Bij noorden om


auteur: Marijke Spies


bron: Marijke Spies, Bij noorden om. Amsterdam University Press, Amsterdam 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 106]

VI De doorvaart bij noorden om

Het was zo'n mooi plan... Soms gebeurt het dat in het verleden de jaren in de war geraakt lijken te zijn en verkeerd om lopen. Toen Olivier Brunel in februari of begin maart 1581 met zijn voorstel bij Mercator arriveerde, had deze er al meer dan een half jaar tevoren - om precies te zijn: op 28 juli 1580 - het volgende over naar Engeland geschreven:

‘De oostelijke vaart naar Cathay is ongetwijfeld zeer gemakkelijk en kort en ik heb me er vaak over verbaasd dat men, na zo'n voorspoedig begin toen meer dan de helft van de route al ontdekt was, het opgegeven heeft en via het westen is gaan zoeken. Want voorbij Vaygats en Nova Zembla ligt een uitgestrekte baai, die weliswaar in het oosten afgesloten wordt door het schiereiland Tabin, maar waarin grote rivieren uitmonden die door heel Rusland stromen. Naar mijn oordeel zijn ze ver landinwaarts voor grote schepen te bevaren, een gemakkelijke manier om aanzienlijke hoeveelheden handelswaar te vervoeren vanuit Cathay. Van de monding van de Ob' tot het rijk van de grote khan kan niet meer zijn dan driehonderd Duitse mijlen.’1

Toen reeds was dezelfde route al lang en breed opgenomen in de instructie die John Dee had opgesteld voor de reis van Pet en Jackman naar Cathay. Hoe verleidelijk om aan te nemen dat de koopman Johan Balakus uit Arensberg op het Oostzee-eiland Ösel in de war was geraakt met de westerse tijdrekening en zich een jaar had vergist. Mercator zou ruim op tijd John Dee op de hoogte hebben kunnen stellen van Brunels ideeën, zodat Dee ze vervolgens verwerkt had kunnen hebben in de instructie...

Onzin natuurlijk. De instructie zelf wees op Ortelius' kaart van 1570, waarop zich ook al een schiereiland uitstrekte tot ver boven de tachtig graden noorderbreedte. En iedereen kende het reeds in 1549 door Von Herberstein gepubliceerde relaas over de zwarte mensen van Cathay, die rivieren waren komen afzakken of opvaren die via de Ob' gemakkelijk bereikbaar moesten zijn. En dan: drukte Mercator zelf niet juist zijn spijt uit dat hij te laat van de plannen had gehoord om nog advies te kunnen geven? Hoewel, te laat... Toen hij in december 1580 aan Ortelius schreef, liet hij zich ontvallen dat hij al in april van dat jaar had geweten wat er te gebeuren stond.2

Maar of de een het nu had van de ander of omgekeerd, of dat zij allen - John Dee, Gerard Mercator, Olivier Brunel - het ieder voor zich op eigen kracht hadden bedacht:

[p. 107]

ook van deze poging kwam niets terecht. Het jaar des Heren 1581 werd in alle opzichten een miezerige aangelegenheid. En 1582 werd al niet beter.

 

Toen Olivier Brunel, in opdracht van de Stroganovs en gesteund door de instemming van Mercator, in Antwerpen terugkeerde, bleek daar alles veranderd. Gillis Hooftman was in januari gestorven. Tegen de zestig was hij geweest. Men zei dat hij tien ton goud had nagelaten en in elk geval had hij niet minder dan vijftigduizend ducaten aan de stad gelegateerd ter onderstand van de armen, gelijkelijk te verdelen over roomsen en reformatorisch gezinden.3 Het sierde de man en het betekende een krachtige ondersteuning van de religie-vrede, die de prins van Oranje twee jaar tevoren opnieuw had afgekondigd en die de handel geen windeieren had gelegd. Maar echt helpen deed het niet.

Steeds meer katholieken verlieten de stad, terwijl de stroom van calvinistische vluchtelingen aanzwol naarmate Alexander Farnese, hertog van Parma, langzaam maar zeker de ene stad na de andere voor de Spaanse koning begon terug te winnen: Kortrijk, Breda, onlangs nog Doornik. Verpauperd hokten ze bij geloofsgenoten of zwierven ze door de straten. De stad leek haar adem in te houden. Het gonsde van de geruchten: de katholieke eredienst zou geheel worden verboden, de hertog van Parma zou op het punt staan zijn beslissende veldtocht te beginnen, de Italiaanse en Duitse kooplieden zouden overwegen naar Keulen uit te wijken en de Engelse naar Middelburg. En toen, op 26 juli 1581, zeiden de Staten Generaal van de noordelijke gewesten, waarbij zich ook Antwerpen aangesloten had, de touw aan hun vorst Philips II op.4

- ‘Dat wordt oorlog.’
- ‘Het is oorlog.’
- ‘Zo je wilt.’
- ‘Maar de handel moet doorgaan.’
- ‘Uiteraard, het is alleen de vraag waar.’

De handel ging door. In het noorden verplaatste Jan van de Walle zijn kantoor van Kola naar de zogenoemde Podesjemsco-monding van de Dwina, een van de vier uitgangen van deze rivier naar de Witte Zee, oostelijk van Sint Niklaas. Hij bouwde er een huis en pakhuizen.5

Maar wie zijn financiers ook waren - de erven Hooftman, of hij zelf, of anderen: Gillis van Luffelt wellicht, of de firma Simon van Salingen, die nog steeds, vanaf de jaren zestig, op Kola en de Witte Zee handelde,6 of Balthasar de Moucheron - van verder reikende plannen kon geen sprake zijn zolang zijn positie daar niet sterker was en het onduidelijk bleef hoe welwillend Iwan IV stond tegenover deze aantasting van het Engelse monopolie.

[p. 108]
- ‘En dan nog. Voordat Jackman terug is, zal niemand bereid zijn een stuiver te investeren in dit soort ondernemingen. Ook ik niet, hoezeer het me ook aantrekt.’

Het was wel een verschil, Gillis Hooftman of Balthasar de Moucheron. Amper dertig jaar oud had hij de leiding over een van de snelst groeiende handelshuizen van de stad, al liet hij de meeste van zijn ondernemingen via Vlissingen lopen, waar de opstand al zo lang vaste grond onder de voet had. Hij was een overtuigd calvinist, die niet alleen droomde van nieuwe werelden vanwege de winsten, maar vooral opdat Gods woord over de aarde verkondigd zou worden:

- ‘Want, Brunel, dat is het enige waar het uiteindelijk om gaat, dat Gods eer wordt verbreid en dat Christus wordt gekend door degenen die nu nog de duivel aanbidden.7
- ‘Zoals de Lappen of Samojeden en de Tartaren.’

De Moucheron bulderde:

- ‘Ja, ja, gelijk heb je, en eens zullen we gaan, dat beloof ik. Maar heidenen zijn er wel meer, tot hier in Antwerpen toe. Wat dacht je van onze Ortelius, die zo ijverig de fantasieën van die zot van een Postel in zijn Theatrum heeft opgenomen?’
- ‘Toch niet dat in het noorden het paradijs ligt.’
- ‘Dat komt nog wel. Ze schijnen nog steeds met elkaar te corresponderen en men zegt dat Postel nu ook zelf een kaart van het poolgebied uit heeft gegeven, waar het allemaal op staat: het heilige land Sveta Zemlia en de berg Stolp, die de zuil van de wereld zou zijn.8 Al z'n leven, dat hij die gelijk stelt met de berg Sion van de psalmist, “een vreugde der gehele aarde is de berg Sion, aan de zijde van het noorden, de stad des groten konings”.9 Ha, ha, je mag wel oppassen dat je daar bij Vaygats niet tegen je wil de hemel in wordt gezogen.’
- ‘Of de hel.’
- ‘Wat je zegt. Maar voorlopig zullen we maar tevreden zijn met Groenland, waar de monniken hun gebeden voor de Skraelings zingen zoals Johannes voor de sprinkhanen in de woestijn.’

Er zat niets anders op, wanneer hij niet jaar in jaar uit tussen Kola en Vlissingen of een of andere Hollandse haven heen en weer wilde blijven varen.

Inmiddels had in het oosten de kozakkenleider Yermak Timofeyevich, na twee jaar tevoren met een legertje van zo'n achthonderd man de Oeral overgetrokken te zijn, in 1581 de Tartaarse stad Sibir aan de Irtysh veroverd. Het bericht daarvan, en vooral de zending van vierentwintighonderd stuks sabel, achthonderd zwarte vossevellen en tweeduizend beverhuiden die het vergezelde, hadden in Moskou de nodige opwinding

[p. 109]

veroorzaakt. De tsaar had al versterkingen gestuurd om de veroverde posities te consolideren.10

Maar waar het geld was, ging de vaart. En een van de weinigen die nog een ontdekkingsreis kon financieren, was nu eenmaal Balthasar de Moucheron. En zo gebeurde het dat in maart 1583 Olivier Brunel en Arent Meyer uit Bergen in Noorwegen met de koning van Denemarken overeenkwamen, dat zij op eigen - dat wilde zeggen: Moucherons - kosten zouden trachten het verloren Groenland terug te vinden. De beloning zou bestaan uit vergoeding van de gedane investeringen, het monopolie van de vaart daarheen en, indien zij zich daartoe zouden vestigen in Bergen, zes jaar vrijdom van belastingen.

Korte tijd daarna moet Brunel als Nederlandse standplaats Antwerpen verruild hebben voor Enkhuizen.11 De toestand in het zuiden begon langzamerhand onhoudbaar te worden, al wilde De Moucheron nog van geen vertrek uit de Scheldestad weten.12 Vanuit Enkhuizen ook zal hij vertrokken zijn, eerst naar Bergen en toen langs de Faroer-eilanden lichting Frisland en IJsland, om vandaar Groenland te bezeilen. Ter vestiging van de handel en ter verbreiding van het enige ware christelijke geloof.

 

Misschien was de meest directe reden van het Groenlandplan wel, dat De Moucheron, of Brunel zelf, een van de eeuwenoude beschrijvingen van het land, inclusief de nodige zeilaanwijzingen, in handen had gekregen, die in het begin van de eeuw verzameld waren door de aartsbisschop van Trondhjem, Erik Walkendorf. Vrije vaart en tien jaar belastingvrijdom had die gevraagd van Christiaan II, slechts weinig meer dan Brunel nu van diens achterneef Frederik spontaan aangeboden had gekregen. Maar Walkendorf was erom in ongenade gevallen. Evenals enige decennia na hem Olaus Magnus, was hij naar Rome vertrokken, waarbij hij ook Amsterdam had aangedaan. Er gingen zelfs geruchten dat hij daar, in het klooster van de karthuizers even buiten de stad, gestorven was. Sindsdien circuleerden er afschriften en vertalingen, in het Deens en het Latijn, in het Duits ook.13

Het belangrijkste van deze stukken was in de tweede helft van de veertiende eeuw geschreven door Ivar Bardsen, zelf een Groenlander en rentmeester van de landerijen van de bisschop van Gardar aan de zogenaamde ‘oostelijke bocht’.14 Bardsen gaf een heel ander beeld van Groenland dan in de gangbare literatuur te lezen viel. Geen uitgemergelde en ondervoede nakomelingen van de Noormannen, die leefden in hutten van walvisribben, twijgen en mos en die de grootste moeite hadden zich te verweren tegen de rooftochten van Lappen en Skraelings,15 maar, in elk geval daar in Osterbygd, een redelijk welvarende gemeenschap.

Hij sprak van grote vlakten die bedekt waren met groen gras, waar je ook ging. Er zou daar een fjord zijn, afgesloten door zandbanken, waar bij hoog water duizenden walvissen in terecht kwamen die er vervolgens wanneer het tij keerde niet meer uit konden. Meer naar het oosten, de kant op van de gletsjers, stonden de grote kruisen uit de tijd van de heilige Olaus, opgericht op de plek waar diens verdronken metgezel-

[p. 110]

len begraven lagen. Daar waren ook de woongebieden van de gevreesde witte beer. Maar ter hoogte van de graslanden waren ettelijke nederzettingen. Kloosters, gewijd aan de heilige Olaus en de heilige Augustinus. En een nonnenklooster van de Benedictijnen, dat aan een fjord lag vol kleine eilandjes met warmwaterbronnen, die 's winters gloeiend heet waren en 's zomers lauw en die gebruikt werden voor geneeskrachtige baden. Van een klooster van de predikheren of een kerk van de heilige Thomas, zoals bij Mercator, sprak hij niet. Wel van een kerk van het Heilige Kruis en van Sint Nicolaas en zelfs van een kathedraal. En al die kloosters en kerken bezaten visrijke fjorden en vruchtbare graslanden en wouden vol rendieren. Zelfs was er tegenover het vaste land een eiland met acht grote boomgaarden. Tegen de berghellingen daar groeiden fruitbomen, die een soort appels gaven die heerlijk waren van smaak, en in de vlakten verbouwde men graan van de allerbeste kwaliteit. Als nederzettingen noemde hij behalve Gardar ook Ketilsfjord en Vatsdal, Dalr, Hvalsöe, Thjodhildestad, Dyrnaes, Loide en Brattelid.16

Van niets van dat alles was een spoor te vinden op de kaarten van Mercator en Ortelius of van wie dan ook. Maar de gegevens waren zo gedetailleerd - wat van een rentmeester ook niet anders te verwachten was -, dat er aan hun betrouwbaarheid niet hoefde te worden getwijfeld. Trouwens, de gebroeders Zeno mochten dan andere namen gegeven hebben, de belangrijkste informatie klopte: vruchtbare gronden, warmwaterbronnen en een relatief zacht klimaat, zeker in het zuidoosten. De wetenschappelijke verklaring had Ziegler indertijd al gegeven toen hij uit had gelegd, dat waar de zee het veelvuldigst het land binnendrong het het warmst en vruchtbaarst moest zijn.17

Ook de westzijde was volgens Bardsen ooit zo welvarend geweest, compleet met met kathedraal en bisschopszetel. Maar daar hadden de Pygmeeën of Skraelings, zoals ook hij ze noemde, huis gehouden en was niemand meer in leven. Bardsen zelf had nog deelgenomen aan een hulpexpeditie, die er heen gezonden was door de bisschop van Gardar. Maar ze hadden niemand aangetroffen, geen christenen en geen heidenen, alleen wat vee dat verloren rondliep in het wild, paarden, ossen en schapen. Ze hadden er zoveel mogelijk van in hun schepen geladen en zo waren ze teruggekeerd naar Osterbygd, twaalf zeemijlen verderop, waar ze van dat volkje blijkbaar nog geen last hadden.

Dat alles had Ivar Bardsen, de rentmeester van Gardar, geschreven en hij had eraan toegevoegd, dat de ijsberen daar op Groenland een rode vlek op hun voorhoofd droegen en dat er een overvloed was aan zilver, ivoor en huiden van walrussen, en aan marmer en tufsteen.18 Anderen spraken van goud- en zilverbergen en, behalve van walrushuiden, van sabel, marter en hermelijn.19 Allemaal zaken die het hart van een koopman sneller deden kloppen. Natuurlijk was het klimaat sindsdien aanzienlijk verslechterd.20 Maar het kon toch niet zo zijn dat alles wat Bardsen en de Zeno's hadden beschreven nu geheel verdwenen was? In elk geval was er reden genoeg om te trachten de verbinding te herstellen, te meer daar er op de markten van Europa nog altijd verhalen gingen over het ivoor en de walrushuiden van Groenland en er soms

[p. 111]

zelfs partijen opdoken die, god wist hoe, nergens anders dan daar vandaan schenen te komen.21 Dat men zo tevens over een geschikt tussenstation zou beschikken voor een eventuele noordwestelijke doorvaart naar Cathay was hoogstens een bijkomend argument. Hoewel, door de mislukking van Frobisher lag ook dat monopolie weer open...22

 

Het zal op een heldere, koude ochtend zijn geweest dat Arent Meyer en Olivier Brunel met nog zes anderen23 de rode huisjes en de groene hellingen van de Noorse kust achter zich lieten en zeil zetten richting IJsland. Men kan zich voorstellen hoe de reis zal zijn verlopen. Tot IJsland zal het we meegevallen zijn. Hooguit dat iemand, 's nachts bij straffe wind en volle maan, had gemeend hoog op een golf Holler voorbij te zien vliegen op zijn visbeen, en dat eenmaal onder de IJslandse kust de mannen de lucht af hadden gezocht naar rook en kraaien. Terwijl hoog boven de wolken de witte ijsvlakte van de Vatnajokel verscheen, voeren ze langs de kust. Ze passeerden West-manna en Reykjanes, dat volgens Ortelius Hekelfort heette.

- ‘Hekelfeld, zal je bedoelen, waar de duivel de ziel van de bisschop van Bremen naartoe voert.’

Totdat ze Snaefjelsnes aan de westkust bereikten, vanwaar de oversteek naar Groenland het kortste zou zijn.

De zeilaanwijzingen waren duidelijk genoeg. Van Snaefjelsnes moest men een dag en een nacht naar het westen varen. Dan kwam men bij de Gunnbjorn-rotsen. Vroeger was dat de normale route geweest, maar sindsdien was het klimaat zoveel kouder geworden dat het ijs uit het noorden zich rond de rotsen had uitgebreid tot in de verre omtrek, zodat men tegenwoordig gedwongen was een zuidelijke omweg te maken. Daar eenmaal voorbij was het nog een dag en een nacht in noordwestelijke richting, totdat men de Hvarf, een berg of heuvel op de kust van Groenland, bereikte. Een dag zeilen voorbij de Hvarf lag de Witsarc, en tussen beide in was een landengte, Herjulfnaes, met vlak daarbij een goede haven, Sandhavn.24

Wel waren er enkele onzekerheden. Olaus Magnus bijvoorbeeld had de Witsarc gelijkgesteld met de Gunnbjorn-rotsen, en zo was hij ook terecht gekomen op de kaarten van Mercator en Ortelius, precies in het midden tussen IJsland en Groenland.25 Terwijl op de kaart van Johannes Ruysch stond dat het rotseiland op die plek in 1456 geheel was verbrand, wat duidde op een vulkaanuitbarsting, zoals er in die buurt wel vaker voorkwamen.26 In elk geval was er een punt waarvanaf je zowel de Snaefjelsjokel op IJsland als de bergen op Groenland kon zien, daarover was vrijwel iedereen het eens.27 Maar ook was het algemeen bekend dat er vanuit de noordelijke diepten - de Trolle-bodem, zoals ze in Noorwegen zeiden - zoveel ijs kwam afzakken, dat bovendien zoveel mist en nevel met zich meebracht, dat het tussen IJsland en Groenland één grote woestenij was van ijsbergen en grauwe duisternis.

[p. 112]

Erg bevreemd zullen ze dus niet geweest zijn, dat ze de Gunnbjorn-rotsen, of althans de samengepakte ijsmassa's die op de nabijheid daarvan duidden, niet vonden. Eerder bang. Bang in de langzaam stollende massa die men de zeelong of de leverzee noemde, terecht te komen, of, wat nog erger was, in de zuigende zee. Misschien zijn ze nog wel, blind ronddrijvend in een verstikkende mist, aan land gestoten en hebben ze, zoals in de zeilaanwijzingen met klem aangeraden werd, twee man en niet meer erop uit gestuurd om de zaak te verkennen.28 Die dan onverrichterzake zijn teruggekeerd. Misschien ook hebben ze nooit geweten hoe dichtbij of veraf hun doel nog was.

Is toen Brunels verhouding met de bemanning van zijn schip al zodanig verstoord geraakt, dat zij - Jochem en Andries Meker, Jacob Timmerman, Pouwels Geerkens en Otto Meyeck, allen Duitsers, en Dirck Claeszoon, de Noor - hem naderhand, in de herfst van dat jaar, met schip en goed in de steek gelaten hebben? Dat was op de terugweg naar Enkhuizen, al voorbij Texel nota bene, ter hoogte van Wieringen. Omdat het schip, zoals ze beweerden, vanwege de ijsgang gevaar liep te vergaan. Alsof ze daar in het noorden geen honderdmaal erger ijsgang meegemaakt hadden, de schurken. Maar hij zou ze.

Die winter, met Suzanna in Enkhuizen, spuide Brunel zijn gram tegen iedereen die het horen wilde, schippers en kooplieden, in de herberg, op straat. Totdat ze hem met z'n zessen een proces aandeden wegens aantasting van hun goede naam en faam, en schadeloosstelling eisten, zodat hij, die het vertrouwen had genoten van de grootste ondernemers en kooplieden ter wereld, in dat Hollandse gat nog borgen moest zien te vinden ook.29

Maar aan het eind van die winter kwam er een bericht dat alles veranderde. Het was afkomstig van Anthony Marsh van de Muscovy Company. Hij zou een brief uit Rusland hebben ontvangen waarin meegedeeld werd, dat er een Engels schip was vergaan bij de monding van de Ob' en dat de bemanning door de Samojeden daar vermoord was.30

Dus toch. Het kon ook niet anders: ook Jackman moest er in geslaagd zijn de nauwe doorgang bij Vaygats te passeren. Dat hij er vervolgens het leven bij had gelaten was treurig voor hem, maar hoorde nu eenmaal tot de risico's van het koopmanschap. Wedden, dat hij geen woord Russisch, of Tartaars, laat staan Samojeeds had gesproken? Het zou hem, Brunel, niet gebeuren. Inmiddels was ook het nieuws van de val van Sibir doorgedrongen, en van de fabelachtige hoeveelheden huiden die Yermak naar de tsaar had gezonden. Waarbij kwam dat de tsaar zelf zes mijl stroomopwaarts aan de Dwina, bij het Sint Michaël-klooster, een nederzetting had gesticht, Nieuw Kholmogory, met de bedoeling de handel met het westen langs die weg voort te zetten nu hij de Oostzeehavens Narwa en Nowgorod was verloren aan de Zweden.

Ook De Moucheron, die tot dan toe vooral via Narwa had gehandeld, was nu eindelijk bereid zijn aandacht te richten op de Witte Zee. En verder. Men zei zelfs, dat hij de prins van Oranje had benaderd over de mogelijkheid van een onderzoek naar de noordelijke doorvaart en dat die zeer geïnteresseerd was geweest, al had hij, vanwege de situatie waarin het vaderland verkeerde, geen mogelijkheid gezien voor de overheid

[p. 113]

om in een dergelijke onderneming te participeren.31 Maar wel waren er particulieren die een kans wilden wagen.

Een schip vol koopmanschappen. Arent Meyer zat er in met een goed deel van zijn geld en voor de rest een combinatie van Antwerpse kooplieden, met aan het hoofd De Moucheron. Zo vertrok Brunel op een dag ergens in de lente van het jaar 1584 uit de haven van Enkhuizen. Hij deed Kola aan natuurlijk en Nieuw Kholmogory, dat men steeds vaker Archangel begon te noemen en waar men bezig was een slot te bouwen, maar ook twee herbergen en huizen, pakhuizen, een waag en een kantoor voor de tolheffing.32

Het was er een en al bedrijvigheid. Het heldere geluid van hamerslagen weerklonk in de lucht, schepen deinden in de haven, sleperskarren en sleeën gingen af en aan. Alles wees erop dat hier in plaats van in Sint Niklaas de toekomst lag van de Russische handel, al waren de mensen bezorgd omdat de tsaar, Iwan de Ontzagwekkende, op 18 maart was gestorven en niemand wist welke politiek zijn zoon en opvolger Feodor Iwanovich zou gaan voeren, bijvoorbeeld tegenover de Engelsen.33 Of tegenover de Denen, die tot bij Podesjemsco met oorlogsschepen de tolbetaling aan hun koning probeerden af te dwingen.34 Misschien heeft Brunel daar, zo dicht bij het oude Kholmogory waar hij twintig jaar tevoren door de Russen gevangen was genomen, de winter doorgebracht in een van de nieuwe herbergen van de tsaar. Maar hij kan ook aan de Podesjemsco-monding hebben overwinterd, waar zijn oude vriend Jan van de Walle nog zijn kantoor en pakhuizen had.35

In elk geval heeft hij zowel in 1584 als in 1585 een poging gedaan langs Vaygats te komen. Dat moet aan de noordkant van het eiland zijn geweest, langs de kust van Nova Zembla, waar de zeeëngte het smalste is. Daar, op de zuidpunt van het ‘heilige eiland’, heeft hij een haven gevonden die de Russen Costins Serch noemden, maar geen doorgang en evenmin mensen om handel mee te drijven (zie afb. 41).36 Van de berg Sveta Gemla, die tot de hemel zou reiken en waarvan de top immer glom in het zonlicht, was al helemaal niets te bespeuren, al was het weer helder en kon je de ijsschotsen zien drijven tot aan de horizon.37 Het land was laag en modderig. En leeg, behoudens de eeuwig krijsende vogels en, telkens weer, de ijsberen die tussen de ijsschotsen opdoken als je er het minst op verdacht was. Weinig kon hij vermoeden dat al in augustus 1584 Yermak Timofeyevich, aangevallen door de verzamelde Tartaarse horden onder aanvoering van khan Kuchum, was verdronken in de Irtysh. Twee jaar lang had hij met zijn kozakken brandschattend en plunderend huisgehouden in hun gebied. Toen was aan alle kanten het verzet losgebroken. Met een handjevol mannen had hij zich nog terug weten te vechten naar de rivier. Maar daar was hij, zwemmend naar de boten, door de zwaarte van zijn maliënkolder - de maliënkolder die de tsaar hem had geschonken voor alle in diens naam veroverde rijkdommen - de diepte in getrokken.38

[p. 114]


illustratie
41. Lucas Jansz. Waghenaer, De Noordelijke IJzee tussen Lapland en Nova Zembla (1592).
De verschillende plaatsen waar Olivier Brunel geweest moet zijn: Nieuw Kholmogory, Costins Serch op Nova Zembla, en de rivieren de Pechora en de Pitsane, staan hierop aangegeven.


Maar Olivier Brunel was vóór alles koopman en toen er ook het tweede jaar geen doorkomen aan bleek, heeft hij al snel besloten naar de monding van de Pitsane of de Pechora aan de Russische noordkust te gaan. Hij moet zijn redenen hebben gehad niet naar het westelijker gelegen Lampas te reizen, waar Russen, Tartaren en Samojeden tweemaal per jaar bijeen kwamen om hun goederen te ruilen, en evenmin naar de rivier de Colcolcova, die tussen de Pechora en Lampas in stroomt en waar de handelaars uit Sint Niklaas en Kholmogory hun huiden en bergkristal haalden. Misschien wilde hij de concurrerende Russen, Engelsen en Denen te slim af zijn door oostelijker, waar geen mens kwam en dus voordeliger, zijn handel te drijven. Inderdaad heeft hij contact weten te leggen met de Samojeden daar, die op hun sleëen voorzichtig tot bij de oever kwamen, elk ogenblik gereed om weg te stuiven. Met keelklanken en gebaren won hij hun vertrouwen, tot hij tenslotte, hurkend op de modderige grond en kauwend op een reep ranzig rendierspek, met hun hoofdman tot afspraken kwam over de aantallen huiden en pelterijen die ze neer zouden leggen, ergens verder stroomopwaarts.

Hij heeft zijn handelswaar overgeladen in de scheepsboot en is met een paar man roeiend die kant op gegaan. En zo is hij dan in het midden van de traag stromende rivier in een kolk terecht gekomen en schurend langs een zandbank omgeslagen en verdronken.39

[p. 115]


illustratie
42. Lucas Jansz. Waghenaer, De noordkust van Rusland (1592).
De verschillende handelsplaatsen aan de Podesjemsco-monding van de Dwina zijn hierop aangegeven: Sint Niklaas, waar De Moucheron zich vestigt; het eiland van de Engelsen; en Nieuw Kholmogory, waar Van de Walle naartoe verhuist.


Op 17 augustus van datzelfde jaar 1585 tekenden de afgevaardigden van het belegerde Antwerpen, onder wie Balthasar de Moucheron, de overgave van de stad aan de hertog van Parma. Daarmee was de scheiding van de zuidelijke - Spaanse, katholieke - en de noordelijke - protestantse - Nederlanden een feit geworden. Alles wat reformatorisch gezind was, inmiddels meer dan de helft van de bevolking, verliet de stad.40 De Moucheron vestigde zich in Middelburg, waar zijn vader indertijd jaren lang had gewoond en waar hij nog steeds veel contacten had.41 Daarvanuit was het, dat hij drie jaar later het kantoor van zijn Russische handel definitief verplaatste naar de Witte Zee.

Feodor, de nieuwe tsaar aller Russen, had besloten afwijzend te beschikken op de Engelse verzoeken tot hernieuwing van hun monopolie. De invloed van Van de Walle, die al in '86 zijn factorij verplaatste van de Podesjemsco-monding naar Archangel, deed zich gelden (zie afb. 42).42 Zelf verbleef hij meestal in Moskou, steeds duidelijker

[p. 116]

optredend alsof hij de vertegenwoordiger was van alle Nederlandse kooplieden, algemeen geacht en, vooral, geliefd bij de tsaar, in wiens behoefte aan westerse luxeartikelen hij altijd weer wist te voorzien. Tevergeefs protesteerde de Engelse koningin Elisabeth tegen zijn aanwezigheid. En toen Engelse schepen tenslotte zelfs trachtten de toegang tot de Dwina te blokkeren, schreef Feodor haar nijdig dat hij niet van plan was omwille van zes, hooguit tien Engelse koopvaarders 's jaars vijftig of zelfs honderd andere te weren.43

Maar wie zich ook voegde onder Van de Walle's patronaat, niet De Moucheron. Zijn eerste schip naar de Witte Zee zond hij in 1588 onder leiding van zijn jongere broer Melchior in plaats van naar Archangel toch weer naar Sint Niklaas.44 De geschiedenis herhaalde zich: terwijl Melchior zijn handelspost uitbouwde, werd zijn neef en employé François de la Dale door de Russen gearresteerd. Alleen waren het ditmaal niet de Engelsen die er achter zaten, als indertijd bij Brunel, maar zijn eigen landgenoot Van de Walle.45

Hoe snel verandert de fortuin! Terwijl De la Dale, gevangen gehouden in Moskou, Russisch leerde, ging het met Van de Walle's zaken bergafwaarts. Kwam het doordat de handel op Antwerpen stil was komen te liggen en zijn contacten waren verdwenen? Hooftmans zonen waren naar Bremen gevlucht,46 anderen naar Engeland of naar de Nederlanden. Weldra begon het feit dat hij niet meer terug kon vallen op een gevestigde firma zich te wreken. Al in '89 waren er geruchten over een faillissement en in '91 was er geen twijfel meer mogelijk: Van de Walle - Beloborod, de eerbiedwaardige grijsaard met de witte baard, zoals de Russen hem noemden47 - had afgedaan. Zelfs de Engelsen zagen weer nieuwe kansen.48 Niet lang daarna keerde De la Dale terug naar Nederland.

- ‘François! De Heer zij geloofd. De missive van de Heren Staten heeft dus geholpen.’49

Op het moment, ergens in de loop van het jaar 1592, dat François de la Dale De Moucherons huis in de Lange Noordstraat in Middelburg binnenstapte, was de beslissing over de Nederlandse noordvaart in feite gevallen.50 Die avond zaten zij beiden lange tijd in de hoge voorkamer aan tafel. Weer werden er kaarten uitgerold, de atlas van Ortelius opengeslagen. Behalve Russisch had De la Dale nog wel meer kennis opgedaan daar in Moskou, over Vaygats bijvoorbeeld, en over de noordkust van Rusland en van Tartarije tot voorbij de rivier de Ob'.51

Ongeveer in diezelfde tijd keerde, na dertien jaar Portugese dienst in Indië en de Azoren, Jan Huyghen van Linschoten terug in Enkhuizen. Daar hoorde hij van de

[p. 117]

kaartenmaker Lucas Jansz. Waghenaer over Brunel.52 Er werden contacten gelegd. Moucheron sprak met de thesaurier van Zeeland, Jacob Valcke, Valcke schreef aan zijn ambtgenoot François Maelson, de stadssecretaris van Enkhuizen, Maelson benaderde Linschoten. De admiraliteiten van Zeeland en West-Friesland, de landsadvocaat en feitelijk leider van de Unie, Johan van Oldenbarnevelt, en ook, in het voetspoor van zijn vermoorde vader, prins Maurits in zijn functie van admiraal-generaal, toonden zich geïnteresseerd. Op 28 december 1593 vond er in Den Haag een eerste vergadering plaats.53

- ‘Benadrukt u vooral dat de tocht onder langs Vaygats moet gaan en vervolgens voorbij de Ob' altijd maar langs de kust van Tartarije.’
- ‘Dat weet je zeker, François?’
- ‘Alle berichten die ik in Moskou heb gehoord, wijzen daar op.’
- ‘En dus niet over de Ob' landinwaarts?’
- ‘Nee, nee.’

De la Dale was pertinent. Want dat was het nieuwe ten opzichte van de voorgaande pogingen van Pet en Jackman, en van Brunel: het voornemen, voorbij kaap Tabin langs de noordkust te varen tot aan China en Cathay. Het was het oorspronkelijke idee van Sebastian Cabot, zoals dat indertijd ten grondslag had gelegen aan de instructie van Willoughby, Burrough en Chancellor, dat nu tegen alle recente opvattingen in weer door hem werd verdedigd.54

 

Al die tijd bleven in het opnieuw streng katholieke Antwerpen de ideeën voortleven die indertijd in de kring rond Plantijn zo'n hoge vlucht hadden genomen. De mannen van toen waren dood of oud. Goropius Becanus, al in 1570 vertrokken naar elders, was in '72 gestorven, Postel in '81. Arias Montanus, die in '75 door zijn koning teruggeroepen was, leefde alweer jaren in Spanje, al schreef hij nog steeds met Plantijn, en sinds 1585 zelfs in toenemende mate, over de mystieke profetieën van Hiël over de Apocalyps en de visioenen van Ezechiël.55

Vooral op de kaarten en atlassen, die nog steeds in grote hoeveelheden in de stad werden geproduceerd, vond men de sporen van hun wetenschap. Zo citeerde Ortelius de opvattingen van Becanus over de noordelijke volken, die alle Kelten of Cimbren waren en Duits spraken, zodat men ook de naam van Europa zelf vanuit het Duits of Diets begrijpen moest als ‘E’: ‘wettig huwelijk’, plus ‘Ur’: ‘uitstekend’, plus ‘Hop’: ‘hoop’, omdat immers de Europese kerk en niet de Arabische de bruid van Christus was.56

Maar het meest bewonderde Ortelius toch Postel, die tot twee jaar voor zijn dood nog met hem had gecorrespondeerd over de gegevens die hij van hem had overgenomen op zijn kaart van Tartaria.57 Postel had Ortelius' Theatrum het belangrijkste werk sinds de bijbel genoemd. Hij had uitgelegd dat in hun beider namen de Hebreeuwse

[p. 118]

vorm van het woord ‘ochtenddauw’ verborgen lag, het teken van de levende Christus. En weer had hij geschreven over de tien stammen van Israël en over zijn eigen poolkaart, die juist was uitgekomen en waarop alles te zien was (zie afb. 43).58

En inderdaad, daar op de kaart in polaire projectie zoals hij die had ontleend aan Mercator, stond het allemaal: de allerheiligste Hyperboreërs, het land Sueta Zemlia en de berg Stolp, de kolom van de wereld. De Hyperboreïsche bergen waren vanuit het noorden van Rusland, waar ze traditioneel gesitueerd werden, omhoog geschoven naar de pooleilanden.59 Immers, was het woord Hyperboreas zelf niet samengesteld uit ‘Eber’, dat in de taal van Adam ‘vleugel’ betekende, en ‘Reah’: ‘long’, zodat duidelijk was dat daar de hooste berg, waar de meeste wind vandaan kwam, moest zijn?60 Ze moesten dus wel

illustratie

43. Guillaume Postel, Wereldkaart in polaire projectie (1578).
Ondanks de slechte kwaliteit van de afbeelding, is goed te zien dat Postel Mercators polaire projectie overneemt. Hij situeert op de noordpool de berg Stolp, de ‘kolom van de wereld’, waar het paradijs zou zijn.


[p. 119]

noordelijker liggen dan vroeger werd aangenomen. De berichten over reizen van de gelukkige poolbewoners naar het Griekse Delos vormden geen tegenargument, daar de zee tussen hun gebied en het noorden van Europa en Azië 's winters bevroor en ze dus gemakkelijk daarnaartoe konden oversteken om hun geschenken aan Apollo te brengen.

Van het paradijs werd op de kaart weliswaar niet gesproken, maar wel van heilige mensen en heilig land, van de Stolp - de berg waarvan Postel de naam bij Von Herberstein had gevonden61 - en, vooral, van de pool als de gelukkigste plek op aarde, waar de tien verloren stammen van Israël indertijd, toen ze uit het noordoosten van Scythië waren verdreven, heen hadden trachten te gaan en waar men zou kunnen komen via de Hyperboreïsche velden.62 Want, zo had hij nog aan Ortelius geschreven, daar in het noordoosten bij de berg Thabor huisden de Scythen, de nakomelingen van Seth, die met hun eenvoudig natuurleven boete deden voor de zonden van Adam.63

- ‘En zijn dat dan Gog en Magog, die volgens Marco Polo de volken van Ung en Mungul zijn, zoals ook Mercator op zijn wereldkaart aangeeft?’64
- ‘Wie weet...’

Ortelius had het misschien niet allemaal geloofd, maar hij had wel meteen in de eerstvolgende uitgave van zijn Theatrum Postels kaart genoemd. Rond diezelfde tijd waren de gegevens ervan ook overgenomen op een in Antwerpen, vervaardigde globe.65 Nog in 1593 waren de erfgenamen van zijn concurrent Cornelis de Jode gekomen met een kaart, waarop precies op de pool de berg Stolp stond, als bij Postel.

- ‘En waarop ze het schiereiland dat zich al bij Ortelius direct voorbij de Ob' steil naar het noorden uitstrekt, of dat nu Tabin is of niet, verbinden met het daarboven liggende pooleiland, zodat voorbij Vaygats de zee afgesloten is’ (zie afb. 44).
- ‘Dat komt omdat ze Postels kaart niet hebben begrepen. De grijze vlek die zij aangezien hebben voor land, is alleen maar het ijs waarover de Hyperboreërs volgens hem 's winters naar het vaste land trekken.66 En dat had hij weer nodig om ooit, tegen het einde der tijden, zijn Joodse stammen de poolzee over te krijgen, terug richting heilige land om de Messias te begroeten. Als het niet de hallucinaties van een waanzinnige waren, zou het godslasterlijk zijn.’
- ‘Die verbinding van het poolland met Europa komt anders al voor op de oudste Ptolemaeus-uitgaven, uit Duitsland uit de vorige eeuw. Trouwens, naderhand heeft Johannes Ruysch ook iets dergelijks.’67
- ‘Nou ja, Johannes Ruysch.’
- ‘En Mercator. Weet u dat ook de grote Mercator ooit een wereldkaart heeft gemaakt waarop het arctische continent onmiddellijk achter de Witte Zee
[p. 120]
verbonden is met Rusland?68 Dat is natuurlijk veel te veel naar het westen, maar de gedachte dat de Kara-zee, of zoals men hem ook wel noemt, de Scytische zee, een binnenzee is, lijkt zeker waarschijnlijk.’

Dat was de opvatting van de Amsterdamse dominee Plancius, en dat was dan meteen ook het hele probleem.



illustratie
44. Cornelis de Jode, Wereldkaart in polaire projectie (1592).
De Jode neemt van Postel de berg Stolp over. Hij verbindt bovendien de landengte Tabin met één van de pooleilanden, zodat de noordoostelijke doorvaart afgesneden is.


[p. 121]

Sinds de Haagse bijeenkomst van december '93, waarop ook Reinier Cant, burgemeester van Amsterdam, aanwezig was geweest, lagen de Amsterdammers dwars.69 De schuldige was Plancius die sinds hij in 1585, ook hij gevlucht uit de zuidelijke Nederlanden, in Amsterdam beroepen was, zich een grote naam als zeevaartkundige had verworven bij de Amsterdamse kooplieden.70 De man had de nodige contacten waaraan hij gezag scheen te ontlenen. Met een zekere Willem Barentsz., een stuurman die een exemplaar van Ivar Bardsens beschrijving van Groenland in handen had gekregen en in het Nederlands had vertaald.71 En met Mathijs Syvertsz. Lakeman, die een nieuwe methode ontwikkeld zou hebben om de juiste lengte op zee te bepalen, waarvoor hij kort tevoren octrooi bij de Staten Generaal had aangevraagd. Onrustige gasten ongetwijfeld, meer uit op avontuur dan op koophandel en bezeten door een vreemde drang om tot de verste uithoeken van de wereld te gaan. Zelf scheen hij samen met Mathijs Syvertsz. bezig te zijn kaarten te ontwerpen volgens de projectie met wassende graden van Mercator, waarmee de meeste stuurlui vanwege de ingewikkeldheid geen kant op konden.72

- ‘Hoe had u zich dan voorgesteld te gaan?’
- ‘Noordelijker, boven Nova Zembla langs, of misschien zelfs recht over de pool’(zie afb. 45).73
- ‘Over land?’
- ‘Wie zegt dat daar land is? Zelfs Mercators poollanden berusten nergens anders op dan op een obscuur bericht van een of andere middeleeuwse monnik. De Engelsen hebben er indertijd slechts wat losse eilanden aangetroffen. Al in 1513 heeft Robert Thorne de poolroute aanbevolen aan de Engelse koning. Volgens hem zou zo'n anderhalve mijl rond de pool het meeste gevaar schuilen, maar als men daar eenmaal voorbij was en vervolgens oostwaarts ging, zou men weldra in Tartarië zijn en vandaar regelrecht door kunnen zeilen naar China.74 Onlangs heeft trouwens William Bourne er ook nog op gewezen: als er geen land is, is dat de beste weg. De ijsgang kan er zo groot niet zijn met de zon 's zomers onafgebroken aan de horizon, het zoute water en de afwezigheid van land. Want het is bij het land en bij de rivieren en baaien dat ijsvorming plaatsvindt, zoals u ongetwijfeld weet, en niet op volle zee.75

De Moucheron voelde er niets voor. Hij ergerde zich aan de bemoeizucht van de Amsterdamse afvaardiging. Was het initiatief niet van hem gekomen? Had hij niet de nodige kennis aangedragen? Was hij het niet geweest die notabene een kwart van de onkosten op zich had willen nemen?

[p. 122]


illustratie
45. Petrus Plancius, De noordpoolstreken (respectievelijk 1590 en 1594).
Op de kaart van 1590 maakt Nova Zembla nog deel uit van een van de pooleilanden en is de enig mogelijke doorvaart die bij Vaygats. Op de kaart van 1594 is Nova Zembla een eiland en is de doorvaart bovenlangs niet alleen mogelijk, maar ook veel ruimer dan die bij Vaygats.


- ‘Studeerkamergeleerden, die de noordpool in het hoofd geslagen is. Of ze er nu het paradijs willen vinden of open water, het een is al zotter dan het ander. Speculaties zijn slechte raadgevers, jongen. Je weet toch zeker, niet waar, dat men in Rusland zegt dat de zee boven Tartarije zo breed is dat men door kan varen tot Cathay?’
[p. 123]
- ‘Ja, oom, de geleerde Paulus Jovius heeft het zelf genoteerd uit de mond van kooplieden die die kant uit waren geweest.’76
- ‘Kooplieden, dat klinkt beter. Als je maar weet dat wij langs de kust gaan, wat de Amsterdammers ook bedenken.’
- ‘Ja, oom.’
- ‘En dat jij meegaat als tolk en commies.’

Zijn plan, zoals hij dat aan de Haagse vergadering voorlegde, was eenvoudig genoeg. De eerste reis moest een onderzoekstocht zijn en in het diepste geheim plaatsvinden, zonder dat men onderweg enige haven aandeed. De Denen en Russen, met wie hij al conflicten genoeg had over tollen en rechten en monopolies,77 zouden anders zeker moeilijk gaan doen. Het belangrijkste was dat men het eiland Colgovië, dat volgens de Enkhuizer cartograaf Lucas Janszoon Waghenaer zo'n vijfendertig mijl ten westen van Vaygats lag,78 zou verkennen op zijn geschiktheid als overslagplaats. Immers, gegeven het feit dat de doorvaart maar hoogstens twee maanden per jaar mogelijk was, zou het het meest efficiënt zijn als de schepen die uit China kwamen hun goederen daar losten om dan onmiddellijk terug te keren. Bovendien zou voor de schepen die het verdere transport naar het vaderland verzorgden, de reis zo beperkt kunnen blijven tot hooguit vier maanden uit en thuis. Er zou een landbouwkundige mee moeten om na te gaan of het land vruchtbaar genoeg was om te bewerken, en een krijgskundige om te bekijken hoe het eiland zou kunnen worden gefortificeerd. Wanneer dat alles duidelijk was en ook de doorgang zelf was verkend, moest men terugkeren. Tegenover de bemanning moest men maar met een droef gezicht voorwenden dat de onderneming was mislukt, dat het allemaal veel te ver was, of zoiets.79

Maar die van Amsterdam hielden vast aan de opvattingen van hun dominee. En zo gebeurde het, dat er in juni 1594 drie schepen en een vissersjacht uit Texel vertrokken: het schip De Zwaan, uitgerust door De Moucheron, Valcke en de admiraliteit van Zeeland, onder leiding van Cornelis Nay als schipper en François de la Dale als koopman of commies; het schip De Mercurius uit Enkhuizen, uitgerust door Maelson en de admiraliteit van West-Friesland, onder leiding van Brandt Tetgales als schipper en Jan Huyghen van Linschoten als koopman; en ook nog een schip plus een jacht, uitgerust door de kooplieden en admiraliteit van Amsterdam, onder leiding van Willem Barentsz., de vertrouweling van Plancius.80 De Zwaan en De Mercurius zouden volgens het plan van De Moucheron proberen een doorvaart bij Vaygats te vinden, maar de Amsterdamse schepen moesten vanaf de Noordkaap een noordelijker koers nemen, richting Nova Zembla, en nagaan of men daar ook boven langs kon.81

 

Het was vochtig, koud weer, met een donkere lucht en een straffe zuidwestenwind. Voorbij de Noordkaap kwam de mist opzetten, zodat ze het land meestal niet konden zien, hoewel ze op niet meer dan twee mijl langs de kust bleven varen. Maar ze hielden goede voortgang. Bij Kilduyn, een eiland boven Kola, scheidden de twee Amster-

[p. 124]

damse schepen zich af. François de la Dale keek ze na en dacht aan de woorden van zijn oom, ‘vreemde gasten, meer uit op avontuur dan op koophandel’.

Het weer was die dag helder en de zee kalm. Om het schip krijsten de meeuwen en duikers en verderop speelden scholen walvissen in het water. Ze passeerden Colgovië.

- ‘Moesten ze dat dan niet verkennen?’
- ‘Later, later. Eerst moest duidelijk zijn dat een doorvaart mogelijk was.’

Toen, ongeveer twintig mijl verder, begon het. De la Dale stond aan het dek en zijn adem stokte. Wat hij zag, leek eerst mist. Maar het was ijs. Het strekte zich links en rechts uit zo ver men kon zien, met erboven een laag damp en nevel die zo dicht was dat het leek of het land was.

Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze dat wat eerst een vaste massa had geleken, bestond uit schotsen die drie, vier vadem dik boven het water uitstaken, over elkaar schuivend en weer uit elkaar glijdend. Ze voeren er een mijl of wat doorheen, maar zo ver je kon zien bleef het hetzelfde: één bewegende massa, met her en der zwarte gaten van water en dikke slierten mist, en overal, in het water en op het ijs, plonzend en glijdend en springend van de ene schots op de andere, robben.

Er was geen doorkomen aan. Twee dagen zeilden ze er in zuidelijke richting langs tot ze ter hoogte van Candenoes de Russische kust weer bereikten. Vandaar richtten ze opnieuw de stevens naar het oosten. IJsbergen, sommige zo groot als de schepen zelf, kwamen aandrijven en omringden hen, witte rotspartijen met klippen en holen, waar het water in en uit stroomde. Weldra trok de nevel weer dicht, terwijl het drijfijs langzaam maar zeker het schip begon in te sluiten. Al die tijd stond er een bloedrode zon boven de horizon, als een voorteken, angstig om te zien, en streek er een voortdurend veranderend schijnsel langs de hemel, dat dan hier dan daar opkwam en weer verdween, zodat elk idee van richting verdween en niemand meer wist waar ze waren.

Zestien dagen kruisten ze zo boven de Russische noordkust, gevangen tussen het ijs en het land, lodya's aanhoudend om informatie over hun positie, over Vaygats. In zijn beste Moskou'se Russisch voerde De la Dale de conversatie: was het waar dat achter Vaygats een veel warmere zee lag en dat de stroming altijd daarvandaan kwam, terwijl het ijs juist naar Nova Zembla toe dreef? Was het waar, dat de zeeëngte tussen Vaygats en het vaste land bezaaid was met rotsen? En was het waar, dat er zoveel walrussen en zeepaarden huisden dat er alleen daarom al geen schip door zou kunnen komen?

Maar toen kwam er een dag dat het ijs plotseling verdwenen was. In drie dagen zeilden ze door tot Vaygats.

Het was groen, weliswaar geheel zonder bomen, maar groen en vlak, met weilanden vol bloemen. Alleen aan de zeekant waren rotsen en klippen, met daartussen strandjes van keien en zwart zand, vol drijfhout, takken, hele bomen zelfs met wortel en al, zodat te bedenken viel met wat voor krachtige stromingen die daar gekomen moesten zijn. Uit het oosten, want een westelijke stroming hadden ze de hele reis nog niet opgemerkt. Hier en daar stonden hoge kruisen, die de Russische vissers hadden opgericht als bakens.

Op de uiterste zuidwesthoek van het eiland vonden ze een plek waar wel drie- of vierhonderd houten afgodsbeelden lagen, schuin tegen een kei of een heuveltje en alle

[p. 125]

met het gezicht naar het oosten. Er omheen lagen grote hoeveelheden geweien, blijkbaar bij wijze van offergaven. Sommige van de beelden waren half vergaan, andere leken nieuw, er waren mannen, vrouwen, soms man en vrouw samen als één beeld, en kinderen, zelfs palen met vier, vijf, ja zeven of acht gezichten onder elkaar, als van één gezin. Een kerkhof kon het niet zijn, want graven waren er niet. Eerder een soort bedevaartplaats. Er lag ook zoiets als een baar, alsof ze gewoon waren de beelden in processie rond te dragen.

Mensen waren daar niet, die troffen ze later aan de andere kant van de zeestraat op het vaste land. Eerst een dertigtal, allemaal in sleeën met twee of drie rendieren ervoor, die hen bedreigden zodat ze moesten vluchten naar de schepen en zelfs daar nog pijlen achter zich aan kregen. Maar naderhand wist Jan Huyghen vriendschappelijker contacten te leggen. Dat was toen ze voor de tweede maal probeerden Straat Vaygats, die ze omdoopten in Straat Nassau, trachtten door te varen.

De eerste keer waren ze na anderhalve mijl teruggedreven door de storm en de stroming en de ijsschotsen die deze meevoerden. Sommige bemanningsleden begonnen al te mompelen dat ze altijd al gezegd hadden dat het onmogelijk was, dat Brunel indertijd al de straat midden in de zomer dichtgevroren gevonden had en dat er geen reden was om te veronderstellen dat het nu anders zou zijn.82 Maar de tweede keer ging het wel (zie afb. 46). Terwijl ze, zorgvuldig het midden houdend, van Afgodenhoek naar Kruishoek de straat doorvoeren, stond aan de landzijde al veel volk. Na Kruishoek maakte de straat een bocht. Het water werd zout en kreeg een helder blauwe kleur, zodat het duidelijk was dat ze in de buurt van open zee kwamen. Bij Twisthoek, zo genoemd vanwege een meningsverschil of daar het einde van de straat zou zijn, richtten ze een baken op en staken toen over naar de andere kant. Daar lukte het tenslotte met hen in gesprek te komen, hoewel ze al die tijd hun pijlen en bogen in de hand hielden en hun sleeën gereed om bij het eerste gevaar weg te kunnen.

Het waren kleine, lelijke mensen, donker, met lang pikzwart haar dat tot over hun ogen hing. Een baard hadden ze niet, die schenen ze haar voor haar uit te trekken. Ze droegen kleren van vellen, met de haren naar buiten gekeerd en de mutsen en handschoenen eraan vastgenaaid. Sommigen hadden daar bovenop nog een bonte kap, zo ongeveer als Embder vrouwen droegen. Hun pijlen en bogen leken volgens Jan Huyghen op die van de Perzen, en hun sleeën leken wel wagens, met hoge, open zijkanten van spijlen, heel anders dan die van de Lappen in Kilduyn. Ze zeiden dat er verderop een grote zee was en dat de straat over tien of twaalf dagen ijsvrij zou zijn, waarna er nog zes weken zouden komen zonder vorst.

Met veel geroep en gezwaai en gebuig namen Linschoten en de zijnen tenslotte afscheid en voeren verder. Op een eilandje op de uiterste oosthoek van de straat richtten ze nog een ton op een paal op als baken, zodat het daar voortaan Tonhoek heette. En toen voeren ze de open Tartaarse of Scytische zee in, die wel tachtig vadem diep bleek te zijn en hoge baren had en lazurig blauw was van kleur, zoals alle oceanen overal ter wereld, zodat het wel zeker was dat hij zich uitstrekte tot China en Japan toe. Zo voeren ze door, langs gigantische ijsbergen soms, namen gevend aan alle eilanden en bochten die ze passeerden: Maelsonseiland, Stateneiland, Linschotenhoek...

Het wemelde er van de walrussen, walvissen en ijsberen. Eenmaal trachtten de mannen een walrus te doden, begerig naar zijn slagtanden waarvan het ivoor zo

[p. 126]



illustratie

(Bij afbeelding pagina 126)
46. Jan Huyghen van Linschoten, De tocht van 1594.
In Straat Nassau, tussen Vaygats en de noordkust van Rusland, zijn de verschillende aanlegplaatsen aangegeven: Afgodenhoek, Kruishoek, Twisthoek, Tonhoek.


[p. 127]

kostbaar was als dat van een olifant. Ze schoten op het dier en gingen hem met z'n zessen te lijf met harpoenen en bijlen. Maar hij beet de harpoenen krom of het spelden waren. Tenslotte klom hij zelfs tegen de boot op en beet in het want en trok eraan om hem te doen kantelen, zodat ze na anderhalf uur blij waren dat ze hem wisten te verjagen. Ook vonden ze veel bergkristal, al was dat, ongetwijfeld door het koude klimaat, erg bros. En hier en daar weer afgodsbeelden. Ook zagen ze zo nu en dan een baken van opeen gestapelde stenen op de kust, wat bewees dat er enige vorm van zeevaart moest zijn, al kwamen ze geen boot tegen. Het was goed vaarwater, zonder klippen of zandbanken, en het ijs dat er nog was verbrokkelde en smolt zienderoogen.

Zo bereikten ze de monding van de Ob', een onafzienbare inham, vrij ondiep en zo te zien nauwelijks te bevaren voor schepen van enige omvang. Daarmee was dus voorgoed iedere gedachte aan een route naar Cathay via deze rivier van de baan. Voorbij de Ob' boog de kust inderdaad naar het noorden. Het was duidelijk dat daar Tabin moest zijn. IJs was er niet meer, de kust was laag en vlak, de zee wijd en open. Gezamenlijk besloten ze - Linschoten, De la Dale, Tetgales en Nay - dat de zaak voldoende onderzocht was. De noordelijke doorvaart was gevonden. Wanneer ze verder zouden gaan, liepen ze gevaar op de terugweg de doorgang bij Vaygats dichtgevroren te vinden. Het was tijd terug te keren.

Maar ook bij Vaygats was nu van ijs geen sprake meer. Al die gigantische ijsbergen, zo groot als eilanden compleet met heuvels en bergen en die eruit zagen of ze honderden jaren oud waren, verdwenen waren ze, in luttele dagen gesmolten en vergaan. Een wonderlijk iets en wel waard de Schepper dank te zeggen. Ten westen daarvan troffen ze de schepen van Barentsz., die tot achtenzeventig graden bleken te zijn geweest, maar daar vanwege het ijs geen doorvaart hadden weten te vinden. En zo kwamen ze zoals ze waren vertrokken, met alle vier de schepen, op vrijdag 16 september weer bij Texel aan.83

 

De reis was al met al zeer bevredigend geweest. Maar toch bleven sommige leden van de Staten van Holland twijfelen of men langs deze weg wel voorbij Tabin zou kunnen komen.84 Er gingen stemmen op dat men te vroeg was teruggekeerd om zeker te kunnen zijn.85 De Moucheron was woedend. Volgens hem zat Plancius er weer achter. En misschien had hij gelijk. De Amsterdamse dominee was eindelijk voor de dag gekomen met zijn kaarten met wassende graden, waarop de manier van Lakeman om de lengte op zee te bepalen zou kunnen worden uitgevoerd.86 Volgens hem was het nu mogelijk een heel wat zekerder route naar Cathay uit te zetten dan tot dusver. En een snellere, omdat men nu zonder problemen de veilige kustlijn kon verlaten en dwars over de open zee onder de pool door kon gaan.

[p. 128]

Maar dit keer liet De Moucheron het er niet bij zitten. Via Valcke liet hij Emanuel van Meteren benaderen, een directe neef van Ortelius, die als koopman gevestigd was in Londen en zich in zijn vrije uren bezig hield met geschiedschrijving. Van Meteren moest in contact treden met Richard Hakluyt, die naar verluidde nog steeds bezig was zijn verzameling reisbeschrijvingen te completeren.87 Indien iemand, dan beschikte hij over alle berichten, van de oude Grieken tot de meest recente toe, die de heren zouden kunnen overtuigen.

En zo gebeurde het. Hakluyt was bereid om voor honderdveertig gulden inzicht te geven in alle gegevens die hij over de noordoostvaart bezat. Te paard kwam hij naar Londen om de zaak te bespreken en ter plekke een overzicht te maken. Behalve over materiaal uit de oude Griekse en Romeinse auteurs beschikte hij bijvoorbeeld over het reisverslag van Johannes de Plano de Carpiny, die meer dan drie eeuwen tevoren, nog vóór Marco Polo, die kant op was geweest. Niet, zoals algemeen aangenomen werd, langs de zuidelijke route via Astrakan en Boghar, maar veel noordelijker, langs de Scytische oceaan zoals hij het noemde. Ook scheen hij aantekeningen te hebben uit het werk van de veertiende-eeuwse Arabische geograaf Abulfeda, waar indertijd Postel en ook Mercator zo nieuwsgierig naar waren geweest.88 En uit de drie delen van Ramusius. Dat laatste werk was weliswaar gedrukt, maar er was moeilijk aan te komen.

Hakluyt zelf was ervan overtuigd, schreef Van Meteren, dat Ortelius en trouwens ook de meeste andere kosmografen het grondig mis hadden gehad en dat men na Vaygats zonder problemen door kon varen naar Cathay. Voorbij de Ob' zou de zee weer warmer worden en zou er van ijs geen sprake meer zijn. Het enige gevaar waren de Russen. Niet de Tartaren, die volgens hem een heel wat eerlijker volk waren.89

Nog eenmaal zette De Moucheron alles op papier. Van Haithon de Armeniër af tot Paulus Jovius toe waren er getuigenissen dat men Tabin kon passeren. Het was bevestigd door de inwoners van die streken, zowel tegenover Brunel als naderhand tegenover De la Dale. En ook was er ooit door de storm een Chinees schip op de Duitse kust gedreven. Wel zou het nodig zijn Vaygats met een garnizoen te bezetten om te verhinderen dat de Russen, of anderen, de passage zouden afsluiten. Men zou er kunnen overwinteren en de goederen overslaan, zoals hij al eerder met betrekking tot Colgovië had voorgesteld, en zelfs zou men er een handels- en visserijpost kunnen vestigen. Want ook als de vaart naar China mislukte, dan nog zou de handel in huiden en de walvisvangst in de Tartaarse oceaan lucratief genoeg zijn.90

- ‘En?’
- ‘Uitstel De Zeeuwen willen wel, maar de Hollanders moeten nadenken.’
- ‘Waarover?’
- ‘Over alles. De deelname van andere particuliere kooplieden, de fortificaties, de route toch weer.’
- ‘Maar de tijd dringt.’
- ‘Ik weet het.’
[p. 129]


illustratie
47. Gerrit de Veer, Levinus Hulsius, De tocht van 1595: de aanvaring.
Bij een aanvaring tussen de schepen van Linschoten en Barentsz. verdrinken vier opvarenden.


Men vergaderde met de Stadhouder, met de Staten van Holland, met de Staten van Zeeland, met de Staten Generaal. Uiteindelijk werd men het erover eens, dat alle schepen ditmaal de route langs Vaygats zouden nemen. Vandaar verwachtte men in twee weken in Kinsai te kunnen zijn. Alleen op de terugreis mochten de kleinere jachten, die immers geen koopwaar vervoerden, nog de passage boven Nova Zembla verkennen. De Amsterdammers loofden daartoe zelf een extra premie van duizend gulden uit.

- ‘Hij kan het niet laten.’

Maar ook toen traineerden de zaken nog. De uitnodiging aan kooplieden om mee te investeren, de aanmonstering van de bemanning, het opstellen van de instructies, alles kostte onevenredig veel tijd.91 Een maand later dan het jaar daarvoor vertrok men tenslotte. Tè laat.92

De tocht werd in alle opzichten een ramp. Al vlak na de Noordkaap kwamen, alleen omdat ze elkaar de voorrang niet gunden, de schepen van Linschoten en Barentsz. met elkaar in aanvaring, waarbij vier man verdronken (zie afb. 47). Anderhalf uur lang zaten de schepen aan elkaar vast, midden in de storm, terwijl iedereen jammerde en niemand meer lette op roer of zeilen. Totdat de wind ging liggen en de schepen als door een wonder losraakten. Eenmaal bij Straat Nassau aangekomen, stalen bij een expeditie aan land twee bemanningsleden de door de vluchtende Lappen achtergelaten huiden. Driemaal werden ze gekielhaald (zie afb. 48). Van de ene restte

[p. 130]



illustratie

48. Gerrit de Veer, Levinus Hulsius, De tocht van 1595: het kielhalen.
Twee bemanningsleden, die huiden gestolen hebben van de Lappen, worden gekieldhaald. Van de ene blijkt na het ophalen slechts een half lichaam te resten, de ander wordt nat aan land gezet.


aan het eind slechts een half lichaam. De andere, die nog leefde, werd nat als hij was aan land gezet. En toen ze dan ten lange leste ondanks stormen en ijs de Tartaarse zee hadden bereikt, werden ze na een paar mijl alweer teruggedreven tot halverwege Straat Nassau.

Zeven dagen zaten ze vast in een inham die ze Traanbaai noemden, tussen twee dode walvissen (zie afb. 49). Velen stierven van de stank van de rottende lijken, of van de mist, die al evenzeer stonk en waarvan de druppels zo groot waren als een vuist. De la Dale herinnerde zich Brunels verhalen over de beruchte zeelong van mist en sneeuw, die hij tussen vijfenzeventig en zesenzeventig graden tegen was gekomen toen hij voor de Deense koning naar Groenland zocht, en hoe hij de mensen er letterlijk in had zien stikken. Vooral de landrotten - de ambachtslieden, diamantbewerkers en goudsmeden, gedeputeerden en passagiers, waar met name het Amsterdamse schip vol mee zat - stierven waar je bij stond. Ze liepen, of praatten, en hetzelfde ogenblik vielen ze om. En hoe goed ze ook bedekt werden met stenen, 's nachts groeven de beren hun lijken weer op en sleurden ze half aangevreten rond, wat een gruwelijk gezicht was.

Wel voeren ze nog naar de overkant, waar François de la Dale, die door zijn lange verblijf in Rusland het beste Russisch kende, uitvoerig met de Lappen daar sprak en weer hetzelfde verhaal te horen kreeg over de kust, die voorbij de Ob' een bocht naar het noorden maakte, en de open zee die zich daarvandaan uitstrekken zou.93 En wel ook bereikten ze later de Tartaarse zee nogmaals. Maar toen was het al september. Er was veel te veel ijs om door te kunnen varen en zo'n mist, dat ze musketten en

[p. 131]



illustratie

49. Gerrit de Veer, Levinus Hulsius, De tocht van 1595: de walvissen.
In de Traanbaai sterven veel opvarenden van de stank van rottende walvissen.


kanonnen moesten afschieten om van schip tot schip te horen waar men was en niet op elkaar te stoten. De winternacht begon in te vallen. Het ijs kruide tegen de schepen...

Tenslotte raakten ze op Stateneiland. De bemanning wilde niet meer verder, zeker niet nadat twee van hen gedood waren door een ijsbeer. Er ontstond onrust. Zelfs, toen schippers, stuurlui en kooplieden in de admiraalshut bijeen waren om over blijven of teruggaan te beslissen, een begin van oproer. Het was snel de kop ingedrukt en de vijf raddraaiers werden opgehangen aan een inderhaast van wrakhout in elkaar getimmerde galg (zie afb. 50). Maar toen vertrokken ze dan ook terug naar huis. Mèt Barentsz., die aanvankelijk nog voorgesteld had met twee schepen achter te blijven om te overwinteren. Wat hij daarmee had willen bereiken had niemand begrepen en hijzelf waarschijnlijk evenmin, want toen ze na ettelijke mislukte pogingen erin slaagden terug door Straat Nassau te komen, repte hij niet meer van een noordelijker route en zette hij even vrolijk als de andere schepen koers richting Holland of er geen premie te winnen was.94

Zo keerden ze op 26 october 1595 terug met geen ander resultaat dan de twee reusachtige kaakbeenderen die Jan Huyghen van Linschoten van een dode walvis had laten slopen en die tot een eeuwig aandenken werden opgehangen in de doelen en het stadhuis van Enkhuizen.95

[p. 132]


illustratie
50. Gerrit de Veer, Levinus Hulsius, De tocht van 1595: het oproer.
Nadat er twee man bij het zoeken naar bergkristal door een ijsbeer zijn gedood, ontstaat er een begin van oproer. Vijf raddraaiers worden opgehangen.


- ‘Maar de Lappen zeiden dat het een extreem strenge winter was geweest en dat ook de zomer kouder was dan sinds mensenheugenis was voorgekomen. Een volgend jaar zal het zeker beter gaan.’
- ‘Nee, François.’
- ‘Jan Huyghen denkt er net zo over. Hij zegt dat ook de Portugezen hun ontdekkingen niet in één keer hebben gedaan, maar vele jaren achtereen doorgegaan zijn met hun pogingen, ondanks de hoge kosten, en dat het zonde zou zijn om het nu, na alle moeite en investeringen, op te geven.’96
- ‘Nee.’

Het zal een combinatie van factoren zijn geweest. Zo lukte het Melchior de Moucheron, terwijl de tweede tocht in volle gang was, met de Russen een handelsverdrag te sluiten dat grote voordelen beloofde. Het had weinig zin dat in de waagschaal te stellen voor een onderneming waar de tsaar, bang voor een Nederlandse monopolisering van Straat Nassau, met grote achterdocht tegenover stond en waarvan de uitkomst nog steeds onzeker was. Bovendien leken terzelfder tijd de kansen voor de vaart rond Afrika toe te nemen. In april '95 was De Houtman met vier schepen vertrokken om de mogelijkheden in die richting te verkennen. Wanneer die gunstig zouden blijken, zou het zaak zijn daar snel op in te haken en daarvoor zou geld nodig zijn, veel geld. Nee, het was waarlijk het moment niet om nogmaals in het noorden te gaan avonturieren. François moest maar terug naar Moskou om daar Melchior te helpen, zodat hij hem te zijner tijd zou kunnen opvolgen.97

[p. 133]

Ook de Staten van Zeeland en de Staten van Holland waren niet bereid een derde tocht te financieren. Het enige waar de Staten Generaal op voorstel van Holland nog toe besloot, was een premie van ƒ25.000 plus twee jaar vrijstelling van in- en uitvoerrechten voor degene die op eigen kosten de doorvaart zou ontsluiten. Voor de magistraat van de stad Amsterdam was dat voldoende reden om zelf twee schepen uit te rusten om nogmaals een poging te doen: ‘gezien het grote belang voor de algemene welvaart,’ zoals men het formuleerde.98

Ditmaal zouden de ideeën van Plancius niet meer gedwarsboomd worden. Dokter Paludanus uit Enkhuizen, een geleerd man die bevriend was met Linschoten, schreef aan Ortelius in Antwerpen, dat Plancius en Barentsz. ervan overtuigd waren in het noorden een doorvaart te vinden, omdat God de wereld nu eenmaal omringd had met water en de stroming daar beurtelings naar het oosten ging en weer terug. Ook waren de noordewinden er warmer dan die uit het zuiden, wat voldoende te denken gaf. Als iets het schiereiland Tabin was, dan moest het volgens hen Nova Zembla zijn.99



illustratie
51. Gerrit de Veer, De tocht van 1596: het hemelteken.
Aan het begin van de reis doet zich een wonderlijk hemelteken voor van drie zonnen met daar doorheen vier regenbogen. Het lijkt een gunstig voorteken.


[p. 134]


illustratie
52. Willem Barentsz., De tocht van 1596: de route.
Voorbij Noorwegen zeilen Barentsz., Heemskerck en Rijp, in plaats van af te buigen langs de kust, recht door. Ze bereiken Bereneiland en vervolgens Spitsbergen (Het Nieuwe Land), maar moeten dan terugkeren. Weer bij Bereneiland gaan ze uiteen: Rijp gaat naar het westen, Barentsz. en Heemskerck naar het oosten, richting Nova Zembla.


[p. 135]

In een draaikolk waardoor alle golfstromen van de wereld de diepte in gezogen werden, geloofde al sinds de boeken van Petrus Martyr niemand meer.100 Maar nu werden ook de vier poollanden, sinds Mercator een vast gegeven van de polaire geografie, opzij geschoven, terwijl over een magneetberg op de pool of in Straat Anian niet eens meer werd gesproken.101

Zo zetten ze dan op 18 mei 1596 weer koers naar het noorden: twee schepen met als schippers Jacob Heemskerck en Jan Cornelisz. Rijp, het geheel onder leiding van Willem Barentsz.102

 

De wonderlijke configuratie van drie zonnen met daardoorheen niet minder dan vier regenbogen, die zij op 4 juni, toen zij op eenenzeventig graden waren, in de hemel waarnamen, moest wel een gunstig voorteken zijn (zie afb. 51). Maar al de dag daarop stootten ze op de eerste ijsbergen. De volgende dagen nam het ijs alleen maar toe, wat op de nabijheid van land wees, zodat Barentsz. vermoedde dat ze te ver afgeweken waren naar het westen en in de buurt van Groenland waren. De Rijp wilde er niet van horen, maar inderdaad bereikten ze op 10 juni land (zie afb. 52).

Het was een eiland. Ze noemden het Bereneiland, vanwege een gevecht met een ijsbeer dat wel twee uur lang door tien man vanuit twee roeiboten met geweren en bijlen werd gevoerd voordat ze hem dood hadden. Weer zes dagen daarna bereikten ze een kust die doorliep tot tachtig graden en wie weet nog hoeveel hoger.103 De Rijp noemde het Het Nieuwe Land en de zeelui spraken van Spitsbergen, vanwege de bergen die er tot de wolken reikten.

- ‘De berg Stolp?’
- ‘Wie weet.’

Maar Barentsz. was nu zeker: het moest Groenland zijn.104 Hetzelfde Groenland waar hij de beschrijving van de hand van Bardsen van bezat, alleen veel noordelijker, ter hoogte van het eiland Margaster en het klooster van Sint Thomas, waar de monniken hun groente kweekten in de warmte van een vulkaan.

Je kon het natuurlijk opvatten als een succes, dat zij nu het land hadden gevonden waar al een eeuw lang Pining en Pothorst, en de aartsbisschop van Trondhjem, Erik Walkendorf, en naderhand ook Olivier Brunel vergeefs naar hadden gezocht. De Deense koning Christiaan IV zou er, als zijn voorgangers, wel een goede beloning voor over hebben. Maar de opdracht was nu eenmaal de route naar China te vinden.

Dus keerden ze terug naar Bereneiland. Vandaar wilde Barentsz. nu een noordoostelijker koers nemen. Maar Rijp hield vast aan zijn mening dat men Het Nieuwe Land westelijk moest passeren om zo bij de pool te raken. Harde woorden vielen er. Ze klonken vanuit de hoge kajuit over het water. Uiteindelijk zat er niets anders op dan uiteen te gaan, ieder zijns weegs.105

[p. 136]


illustratie
53. Gerrit de Veer, De tocht van 1596: het schip op het ijs.
Voorbij de noordpunt van Nova Zembla raakt het schip vast in het ijs en wordt het daar door het kruien zelfs opgeschoven.


Wel honderdvijftig mijl is Jan Cornelisz. Rijp met zijn schip tussen de ijsbergen door gezeild. De schotsen stootten een gat in de kiel, zodat ze al pompend verder dreven, totdat ze eindelijk open water bereikten. Daar hebben ze alle goederen, ankers, kabels en geschut aan één kant gestouwd, zodat het schip scheef kwam te liggen en ze met de scheepsboot het gat van buitenaf konden dichten. Vervolgens zijn ze doorgezeild totdat ze op eenentachtig graden weer land troffen. En ditmaal wist ook De Rijp dat hij Groenland bereikt had.

Het was er warm, zoals men wist van alle oude verhalen. Zo warm, dat de mannen 's nachts, als de zon nog steeds hoog aan de hemel stond, op het dek sliepen. Het wemelde er van de walrussen met hun kostbare slagtanden en ijsberen en vogels, en op het land waren rendieren en vossen en marters. Zelfs zagen ze hoefafdrukken van paarden. Sommigen dachten dat ze van eenhoorns moesten zijn, hoewel die altijd met gekloven hoeven werden afgebeeld. Had Plinius niet geschreven over eilanden in het noorden waar de bewoners paardenhoeven hadden?106

Maar ze kwamen er niet voorbij. Wel twaalf weken lang zochten ze naar een doorgang, tot vierentachtig graden toe, maar het was alles land. En ijs. Geen mens, laat staan nederzettingen of kloosters, of zelfs maar hutten van Skraelings, te zien. Zodat ze tenslotte, als alle anderen voor hen, onverrichter zake moesten terugkeren.107

Het schip van Barentsz. en Heemskerck kwam tot voorbij de noordpunt van Nova Zembla, dat volgens hen kaap Tabin was, en raakte toen vast in het ijs (zie afb. 53). Ze moesten het hebben zien aankomen. Drie weken lang kruide het ijs tegen het schip, zonder dat Barentsz. ook maar van keren repte. Het voorgaande jaar had hij op Stateneiland al zonder succes voorgesteld de winter over te blijven zodat hij in het voorjaar bij de eerste gelegenheid door zou kunnen gaan, en nu zag hij zijn kans. Misschien was dat zelfs de reden dat hij richting land was gegaan, in plaats van op volle

[p. 137]



illustratie

54. Gerrit de Veer, Levinus Hulsius, De tocht van 1596: het Behouden Huis.
Men bouwt een onderkomen van hout van het schip en aangespoeld wrakhout.


zee te blijven waar hij wist dat minder ijs zou zijn. Toen het schip als door een reusachtige hevel op het ijs werd geschoven, was de overwintering een feit.

Het verblijf op Nova Zembla duurde van 30 augustus 1596 tot 14 juni van het jaar daarop. Ze bouwden een hut van hout van het schip en aangespoeld wrakhout (zie afb. 54). Elke dag zetten ze een snee in een van de balken, zo nu en dan schoten ze een beer of vingen ze een vos in een van de vallen die ze uit hadden gezet, en verder lagen ze in de kooien, verhalen vertellend en wachtend op de terugkeer van de zon. Eenmaal, toen ze in plaats van het verzamelde wrakhout kolen uit de scheepsvoorraad hadden gestookt, ontkwamen ze maar net aan een kolendampvergiftiging. Verder gebeurde er niets.

Maar ook toen de zon teruggekeerd was, de beren weer tevoorschijn waren gekomen en als gevolg daarvan de vossen weer begonnen weg te blijven, en het warmer en warmer werd, raakte het schip niet meer vlot. Integendeel, eind maart werd het door de bewegingen van het water nog verder het ijs op geschoven, zodat ze uiteindelijk, alle voornemens van Barentsz. ten spijt, moesten besluiten met bemanning en koopwaar in twee open boten terug te keren naar de bewoonde wereld (zie afb. 55).

Het was een vreselijke tocht, koud en nat en, hoewel midden in de zomer, telkens bedreigd door het ijs. Anderhalve maand lang volgden ze de kust, van het Eiland van Oranje naar IJshoek, van IJshoek naar Beerhoek, van Beerhoek naar Kaap Troost, enzovoort, tenslotte langs de plaatsen waar Barentsz. twee jaar tevoren al was geweest, tot Costins Serch toe, dat bekend was van Olivier Brunel, en verder (zie afb. 56).108

[p. 138]


illustratie
55. Gerrit de Veer, De tocht van 1596: de terugkeer.
Het volgende voorjaar beginnen ze in twee open boten aan de terugreis. Onderweg sterft Barentsz.


Pas op 25 augustus bereikten ze Kilduyn.109 Barentsz. zelf had het niet overleefd. Maar wel had hij tot op het moment van zijn dood volgehouden, dat het mogelijk was over volle zee de pool te passeren en dat hij dat de volgende keer ook zou doen. Want hoe vaak gebeurde het niet dat een onderneming die de eerste, tweede, of zelfs derde maal niet slaagde, tenslotte toch met succes werd beloond? Grote ontdekkingen werden nu eenmaal zelden in één keer gedaan. Niet hij die ondernam wat onmogelijk leek, was te laken, maar hij die kleinmoedig en laks daaraan niet eens begon.110

- ‘En Gog en Magog? En de tien stammen van Israël? En de berg Stolp aan de voet waarvan de gelukkige Hyperboreërs leven? En het paradijs?’111
- ‘Onzin. Boekengeleerdheid. Alleen de ondervinding en de mathematica, het meten van de lengte- en breedtegraden, kan leren hoe de wereld er uitziet.’112
- ‘Van de lengtebepaling op zee is het geheim anders nog steeds niet ontdekt, al beweren Plancius en Lakeman van wel. Die arme Rijp is door hun zogenaamde lengtewijzer totaal uit de koers geraakt. Toen hij dacht dat hij in de Witte Zee was, kwam hij terecht op Lofoten, en zijn koers onder de pool bracht hem in het ijs bij Groenland.’113
[p. 139]
- ‘Rijp had geen benul hoe hij hun methode moest hanteren. Hij had beter naar Barentsz. kunnen luisteren in plaats van zo zeker te zijn.’
- ‘Alsof iemand weet waar Groenland is. En alsof er ergens iets anders is dan ijs. Sebastian Cabot heeft het al moeten ervaren en sedert dien is er geen mens geweest die het anders is vergaan. IJs, ijs en ijs.’


illustratie
56. Gerrit de Veer, De tocht van 1596: de route terug.
Anderhalve maand volgen ze de kust: van het Behouden Huis langs het Eiland van Oranje, IJshoek, Beerhoek, Kaap Troost, tot Costins Serch. Vandaar zeilen ze langs Colgovië linea recta naar Kola.