|
|
|
| |
| | | |
[Onze oude versjes]
Maar 't meel dat wou niet rijzen.
En de man heette Jan van Gijzen.
| | | |
Klompertje en zijn wijfje,
Die zouden vroeg opstaan,
En naar de markt te gaan.
Toen braken alle eiertjes,
En 't botertje viel in 't slijk.
| | | |
Het speet 'er niet om de eiertjes,
Maar wel om 'er mooien doek,
Die ze gisteren pas gemaakt had
Van Klompertjes beste broek.
| | | |
Hansje Pek zat op het hek -
| | | |
En toen kwam op 't laatst de pastoor
Die gaf hem een fermen klap om zijn oor.
| | | | | | | |
Drie boeren op een karre;
| | | |
Meester de jongens brengen knikkers mee!
| | | |
Drommeische jongen, je mag niet klikken -
Anders krijg je zeven tikken,
Zeven tikken met de plak,
Hoor je, leelijke klikkenzak.
Zeven tikken met de tang!
Meester, ik ben toch niet bang.
| | | |
Daar buiten, daar buiten,
Daar liggen twee oude schuiten.
Wat ligt er in die eene schuit?
| | | |
Wat ligt er in die tobbe?
Wat ligt er in dien emmer?
| | | |
Wat ligt er in dat tonnetje?
Wat ligt er in dien lepel?
Twee kruimeltjes wittebrood,
Twee kruimeltjes roggebrood,
Dat al de vogeltjes zongen.
| | | |
Ik zei-der wel Jaap, ik zei-der wel Jaap,
Ik zei-der wel Jaapje sta stil,
En waarom zou ik stille staan?
Ik heb van mijn leven geen kwaad gedaan!
Ik zei-der van Jaap sta stil.
| | | | | | | | | | | |
A, B, C, de kat liep in de sneeuw,
En toen ze weer naar huis toe kwam
Toen had ze witte schoentjes ân.
A, B, C, de kat liep in de sneeuw.
| | | |
Die zat laatst op den dijk;
Hij krabde daar zijn bolletje,
Zijn mutsje viel in 't slijk.
Hansje, wil-je je mutsje verkoopen?
Wie verkoopt er ooit zijn muts.
| | | |
Waar ben je toch geweest?
Jij hebt verbrand jou velletje,
Je waart zoo'n heel mooi beest!
Foei poes, leelijke poes!
En is het dan geen schande,
Dat jij jou mooie velletje
Zoo leelijk laat verbranden?
Ik heb nog in mijn laadje
Een naaldje en een draadje
Daar ik jou mee verstellen zal.
| | | |
Daar was eens een koning,
Die smeerde zijn eigen met honing,
Die smeerde zijn eigen met roet;
Toen was die koning bitter en zoet.
| | | |
De bakker sloeg zijn wijf,
Al met een dikken knuppel
De knuppel wou niet breken,
De vrouw wou niet spreken,
| | | |
Het wijf kroop in den oven,
| | | |
Daar waren zeven kikkertjes
De sloot die was bevroren,
Ze kwikten niet, zo kwakten niet
| | | |
Wat zijn je beestjes mager!
Zeven jaar op stal gestaan,
Het vet is van 'er ribben gegaan.
| | | |
In spring, de bocht gaat in;
Uit spuit, de bocht gaat uit.
| | | |
Naar de lombard gebrocht,
En ik heb dansen geleerd,
| | | |
Sinterklaas, goed heilig man!
Trek je beste tabberd ân,
Rijd er mee naar Amsterdam,
| | | |
Van Amsterdam naar Spanje,
| | | |
Vader en moeder mijn schrift is uit;
Verdien ik nu geen mooie duit?
Zwarte letters op wit papier,
Vader en moeder mijn schrift is hier.
|
|
|