af te drijven naar Ierland, maar komt hij uit het zuiden, dan moet je, als je de Witsarc zich naar het noorden ziet uitstrekken, de koers nemen naar het zuidwesten.’50

Ook Ziegler sprak over de Witsarc, of Huitsarck, op Groenland, het ‘witte hemd’, een gletscher ongetwijfeld als de jokels op IJsland, die zich hoog in de lucht uitstrekten, soms zelfs boven de wolken. Hij had het over een schiereiland of een kaap, en op zijn kaart waren het drie bergtoppen die half de zee in staken.51

Maar volgens Olaus was de Witsarc een rotseiland midden in zee tussen IJsland en Groenland. Omstreeks het jaar 1494 zouden twee beruchte piraten, Pining en Pothorst, die wegens hun gruwelijke wandaden door de gezamenlijke koningen van de noordelijke landen ver van elke menselijke samenleving verbannen waren, er hun toevlucht hebben gezocht (zie afb. 37). Vandaaruit belaagden ze alle schepen die ze in

[p. 92]



illustratie
37 Het navigatieteken op Witsarc.

zicht kregen. Hoog op de uit zee oprijzende rots hadden ze met loden lijnen een enorm navigatieteken aangebracht in de vorm van het rozet van een kompas, ten teken aan alle zeerovers in de wijde omtrek dat ze met goed profijt hun plundertochten in die richting konden uitstrekken.52

- ‘Maar ook dat heeft Grapheus dan met recht geschrapt. Didrik Pining een zeerover!’

Hij en Pothorst hadden dat navigatieteken juist aangebracht als waarschuwing voor de Groenlandse zeerovers, die met hun onooglijke bootjes iedereen aanvielen. Duitse zeelui waren ze geweest, in dienst van koning Christiaan I van Denemarken uitgevaren om nieuwe landen te ontdekken en Groenland terug te vinden. En niet de eersten de besten: Pining was gouverneur geworden van IJsland en later commandant van Vardohüs, en Pothorst mocht dan niet zo bekend zijn, zijn afbeelding hing toch maar in de Mariakerk in Helsingör, naar men zei.53

Maar of de rots nu Witsarc heette of niet, en of het navigatieteken nu voor of tegen zeerovers was bedoeld, een aanduiding van de route naar Groenland zou het wel zijn. Zo deden ze dat daar in het noorden. Aan de Noordkaap was er ook één, hoog op de klippen uitgehakt in de rotswand, eveneens in de vorm van een kompas.54

 

Niet alleen de Deense koning had er een lief ding voor over als de route naar Groenland teruggevonden werd. Ook Elisabeth van Engeland was geïnteresseerd, en niet zonder reden. Immers, kort nadat Ortelius John Dee had bezocht, had deze een brief van zijn oude vriend Mercator ontvangen, waarin hij uitlegde hoe hij aan de

[p. 93]

informatie over de poolgebieden was gekomen die hij op zijn wereldkaart had verwerkt.55 Uiteindelijk ging het belangrijkste terug op de mysterieuze Inventio Fortunata, waar indertijd ook Johannes Ruysch zich nog op had gebaseerd en die sindsdien spoorloos verdwenen was. Hij had nog getracht het werk, dat hij ooit te leen had gehad, terug te vinden. Tevergeefs. Maar gelukkig had hij indertijd het belangrijkste overgeschreven.56 Boven het noorden van Noorwegen zou, nog achter de Zuigende Zee, het land van Obscur liggen en nog drie andere poollanden, op achtenzeventig graden omringd door een bergketen en doorsneden door golfstromen waar geen schip tegenop kon, met rond de pool open water en precies in het midden een glanzend zwarte rots van drieëndertig mijl omtrek. Zo had hij het ook op zijn kaart aangegeven.

Maar zijn bron, het reisverhaal van een zekere Jacobus Cnoyen uit 's-Hertogenbosch, zou meer hebben gegeven dan dat alleen. De Britse koning Arthur zelf zou in het jaar 530 een expeditieleger die kant op hebben gestuurd en achter Groenland nog een eiland, Grocland, hebben gevonden. Alle eilanden tussen Schotland en Grocland had hij onderworpen. Maar vierduizend van zijn beste mannen waren achter Grocland in de Zuigende Zee terechtgekomen en nooit teruggekeerd. Toch schenen er overlevenden te zijn geweest, die zich in die streken staande hadden weten te houden en zich met de daar wonend Pygmeeën hadden vermengd. Het verhaal ging tenminste dat in 1364 acht van hun nakomelingen, onder wie twee priesters, aangeland waren bij de koning van Noorwegen. Ze vertelden dat ze op Grocland reuzen van wel drieëntwintig voet lang hadden aangetroffen, achttienhonderd mannen en vierhonderd vrouwen.

Een van hen was in het bezit geweest van een soort astrolabe, die hij daar in het noorden in 1360 gekregen zou hebben van de Oxfordse monnik die de Inventio Fortunata geschreven had.57 Volgens Dee moest dat de mathematicus Nicholas van Lynn zijn geweest, hoewel dat was nog maar de vraag was.58 Maar in elk geval scheen die nog noordelijker te zijn geweest, zoals ook bleek uit zijn informatie over de pooleilanden en de golfstromen.

Op het oostelijke pooleiland had hij mensen gezien, niet meer dan drieëntwintig, waarvan zestien vrouwen, en allemaal heel klein, hooguit vier voet, maar ongetwijfeld mensen. Elders had hij wel planken en balken van schepen en stronken van bomen zien liggen, zo opgestapeld dat je moest aannemen dat er mensen waren geweest. Maar blijkbaar waren ze weggetrokken, of gestorven. Op het westelijke eiland, waar hij ook was geweest en dat het beste en gezondste land van het hele noorden was, had hij geen spoor van levende wezens gevonden. Al dat land was vlak geweest, zonder enig gebergte, behalve het omringende, en dicht bebost.59

- ‘En Elisabeth?’
- ‘Elisabeth kan de getuigenis over de veroveringen van koning Arthur maar al te goed gebruiken om haar aanspraken op de souvereiniteit over alles wat er tussen Schotland en de pool ligt, te staven.60 Ze schijnt zelfs van plan te zijn
[p. 94]
Frobisher dit jaar zeven veroordeelden mee te geven, die hij moet afzetten op Frisland om informatie over het land en zijn bewoners te verzamelen.61
- ‘Frisland?’
- ‘Ja, ook zo'n eiland dat al twee eeuwen geleden ontdekt is, toen weer vergeten en pas in onze eeuw, nu de aarde echt wordt geëxploreerd, op de kaarten wordt aangetekend. Hoog tijd dat het wordt bezocht en in de gemeenschap van beschaafde volken opgenomen wordt. Stel je voor, tot nu toe kennen we het alleen uit brieven die door een spelend kind in een oude kist op zolder zijn gevonden. Het schijnt zelfs dat hij ze aanvankelijk verscheurd heeft en pas later, als volwassene, de betekenis ervan heeft begrepen. Hij heeft toen alles, zo goed en zo kwaad als dat ging, gereconstrueerd. Ook heeft hij een kaart gepubliceerd die hij in de familiepapieren had gevonden en waarop het allemaal aangetekend staat.’62
- ‘Wat een verhaal.’
- ‘Zeker, maar zulke dingen komen voor...’

Het was geweest in het jaar 1380, na de oorlog met Genua, dat ridder Nicolò Zeno, een moedig en rijk man, het verlangen kreeg te reizen om de wereld te zien en de taal en gewoonten van vreemde volken te leren kennen, zodat hij als de gelegenheid zich voordeed des te beter zijn vaderland zou kunnen dienen en voor zichzelf eer zou kunnen verwerven. Dus rustte hij op eigen kosten een schip uit en zette hij koers naar het oosten, en eenmaal de Straat van Gibraltar gepasseerd wendde hij het roer en zeilde dagenlang naar het noorden, met als doel Engeland en Vlaanderen.

Maar toen werd hij overvallen door een vreselijke storm. Dagenlang werd hij meegevoerd door de golven en de winden, zonder te weten waarheen, tot hij tenslotte, met behoud van zijn bemanning en het grootste deel van de lading, op de kust van het eiland Frisland werd geworpen (zie afb. 38). Nauwelijks hadden ze vaste grond onder de voeten, of ze werden aangevallen door een grote groep eilandbewoners. En het zou er slecht voor hen uit hebben gezien, als er niet toevallig een grote heer met zijn troepen in de buurt was geweest, die op het lawaai en geschreeuw was komen aansnellen en hen had ontzet.

Hij vroeg hun in het Latijn naar hun herkomst en toen hij hoorde dat ze uit Italië kwamen, beloofde hij hun zijn bescherming. Hij bleek de heer te zijn van een naburige eilandengroep, ten zuiden van Frisland, en daarnaast ook hertog van Sorano, dat in de buurt van Schotland ligt. Zijn naam was Zichmi. Hij was een dapper man, befaamd om zijn krijgstochten. Het jaar daarvoor had hij de Noorse koning verslagen en nu was hij met zijn mannen hier naartoe gekomen om Frisland te veroveren, een eiland iets groter dan Ierland. Toen hij merkte dat messer Nicolò het nodige wist van varen en vechten, nam hij hem en zijn mannen in dienst en stuurde hen met zijn schepen naar het westen van het eiland.

Dertien schepen waren het, twee galeien en verder kleine barken. De zee was daar vol zandbanken en klippen en als messer Nicolò en zijn Veneriaanse zeelui niet als loodsen waren opgetreden, zou die hele vloot zeker zijn vergaan, zo onervaren waren Zichmi's zeelui vergeleken bij hen.

[p. 95]


illustratie
38. Kaart van de reizen van de gebroeders Zeno (1561).
De hierop voorkomende imaginaire eilanden, Icaria, Drogeo, Frisland, Grisland, Neome en Podalida, alsmede Estotiland, zullen door Mercator overgenomen worden op zijn wereldkaart van 1569.


- ‘Ach, kom, en al die voorgaande veroveringstochten dan? Die eilandbewoners kennen de zee daar toch als hun broekzak?’

Zonder veel moeite maakten ze zich meester van een aantal kleine eilandjes en bogen toen af naar de havenplaats Sanestol op Frisland zelf, waar ze volgens afspraak Zichmi weer ontmoetten, die met zijn leger al vechtend over land was gekomen. Vandaar gingen ze weer verder, opnieuw eilandjes en stukken van Frisland voor Zichmi veroverend. In triomf trokken ze naar de hoofdstad, die ook Frisland heet en die aan de oostkant van het eiland ligt. Kortom: uiteindelijk gaf de hele bevolking zich over en erkenden allen Zichmi's gezag. En Zichmi bedankte messer Nicolò voor het behoud van zijn vloot en sloeg hem tot ridder en gaf hem en zijn mannen kostbare geschenken.

De hoofdstad van Frisland ligt aan een baai zo rijk aan vis, dat er in die tijd schepen uit Vlaanderen en Bretagne, Engeland, Schotland, Noorwegen en Denemarken op

[p. 96]

afkwamen en er goed geld aan verdienden. Met een van die schepen nu gaf messer Nicolò een brief mee voor zijn broer, messer Antonio, met de vraag over te komen. En Antonio, al even begerig iets van de wereld te zien als zijn broer, kocht op zijn beurt een schip en kwam en bleef veertien jaar op Frisland. Maar Nicolò, inmiddels benoemd tot admiraal, zeilde na vier jaar samen met Zichmi uit om Estland, dat tussen Frisland en Noorwegen ligt, te veroveren.

Dat mislukte. Ze richtten er wel veel schade aan, maar toen ze hoorden dat de koning van Noorwegen er met een grote vloot aankwam, vluchtten ze zo hals over kop in een vliegende storm dat een aantal schepen op zandbanken liep en verging. De rest kwam terecht op Grisland, een groot onbewoond eiland meer naar het noorden. Naderhand hoorden ze van andere schepen die daar kwamen aandrijven, dat de vloot van de Noorse koning in dezelfde storm met man en muis was vergaan. Voor Zichmi was dat reden om nu IJsland, dat tot dan toe aan de koning van Noorwegen onderworpen was geweest, aan te vallen. Maar ook dat mislukte. Het eiland was veel te goed versterkt en bewapend. Het enige dat ze wisten te bezetten waren zeven kleine eilandjes, op één waarvan ze een fort bouwden. Zichmi keerde terug naar Frisland. Maar messer Nicolò bleef met een kleine groep mannen en boten en voorraden, vast besloten om het volgende jaar verder noordwaarts te gaan.

In juli van het jaar daarop zeilde hij met drie barken naar het noorden en kwam terecht op Groenland. Hij trof er een klooster aan van de predikheren en een kerk die aan Sint Thomas was gewijd. Dat was vlak bij een berg die vuur spuwde als de Vesuvius of de Etna. Er was daar een heetwaterbron. De monniken leidden het water door buizen onder de grond naar het klooster, zodat het niet koud werd. Daarmee verwarmden ze de kerk en het klooster en hun cellen. En als het water dan eindelijk de keuken van het klooster bereikte, was het nog zo heet dat ze geen vuur nodig hadden om hun eten te koken. Ze deden deeg in koperen potten, die ze in het water zetten, en zo bakten ze hun brood.

De buizen kwamen tenslotte uit in een grote koperen ketel, die midden in een fontein in de hal van het klooster stond en deze verhitte. Zo hadden ze warm water voor hun eigen gebruik en voor hun tuintjes. Want ze hadden tuintjes, die ze 's winters overdekten tegen de sneeuw en de kou en die ze met het warme water besproeiden. Op die manier kweekten ze bloemen en fruit en allerlei groente. De inboorlingen daar dachten dat ze goden waren en brachten hun kippen en vlees en betoonden hun alle eer die goden toekwam.

- ‘Dat is dan geen verschil met overal elders. Ik ben nog nooit een monnik tegengekomen die niet dacht dat hij een god was.’
- ‘Wat je zegt.’

De monniken hadden hun klooster gebouwd van de lava van de vulkaan. Ze gooiden er water op, waardoor het oploste tot een witte kalle waarvan ze klinkers maakten die keihard waren. De bogen die ze er van bouwden, waren zo licht dat ze geen ondersteuning nodig hadden en onovertroffen waren in schoonheid en duurzaamheid. En daar waar het hete water in zee stroomde was een wijde haven, die nooit bevroor en waar zoveel vogels en vissen naartoe trokken dat ze in onbeperkte hoeveelheden gevangen konden worden. Er kwamen daar 's zomers veel schepen van naburige eilanden en van de Noordkaap en Trondheim in Noorwegen, die alles brachten wat men verder nog

[p. 97]

nodig had in ruil voor vis en voor de huiden van allerlei wilde dieren. In de haven lagen altijd wel schepen te wachten tot de zee verderop ontdooide, of een storm ging liggen.

Er leefden rond het klooster veel mensen, die in hun onderhoud voorzagen met bouwen en visvangst en duizenden andere bezigheden. Aan werklieden geen gebrek. Ze woonden in ronde huisjes, aan de grond vijfentwintig voet in doorsnee en naar boven toe nauwer en nauwer, met bovenin een klein gat waardoor licht en lucht naar binnen konden. Hun boten waren gemaakt van de botten en huiden van vissen, die ze aan elkaar naaiden en die zo sterk waren dat ze zelfs als ze tegen de rotsen sloegen niet stuk stootten. Het was ongelofelijk om te zien, hoe ze bij slecht weer zichzelf daar als het ware in opsloten en zonder enige angst voor gevaar de zee op gingen. In het midden van de boot hadden ze een soort mouw die vastzat aan een gat in de bodem. Het water dat binnenkwam lieten ze daarin lopen en als de mouw dan vol was, maakten ze hem van boven stevig dicht en deden hem van onderen open, zodat ze het water eruit konden duwen. Dit deden ze zo vaak als nodig was, zonder enig gevaar.

Dat alles had messer Nicolò gezien en beschreven. Maar zelf was hij er ondanks al het comfort tenslotte ziek geworden van de kou. Hij was teruggekeerd naar Frisland en daar gestorven. Messer Antonio had al zijn rijkdommen en funkties geërfd.

Antonio was liever teruggaan naar Italië, maar Zichmi, die vast besloten was de heerschappij over de zee te veroveren, wilde daar niet van horen. Hij moest en zou mee met een expeditie naar het westen, waar zesentwintig jaar eerder een paar afgedreven vissers duizend mijl verderop op Estotiland terecht waren gekomen. Een van die vissers was jaren later teruggekeerd en hij had verteld van de prachtige, dichtbevolkte stad die daar lag en de vriendelijke bewoners.

De koning van Estotiland had alle tolken laten komen om hen te kunnen verstaan, maar er was niemand geweest die een bekende taal sprak, op één na, die daar ook als schipbreukeling was gestrand en Latijn sprak. Ze waren er al met al vijf jaar gebleven. Het was een wat kleiner eiland dan IJsland, maar vruchtbaarder en welvarender. In het midden stond een hoge berg waar vier rivieren uit ontsprongen die het hele gebied bevloeiden. De inwoners waren intelligent en ontwikkeld en in vroeger tijden moesten ze in contact hebben gestaan met onze wereld, want in de bibliotheek van de koning stonden Latijnse boeken, die niemand meer kon lezen.

Verder naar het zuiden lag een een groot, dichtbevolkt land dat rijk was aan goud en waar onafzienlijke wouden waren, en nog zuidelijker een eiland dat Drogeo heette. Omdat ze om konden gaan met het kompas had de koning hen met twaalf boten daarheen gezonden. Maar ze waren in een storm op het vaste land geworpen en de meesten van hen waren gevangen en opgegeten door de wilden, die kannibalen waren en mensenvlees beschouwden als een lekkernij.

- ‘Amerika dus.’
- ‘Mogelijk.’
- ‘De Grypen of Hyperboreërs van dokter Becanus toch?’
- ‘Zeg maar gewoon Indianen. Het zou kunnen, maar wie weet wat voor landen en volken daar nog meer zijn? Pas de laatste jaren is duidelijk geworden hoe weinig we weten. Vrijwel niets.’
[p. 98]

Volgens die visser was het een zeer groot land, bewoond door wilden die van de jacht leefden, maar die zelfs niet het benul hadden zich tegen de kou te beschermen met de huiden van het wild dat ze hadden geschoten.

Tenslotte had de man weten te ontkomen en was hij via Drogeo en Estotiland teruggekeerd in Frisland. Toen Zichmi het relaas van zijn wederwaardigheden had gehoord, had hij zich voorgenomen ooit een expeditie die kant uit te sturen. En nu, met zijn Venetiaanse admiraal, achtte hij het moment gekomen.

Ze gingen met een groot aantal schepen op weg. Ondanks de aanwezigheid van Antonio had Zichmi zelf het commando op zich genomen. Van het begin af stond de onderneming onder een ongelukkig gesternte. De visser die hun gids had moeten zijn, was drie dagen voor het vertrek gestorven, maar Zichmi had geweigerd van de onderneming af te zien. Vervolgens werden ze in open zee overvallen door een storm.

- ‘Alweer?’
- ‘Het is daar berucht om de stormen, dat weet iedereen.’

Acht dagen lang werden ze voortgedreven zonder te weten waarheen en een groot aantal schepen ging verloren. Tenslotte kwamen ze bij het eiland Icaria, dat ooit genoemd was naar de eerste koning, Icarus, zoon van Dedalus, koning van Schotland.

- ‘Wel ja.’
- ‘Ja, ook daarover wordt heel wat interessants vermeld. Bijvoorbeeld, dat ze zich nog steeds gebonden voelen aan de wetten van hun eerste koning, die naderhand verdronken is in de zee daar, die dan ook de Icarische zee wordt genoemd.’
- ‘Nooit van gehoord.’
- ‘En dat ze liever sterven dan een ander als heerser te aanvaarden.’

Ze werden opgewacht door een grote menigte woedende eilandbewoners, die hen dwongen meteen weer te vertrekken. Met moeite lukte het hen nog in een baai aan de oostkant van het eiland water en hout in te slaan, terwijl op de omringende heuvels de bewoners elkaar met rooksignalen waarschuwden en gewapend met pijl en boog de hellingen af kwamen. Er sneuvelden toen al heel wat manschappen voordat ze weg wisten te komen.

Tien dagen worstelden ze tussen de zandbanken en klippen, en telkens als ze naar de kust werden gedreven, zagen ze op de heuvels de bewoners staan, die naar hen schreeuwden en pijlen afschoten. Maar tenslotte stak er een straffe wind op. Zes dagen zeilden ze recht voor de wind, totdat ze weer land bereikten. Later zou blijken dat het de uiterste zuidpunt van het hetzelfde Groenland was waar jaren tevoren en veel verder naar het noorden messer Nicolò was geweest. Ze noemden het ‘Kaap Trin’ en de baai waar ze geankerd lagen de ‘Baai van Trin’.

Het was toen juli. Het weer was zacht en het wemelde er van de vis en de zeevogels. Er was geen mens te bekennen, maar heel in de verte, bij een berg, zagen ze rook opstijgen. Zichmi stuurde een aantal mannen het land in en toen die na acht dagen terugkwamen, vertelden ze dat de rook niet door mensen werd gemaakt maar uit de berg zelf kwam. Ze hadden wel mensen gezien. Ze waren klein en schuw en waren hun holen ingevlucht zodra ze hen gezien hadden.

[p. 99]

Toen hij dat hoorde, besloot Zichmi vanwege de zuivere lucht, het vriendelijke klimaat, en de vruchtbare grond en heldere rivieren die ze gevonden hadden, met een aantal vrijwilligers daar te blijven en er een stad te stichten. De anderen zond hij onder leiding van messer Antonio terug naar Frisland, waar ze - na eerst twintig dagen pal naar het oosten en toen vijf naar het zuidoosten, waar ze Neome bereikten, en vandaar nog drie dagen naar het westen gezeild te hebben - tenslotte veilig aankwamen. Ongetwijfeld tot grote vreugde van hun achtergebleven familie en vrienden.63

 

Daar was het relaas afgebroken. Wat er verder met Antonio was gebeurd en met Zichmi's nederzetting op Groenland, was onbekend.

- ‘Maar Mercator schijnt aan de geloofwaardigheid van het verhaal niet te twijfelen. Hij moet het gevonden hebben in Ramusio's verzameling, want ook Santi en Rustene uit Piero Quirino's reisverhaal staan op zijn kaart en dat kan hij alleen daaruit hebben.’64

Santi, het Eiland der Heiligen, was een onbewoonde rotspartij waarop in het jaar 1431 Piero Quirino, ook al een Venetiaan, ook al meegesleurd door de winden, met de zijnen terecht gekomen was.

Het verhaal wilde dat ze zich eerst negen dagen in leven hadden gehouden met het vlees van een aangespoelde walvis en vervolgens hadden geleefd op mosselen en schelpen, totdat ze waren gered door een paar vissers van het naburige eilandje Rustene. Dat was trouwens een wonder op zich geweest. De zestienjarige zoon van een van hen had gedroomd dat twee vaarzen die zoek waren, daarheen gezwommen waren en had net zolang zijn vader en zijn oudere broer aan het hoofd gezeurd, totdat ze met hem mee waren gegaan om ze te zoeken. Zo hadden ze de schipbreukelingen gevonden. Ze hadden hen meegenomen en liefderijk verzorgd.

Dat Rustene zou niet meer dan twaalf huizen hebben geteld en zo'n honderdtwintig bewoners, die in hoofdzaak leefden van de visvangst en die zo uitmuntten in vroomheid en deugd, dat men in het paradijs kon menen te zijn. Begeerte of overspel waren er onbekend. Allen - vader, moeder, volwassen zoons en dochters, en gasten - sliepen in één ruimte, naakt als pasgeborenen. Sterker nog, de heer des huizes en zijn zonen vertrokken 's ochtends in alle vroegte om te gaan vissen en lieten hun Italiaanse gasten onbekommerd de hele dag lang achter bij de vrouwen. In hun onschuld kwam het niet bij hen op dat er iets onwelgevoeglijks zou kunnen gebeuren. Deze mensen waren zo één met de Heer, dat ze bij het overlijden van een familielid of vriend Hem dankten en zich verheugden in Zijn wil.65

Mercator had de eilandengroep hoog boven de Noordkaap gesitueerd, bij de ingang van de Noordelijke IJszee, nissen Noorwegen en een van de vier pooleilanden van de Inventio Fortunata.66 Alles bij elkaar - pooleilanden, Grocland en Witsarc, de Zeno-eilanden en ook deze twee - betekende het een geografische vernieuwing die niet

[p. 100]

minder belangrijk was dan zijn projectie met toenemende breedtegraden, en zeker zo invloedrijk.67

 

Voor de mensen die met zeevaart en handel te maken hadden, moet dat het meest overtuigend zijn geweest: dat alles berustte op reisverslagen. Het was het zelfbewuste besef te leven in een tijd van vooruitgang, ondanks alles: de geblakerde gevels van de straten rond de Grote Markt, het gebrandschatte platteland, en op zee de kapers van de ene partij of de andere. Ortelius was er heel beslist over:

- ‘Dat gaat voorbij. Maar wat blijft, is de nieuw verworven kennis, zijn de ontdekkingen. Geen kwaad woord over Ptolemaeus, maar sinds Columbus en Vespucci weten we hoeveel hij niet wist. Daarom verdient ieder ooggetuigeverslag de voorkeur boven zijn kaarten, ook al dateert het van eeuwen terug. In die middeleeuwen, zoals men ze tegenwoordig noemt,68 waren ze nog zo gek niet.’69

Tussen de besprekingen met Hooftman en diens agent Jan van de Walle door bezocht Brunel in de Oude Lombartstraat Ortelius' ‘museum’, zoals hij het zelf noemde.70 Hij bladerde in het Theatrum en liet ook, telkens weer, Mercators wereldkaart voor zich uitrollen. Vooral het in een apart kader afgedrukte bovenaanzicht van het poolgebied fascineerde hem (zie afb. 39).

Daar was het allemaal te zien: de vier uitgestrekte poollanden, omringd door een donkere rand van bergen en doorsneden door de vier stromen. Her en der in het Latijn de aantekeningen uit de Inventio Fortunata: ‘Dit eiland is het best en het gezondst van het hele noorden’, ‘Deze stroming heeft drie mondingen en is jaarlijks gedurende ongeveer drie maanden dichtgevroren’, ‘Hier wonen Pygmeeën van vier voet lang, die verwant zijn aan degenen die men op Groenland Skraelings noemt’, ‘Deze stroming heeft vijf mondingen en is zo nauw en snel dat hij nimmer bevriest’, en natuurlijk, in het eiland boven het uiterste westen van Nieuw-Indië, dat men ook wel Amerika noemde, ‘De oceaan die via negentien mondingen tussen de eilanden dringt maakt vier golfstromen, door welke hij onafgebroken naar het noorden stroomt en daar in het binnenste van de aarde wordt verzwolgen. Precies onder de pool staat een rots met een omtrek van ongeveer drieëndertig Duitse mijlen’. En de rots zelf, zwart en gigantisch.

Het was verbijsterend. Van helderheid en overzichtelijkheid, maar ook van rijkdom aan nieuwe informatie. De wereld van Mercator leek in niets meer op die van de oude Ptolemaeus-kaarten. Het enige dat daarvan nog restte, was, rechts van de uiterste noordpunt van Groenland, het eiland Margaster.

Ortelius wees het hem en Brunel herkende het met verbazing. Ooit, in de eerste Ptolemaeus-edities van de vijftiende eeuw, had het als Margarester noordwestelijk tegen de Noorse kust aan gelegen.71 Met het verschuiven van Groenland naar het

[p. 101]

oosten was het daarbij in de buurt komen te liggen. En tenslotte was het dan nu samen met Groenland weer teruggeplaatst in het westen. Daar lag het, ter hoogte van het klooster van Sint Thomas, bij de ingang van de westelijke zuigende zee, waar men doorheen moest om Grocland te kunnen bereiken.



illustratie
39. Gerard Mercator, Het noordpoolgebied (1569).
Mercator combineert alle tot dan toe bijeengebrachte gegevens: de vier pooleilanden met de vier stromen, de zwarte rots en de aantekening over Pygmeeën; Grocland; Groenland; en de eilandjes Santi en Rustene. Op grond van nieuwe berekeningen is de magneetberg echter, eveneens in de vorm van een zwarte rots, bij de ingang van Straat Anian, tussen Azië en Amerika, geplaatst.


[p. 102]
- ‘Maar om in de Straat van de Drie Gebroeders te komen kan je beter voorbij Kaap Trin op de zuidpunt van Groenland varen en dan langs Estotiland naar het noordwesten.’
- ‘Lukt dat?’
- ‘Wie zal het zeggen? De stormen zijn er heviger dan waar ook en als het niet stormt, is er altijd nog het ijs. Cabot is er nooit door gekomen. Maar Frobisher beweert dat hij op zijn eerste reis een open zee heeft bereikt die zich uitstrekte naar het westen.72 Of dat zo open is als hij vermoedt, zullen we wel horen als hij van zijn tweede reis terug is.’
- ‘Maar in elk geval is het monopolie op die vaart dan toch voor de Engelsen en zullen ze dat zo wel willen houden ook.’
- ‘Dat is waar.’
- ‘En de noordoostelijke doorvaart?’

Ortelius geloofde er niet in. Nog afgezien van de vraag of Burrough er inderdaad in geslaagd was, indertijd, Vaygats te passeren.73

- ‘O ja, dat is zeker. Ik heb het zelf ook gedaan. Gemakkelijk is het niet, maar het kan.’74

Maar dan nog was er dat schiereiland dat tachtig graden naar het noorden doorliep. Onmogelijk om langs te komen. En zelfs als dat, dwars door ijsgang en klippen en zandplaten heen, lukken zou, was de tocht gedoemd te stuiten op de magnetische rots, die door Mercator midden in de noordelijke ingang van Straat Anian was geplaatst. Daar stond hij, precies tussen Azië en Amerika in, de exacte kopie van de zwarte rots op de pool.75

- ‘Maar waarom?’
- ‘Waarom? Daarom. Omdat de afwijkingen van het kompas aanwijzen dat er een afzonderlijke magnetische pool is, die niet samenvalt met de noordpool. Al dertig jaar geleden heeft Mercator dat als eerste ingezien en naderhand heeft hij zelfs kunnen berekenen waar hij ligt.’
- ‘Hoe?’
- ‘Een zeeman, een zekere François uit Dieppe als je het precies wilt weten, vertelde dat op de meridiaan die door de Kaapverdische eilanden loopt de kompasnaald altijd één richting uitwijst. Wat dus betekent dat op die lengte de magnetische pool ligt. Later heeft hij als mogelijk alternatief iets meer naar het noordwesten nog een punt aangewezen, op de meridiaan van de Azoren.76 Zo'n wetenschapsman is hij. Liever alternatieven dan valse zekerheden...’
- ‘En dat alles betekent...’
[p. 103]
- ‘Juist ja, dat alles zou betekenen dat, of je nu de noordwestelijke of de noordoostelijke route neemt, het in beide gevallen vrijwel ondoenlijk is Straat Anian binnen te komen. Het kompas slaat dol. Geen mens kan daar meer navigeren en dat in een streek waar geen kaarten van zijn, geen berichten, niets.’77
- ‘Maar is het ook waar?’

Ortelius grinnikte:

- ‘Wie zal het zeggen? Zelf is hij er in elk geval trots genoeg op. Ik zal u eens wat laten zien.’

Hij trok een la open en haalde er een gravure uit.

- ‘Kijk, dit is het portret dat mijn brave Frans Hogenberg drie jaar terug van hem heeft gemaakt’ (zie afb. 40).78

Brunel keek: daar zat de man die zich vorstelijk mathematicus en hofcosmograaf van de hertog van Kleef mocht noemen en staarde met vreemd lichte ogen in de verte. In zijn rechterhand had hij een passer, waarvan de punt zorgvuldig geplaatst was op de magnetische pool van de globe voor hem. ‘Polus magneticus’, stond erbij geschreven.

- ‘Ziet u niets bijzonders?’
- ‘Wat zou ik moeten zien?’
- ‘Maar kijk dan. De hele zaak staat in spiegelbeeld. Een vergissing? Maar dan wel zo, dat alles waar de meester zijn roem aan te danken heeft erop staat, niet alleen de pooleilanden en Groenland, ook het noordelijke deel van Amerika, en dat in zijn volle breedte, ook Straat Anian, ook de magneetberg. Die goede Frans heeft het allemaal zo weten te schikken dat het op het eerste gezicht niet eens opvalt.’79

Brunel luisterde niet meer. Zijn gedachten gingen terug naar Rusland, naar Lampas en verder oostelijk, Siberië in, tot aan de monding van de Ob' waar de zandbanken en het drijfijs verradelijker en de Samojeden gevaarlijker waren dan waar ook. Heeft Ortelius soms toen met hem gesproken over die andere mogelijkheid, die Von Herberstein indertijd al had genoemd: stroomopwaarts over de Ob' het binnenland in? Zowel Mercator als hij kende immers diens boek?80

 

In de loop van dat jaar 1577 reisde Olivier Brunel in gezelschap van Jan van de Walle terug naar Rusland. Eindelijk had hij Hooftman ervan weten te overtuigen dat een handelsverbinding via Kola, opgezet in samenwerking met de Stroganovs, zo profijtelijk zou zijn dat eventuele bezwaren van de Engelsen erbij in het niet vielen. Trou-

[p. 104]



illustratie
40. Gerard Mercator.
Door Frans Hogenberg (1574). De globe staat, in tegenstelling tot de rest van de afbeelding, in spiegelbeeld en wel zó, dat de pooleilanden, Groenland, Noord-Amerika en de magneet-berg erop staan.


wens, hij mocht zijn rijkdom dan vooral te danken hebben aan de handel op Engeland, de verhouding met de kooplieden daar was sinds jaar en dag zo gespannen dat dit er nog wel bij kon.81 Van de Walle vestigde zich in Kola en korte tijd daarna aan de monding van de Dwina. Weldra begon de handelsverbinding tussen Antwerpen en de Witte Zee op gang te komen. In 1580 stelde Hooftman het Antwerpse stadsbestuur voor een centraal opslag- en verkoopspunt voor gezouten zalm te vestigen. Hij had grote verwachtingen, vooral voor dat produkt.82

In de tussentijd was Frobisher teruggekeerd van zijn tweede reis. En van zijn derde reis. Nog steeds beweerde hij dat de doorvaart naar Straat Anian mogelijk was, maar het goud waarmee hij thuis was gekomen bleek tenslotte, na eindeloze tests, waardeloos te zijn en de ‘Company of Cathay’ werd failliet verklaard. In plaats van verheffing in de adelstand bleven er voor Frobisher slechts beschuldigingen over van wanbeleid

[p. 105]

en bedrog.83 Maar voor de Muscovy Company betekende het een nieuwe kans. Op 30 mei 1580 begonnen Arthur Pet en Charles Jackman met twee schepen aan de zoveelste poging om de noordoostelijke doorvaart te realiseren.84

Al in april van dat jaar had iemand uit Engeland - mogelijk John Dee zelf, die de instructie voor de reis had geschreven - in het diepste geheim Mercator van de plannen op de hoogte gesteld. De informatie was te laat gekomen om de Pet en Jackman nog zijn adviezen te kunnen zenden. Maar wat hij er van dacht, zette hij in juli in een brief aan Hakluyt omstandig uiteen. De route langs de noordkust werd geblokkeerd door de landengte van Tabin en, verderop, door de magneetberg. Langs de rivieren moest men gaan, die waren daar breed en traag, zodat men zelfs met grote schepen gemakkelijk landinwaarts kon komen. Van de monding van de Ob' tot Peking, zetel van de grote khan, kon niet meer zijn dan driehonderd Duitse mijlen.85 Naderhand lichtte hij op zijn beurt in het diepste geheim Ortelius in.86

Al die tijd zwierf Brunel door Rusland, dromend van dezelfde mogelijkheden. Want had hij niet indertijd in Yaks Olgush aan de Ob' al horen spreken over een rivier waarvan de naam leek op die van de Ardock? De Ardock, waarover eeuwen her al was geschreven door Willem van Rubroeck, en waarover ook Jenkinson het had gehad in het verslag van de tocht, die hij dwars door Rusland naar Afghanistan en Perzië had gemaakt om daar de karavaans uit het verre oosten te ontmoeten.87 Dat moest de rivier zijn waarop iedereen doelde, de grote verbindingsroute waarlangs schepen bemand met donkere mensen en vol kostbare waar - zijde en aloë, muskus en rhabarber88 - naar het westen kwamen en die men lang de Ob' en het meer van Kithay zou kunnen bereiken.89.

Het zal hem weinig moeite hebben gekost de Stroganovs, Anikei's zonen Semjon en Jakov en zijn kleinzonen Maksim Jakovlevich en Nikita Grigorevich, te overtuigen van de urgentie de zaak in eigen hand te nemen. Mercator en Ortelius hadden geen idee welke gevaren er dreigden langs de oevers van de Ob' en de Irtysh, die ze zo goed bevaarbaar achtten. In elk geval moest Kuchum, de khan die de daar wonende Tartaarse volken onder zich had verenigd, onschadelijk worden gemaakt. De enigen die daarvoor konden zorgen, waren zij. Had Maksim niet goede relaties opgebouwd met een zekere Yermak, aanvoerder van een legertje kozakken?90 De juiste schepen - niet te groot en vooral niet met te veel diepgang, maar niettemin met het nodige laadvermogen - konden het beste in de nieuwe nederzetting aan de Witte Zee worden gebouwd. De aartsengel Michaël zou ze er te zorgvuldiger om beschermen. De zeelui zou men in Antwerpen moeten zoeken, evenals de goederen die de khan aller Tartaren daar in het verre Peking aantrekkelijk genoeg zou vinden om de handelsrelatie te willen aangaan...

1Zweite 1980, p. 73-84 en 267-269.
2Zie bijvoorbeeld: Mercator 1538 (Nordenskiöld 1889 (1970), kaart nr. 43); Ptolemaeus 1540 (1966), ‘Wereldkaart’; Gemma Frisius 1551 (Nordenskiöld 1889 (1970), kaart nr. 44); vgl. Morison 1978, p. 144-147.
3Janssens-Uyttersprot 1990, p. 90.
4Ortelius 1570 (1964), kaart 1 ‘Typus orbis terrarum’.
5Morison 1978, p. 76-103 en 140-273; Wallis 1984, p. 457-459.
6Ortelius 1570 (1964), kaart 45 ‘Septentrionalium regionum descriptio’.
7Ortelius 1887, nr. 32, p. 73-74; Brandmair 1914, p. 24.
8Denucé 2 1913, p. 284-285; Voet 1962, p. 173-177 en 215-217; Mercator 1569 (1961), ‘Introduction’, p. 11 en p. 18-19.
9Skelton 1962, p. 165-166; Mercator 1569 (1961), blad 8.
10State papers 1862, p. 11, nr. 21.
11State papers 1862, p. 11, nr. 23; cf. Morison 1978, p. 600-602 en 612.
12Wallis 1984, p. 459; State papers 1862, p. 13, nr. 27.
13Morison 1978, p. 277-284; Wallis 1984, p. 460-462.
14State papers 1862, p. 13-14, nr. 27.
15Willan 1968, p. 128.
16Groenveld-Leeuwenberg 1979, p. 98-100.
17Prims 8.1 1942, p. 130-133; Ortelius 1887, nr. 64, p. 145-153.
18Prims 8.1. 1941, p. 134-140; Parker 1981, p. 172-177.
19Ortelius 1887, nr. 67, p. 160 en nr. 68, p. 161.
20Magnus 1558, p. 176 recto-verso.
21Magnus 1558, opdracht Plantijn, p.a 2 verso. Voor het aandeel van Grapheus zie Magnus 1562, titelpagina, en Nauwelaerts 1983, p. 319.
22Thoroddsen 1 1897, p. 124; Knauer 1981, p. 23-24.
23Arngrimus Ionas Islandus, in: Hakluyt 1 1598, p. 557.
24Adam van Bremen 1917, p. 272 (IV. xxxvi); Nordenskiöld 1889 (1970), p. 59, afb. 32; cf. Knauer 1981, p. 35-36.
25Knauer 1981, p. 35; cf. Saxo 1 1979, p. 7-8 en Thoroddsen 1 1897, p. 125.
26Saxo 1 1979, p. 8.
27Magnus 1558, p. 2 verso - 3 recto.
28Nl. Gregorius de Grote (6e eeuw). Zie: Bächtold-Stäubli 4 1931-32, kol. 223.
29Decleringe 1 1983, p. 49, 2 1983, p. 127-128.
30Brandaan 1978, p. 87 en p. 148-151.
31Maurer 1894, p. 258-259.
32Saxo 1 1979, p. 8.
33Zieglerus-Krantzius 1583, p. 480; Münster 1550 (1968), p. 985; Magnus 1558, p. 13 recto-verso.
34Amgrimus Ionas Islandus, in: Hakluyt 1 1598, p. 560.
35Adam van Bremen 1917, p. 272-273 (IV. xxxvi).
36Magnus 1558, p. 12 verso - 13 recto.
37Plinius 2 1969, p. 192-193 (IV. xiii. 95); Solinus 1572, p. 124 (xxii).
38Hennig 3 1953, p. 437-441.
39Hennig 3 1953, p. 451-455.
40Adam van Bremen 1917, p. 274 (IV. xxxvii); Krantzius 1583, p. 331; Hennig 3 1953, p. 448.
41Zieglerus-Krantzius 1583, p. 480; Nordenskiöld 1889 (1970), p. 576, afb. 31; Münster 1550 (1968), p. 987.
42Zieglerus-Krantzius 1583, p. 477-478.
43Zieglerus-Krantzius 1583, p. 479-480; Nordenskiöld 1889 (1970), p. 49, afb. 27.
44Magnus 1555, p. 70-71 (niet in Magnus 1558).
45Magnus 1555, p. 68; cf. ook Magnus 1558, p. 16 verso.
46Magnus 1555, p. 69 (niet in Magnus 1558).
47Magnus 1555, p. 69; vgl. Magnus 1558, p. 15 verso; Hennig 3 1953, p. 318.
48Magnus 1558, p. 40 recto.
49Magnus 1555, p. 69 (niet in Magnus 1558).
50Hennig 3 1953, p. 435-436; Burger 1928, p. 232.
51Zieglerus-Krantzius 1583, p. 479; en Nordenskiöld 1889 (1970), p. 57, afb. 31.
52Magnus 1555, p. 70 (niet in Magnus 1558).
53Hennig 4 1956, p. 247-258.
54Hennig 4 1956, p. 260.
55Skelton 1962, p. 163.
56Durme 1959, nr. 143, p. 159; Taylor 1956, p. 56-68.
57Durme 1959, nr. 114 b, p. 132-135.
58Hakluyt 1 1598, p. 121-122; Vaughan 1982, p. 321.
59Durme 1959, nr. 114 b, p. 135-139.
60Skelton 1962, p. 166-167; French 1984, p. 195-198.
61State papers 1862, p. 20, nr. 37.
62Zeno-Major 1873, p. 3-4 en p. 34-35.
63Zeno-Major 1873, p. 4-34.
64Ramusio 2 1574, p. 206 recto-211 verso (Ramusio 4 1983, p. 79-98).
65Purchas 13 1906, p. 417-437
66Mercator 1569 (1961).
67Van Ortroy 1926, p. 635.
68Jausz l970,p.25.
69Voor Mercators opvattingen hierover, zie: Durme 1959, bijv. brief nr. 7, p. 74-81; Houtte 1963, p. 7.
70Denucé 2 1913, p.5.
71Zie bijv. Nordenskiöld 1889 (1970), plaat nr. 30 ‘Mare congelatum’ (1467) en Ptolemaeus 1482 (1963), ‘Mare congelatum’.
72State papers 1862, p. 13-14, nr. 27.
73Hakluyt 1 1598, p. 433; Tracy 1980, p. 11-13.
74Hakluyt 1 1598, p. 511.
75Mercator 1569 (1961).
76Ortroy 1926, p. 648; Durme 1959, nr. 18, p. 32-34; Smet 1962, p. 8O-83.
77Hakluyt 1 1598, p. 444; Durme 1959, nr. 143, p. 158-159.
78Denucé 1 1912, p. 265.
79Frans Hogenberg, Mercator. In: Mercator 1595 (1963).
80Henning 1906, p. 143 (Mercator); Ortelius 1570 (1964), p. 45 recto.
81Smedt 1 1950, p. 295-297; Brulez 1959, p. 271 en 452-453.
82Kernkamp 1903, p. 262-263; Wassenaer 8 1628, p. 90 verso- 91 recto; Denucé (1938), p. 14.
83Cf. State papers 1862, met name nr. 142, p. 55-60; Wallis 1984, p. 461.
84Hakluyt 1 1598, p. 433.
85Durme 1959, nr. 143, p. 157-159; Hakluyt 1 1598, p. 444-445; Tracy 1980, p. 16-17.
86Ortelius 1887, nr. 99, p. 238-239; Durme 1959, nr. 148b, p. 162-163.
87Purchas 12 1906, p. 13; Willan 1968, p. 56-57.
88Purchas 12 1906, p. 25.
89Henning 1906, p. 18-21; Hakluyt 1 1598, p. 512.
90Fischer 1 1768, p. 186.
terug  begin  verder