Als men spreekt over ‘boerenhasselts’, moet men nader bepalen wat men daaronder verstaat. Uit de benaming - die niets denigrerends heeft - blijkt al dat er een verschil bestaat met het dialect van het centrum, van de stad zelf.
In enge zin omvat ‘boerenhasselts’ het dialect (en varianten ervan) van de gehuchten van de stad Hasselt van vóór de fusie (1977), t.w. Rapertingen, Godscheid en Kiewit. In deze zin lijkt mij de benaming ‘boerenhasselts’ taalkundig en geografisch correct.
In ruime zin dekt de benaming - in de mond van stedelingen - een grotere lading en verwijst naar de dialecten van de randgemeenten, die na de fusie groot-Hasselt uitmaken, t.w. Kuringen, Kermt, Spalbeek, Stokrooi, St.-Lambrechts-Herk, Wimmertingen en Stevoort. De stedeling valt niet over dat onderscheid en noemt alle dialectvarianten van rond de stad ‘boers’ en niet ‘boerenhasselts’, want hij is er zich wel van bewust dat dat ‘boers’ geen Hasselts is.
In plaats van een opsomming te geven der karakteristieken van ons Demerlands dialect (Umlaut, rekking, ontronding, oppositie sleeptoon-stoottoon, svarabhakti, mouillering, enz., kenmerken die trouwens ook voorkomen in menig ander Limburgs dialect) zal ik trachten de positie te zoeken van het Hasselts als stadsdialect, dat weliswaar bepaalde kenmerken met de omringende dialecten gemeen heeft, maar er zich in andere gevallen toch weer van onderscheidt, en er zich zelfs van distancieert, en a.h.w. een soort eilandpositie inneemt. Van die eilandpositie is wellicht elke stedeling zich bewust, maar de echte Hasselaar zeker, want in zijn chauvinisme is hij ervan overtuigd dat zijn taal iets unieks is, en dat men buiten de stad ‘heel anders’ praat. Op de taal van de randdorpen kijkt hij met zijn stedelijk meerderwaardigheidscomplex enigszins neer, en hij bestempelt hun taal als boers (bij vele stedelingen geldt het woord boer trouwens nog steeds als schimpwoord).
Ik plaats me nu wel op het traditionele standpunt, m.a.w. ik schets hier de mentaliteit van de echte Hasselaar van ongeveer 40 jaar geleden, en het is zeer de vraag of er nog echte
Hasselaren bestaan. Niet alleen het Hasselts, maar ook de Hasselaar is historisch aan het worden. Maar terug naar ons onderwerp. Als ik met mensen van de omringende gemeenten in kontakt kom, zeg ik hun soms wel dat ze ‘Boerenhessels’ praten, hetgeen me niet altijd in dank wordt afgenomen en taalkundig gezien ook niet helemaal klopt, want dat Hasselts juist verschilt van het ‘boers’ moet ik juist bewijzen, en ik zou dus in tegenspraak zijn met mezelf.
Het verschil tussen wat we nu maar zullen noemen het steedse en het boers belet me nochtans niet, dat ik me buiten de stad zonder problemen in mijn stadsdialect kan bewegen, tot de verschillen te opvallend worden en ik zeg: tot hier, verder kan ik niet gaan, nu moet ik overschakelen naar de standaardtaal. Het makkelijkst kan de Hasselaar zich bewegen in westelijke richting: Kuringen, Kermt, Spalbeek (U hoort me de Demer volgen), noordwestelijk tot Stokrooi; ten zuiden gaat het ook nog: in de richting Sint-Truiden niet verder dan St.-Lambrechts-Herk (het Alkers wordt door de Hasselaar als bijzonder ‘plat’ aangevoeld en de inwoners gelden als prototype van de boer); in de richting Tongeren tot Wimmertingen (misschien nog een eind verder naar Kortessem toe); in oostelijke richting raakt hij niet verder dan Diepenbeek (Beverst is al iets heel anders); maar ten noorden zit hij al na enkele kilometers vast. Ikzelf ben woonachtig ten noorden van de stad, achter de kanaalbrug, en stel dagelijks vast hoe de mensen er anders praten dan in het centrum. Toen ik aan het Hasselts woordenboek werkte, kreeg ik ook herhaaldelijk de raad van mijn stadsgenoten ‘daar achter dat kanaal weg te blijven’. Het dialect van Zonhoven, hoewel het talrijke raakpunten met het Hasselts vertoont, maakt op mij toch de indruk het eerste ‘Kempisch’ dialect te zijn, o.m. door het sterk sonantisch realiseren van de eind-n in meervoudsvormen en werkwoorden (klentern̥, zilstern̥), eveneens bij diminutieven, bijv. eihön't'n̥ (hondje), e mön't'n̥ (mondje), vergeleken bij Hasselts hiendsje, miendsje. Nee, een Hasselaar voelt zich - dialectologisch gesproken - meer thuis in Wellen of Borgloon dan in Houthalen of Heusden. Hoe dan ook, bepaalde stedelijke pretenties ten spijt, is Hasselt er niet in geslaagd zijn dialect aan zijn omgeving op te dringen, a.h.w. buiten zijn muren te breken.
Het zal ook duidelijk zijn dat de stedelingen veel minder ver-
trouwd zijn met landbouwtermen, terwijl andersom de buitenmensen zich minder bedienen van Franse woorden (die dan nog danig verhaspeld worden). Als men nu tot de praktijk overgaat en enkele steedse en niet-steedse klanken tegenover elkaar stelt, wordt het verschil meteen duidelijk. Het is aan onderhavige verschillen dat de twee ‘partijen’ elkaar ook onmiddellijk herkennen en thuiswijzen.
Ik maak eerst een korte wandeling doorheen het vocalisme; over het consonantisme is heel wat minder te zeggen.
De lange vocalen zijn het opvallendst in hun verschillen ten opzichte van elkaar.
| 1. ââ
Het Hasselts steekt af bij zijn omgeving door zijn velare lange â(â): nââ.t (nat), grââ.s (gras), kjâ.ze (kersen): de kjâ.ze zèn nââ.t van 'et grââ.s (de kersen zijn nat van het gras) [ᾱ] |
Buiten de stad is dit oa de kjoa.ze zèn noa.t
van 'et groa.əs [ǭ] |
| 2. a(a)
Het Hass. kent een lange, gestrekte, palatale āā, die niet de minste neiging tot diftongeren vertoont: zij het die van aa.d (oud), of daa.g (dag), of draan (draaien) of kaar (kar), staar (ster), of haan (handen) |
Bij mijn weten komt die in de omgeving niet voor, en is dit ofwel ââ (ââ.d), [ā] dââ.g of hâân (handen), of- wel [ę̄] kę̄r, stę̄r, drę̄ə (draaien), dę̄.rə (durven) |
| 3. De Hass. oa[ǭ].of ze nu komt uit vroegere ol+d, t, zoals in hoa.t (hout), of uit een Wgm. â, zoals in stroat (straat), koad (kwaad) avəkoat | vindt buiten zijn muren als tegenhanger altijd ooə: [ōə] hoo.ət, strooət, kooəd, avəkooət |
4. Een der lange vocalen, waardoor het Hass. bij dorpsmensen onmiddellijk en in ongunstige zin opvalt, is zijn eu, mediaal en ongeveer gerealiseerd zoals Ned. eu, maar zulke geëffemineerde indruk wekkend, dat het predikaat ‘fleuen Hesseliër’ berucht en gemeengoed is geworden. Hij heeft er zich een rotreputatie door verworven. Vooral in woorden waar deze eu beantwoordt aan Ned. auw/ouw klinkt het bijzonder geaffecteerd: een fleu vreu (een flauwe vrouw), of met sleeptoon in reu. (rauw, ongekookt) [ø̅]. Staaf Devreu heette eigenlijk Gustaaf Devroo.
Ook beantwoordend aan Ned. zachtlange ō: beu.ve (boven), steuf (stoof, kachel), enz. Deze eu vertoont andermaal niet de minste neiging om te diftongeren.
Hiertegenover staat dan bij buitenmensen altijd oo: 'n floo vroo, ne flooën Hesseliër, de stoof stit boo.ve. Deze oo klinkt de Hasselaar grof en dorps in de oren; hij vindt zijn eu verfijnder en beschaafder, terwijl de buitenmens, zoals gezegd, precies aan die eu zulk een hekel heeft.
| 5. Daarmee vergelijkbaar - voor mij subjectief althans - is de Hass. œ̅[ǭ ̸], beantwoordend aan Ned. ui: dœ̅m (duim), hœ̅ə.s (huis), schœ̅.m (schuim). | Steevast staat hiertegenover een oa[ǭ]doam, hoa.əs, schoa.m. Tegenover deze oa heeft de stedeling dezelfde reactie als in het voorgaande geval. |
| 6. De Wgm. ô uit GG au, zoals in Ned. oog, dood, poten, stoten, enz. (de zgn. scherplange oo), leverde in het Hass. een gestrekte lange ōē [ū] op vóór labialen en velaren, bijv. bōē.m (boom), ōēg (oog), lōēp (loop), en een diftong ōēë[ūə] voor dentalen, bijv. dōēëd (dood), pōēëte (poten), stōēëte (stoten) enz. | Voor de randdorpen speelt dit onderscheid geen rol; in alle gevallen krijgen we een korte oe[u] waarschijnl. uit vroegere ōē verkort); ne boem, 'n oeg, z' ès doed, poete, stoete. Begrijpe wie kan, ook deze oe wekt de lachlust op van de stadsbewoner. |
| 7. Hetzelfde fenomeen zien we in het volgende geval: de GG ô (of û vóór r) leverde in het Hass. ouë [ouə] op: gouëd (goed), te vouët (te voet), ne bouë.r (boer), enz. | Zoals in het vorige geval realiseren de randdorpen hier 'n korte oe: goed, voet, die echter onzuiver klinkt en naar uu schuift: guujd, ne buuwr (een fonetisch symbool moet voor deze klank nog gemaakt worden.) |
| 8. De Wgm. î resulteerde in Hass. èè [ę̄], weer zo een stijfgerekte lange vocaal die recht door zee gaat: tèè.d (tijd), schrèè.ve (schrijven) | Deze vocaal vertoont buiten de stad een naslag-ə, en z'n kwaliteit is ook anders; er zit een neiging tot diftongeren in: iech hèb ginnen tèè.əd vur te |
| schrèè.əve. Ook voor deze zgn. ‘vette’ èè moet nog een fonetisch teken bedacht worden! | |
| 9. En, voor wat de lange vocalen betreft, de Ned. ie (uit Wgm. io) zoals in lief en bier, wordt in het Hass. gerealiseerd met 'n diftong ej of eje: me lej.f ere spej.gel, beje.r (bier). | Deze diftong komt niet voor in de randgemeenten: līē.f, spīē.gel, bīē.r |
De korte vocalen brengen minder verschillen aan het licht. Een paar gevallen zijn nochtans het vermelden waard:
| 1. | De korte a vertoont géén rekking voor -cht: ach (acht), te nach, e gedach. Ten zuiden van de stad evenwel is er in deze positie wel rekking: aach, te naa.ch, e gedaa.ch, ve hèbbe gelaa.ch (gelachen), laa.chte (lachen). |
| 2. | De korte a is buiten de stad uitgesproken palataal voor -ng, -nk en -k, 'n slaing, 'n bai.nk, ne baik. |
| 3. | Bij buitendialecten treedt een sterke neiging tot diftongeren van korte
vocalen op de voorgrond, voor -st en -ch: me zuister (mijn zuster), den heile neis (de hele nest), ruiste
(rusten), de louch (lucht): me zuister vloog ènne louch be hurren heile
neis. In de stad worden deze vocalen zuiver, d.w.z. zonder diftongering, gerealiseerd: me zèster vleu.g ènne loch bè ere nès. |
| 5. | Wat de vocaal u betreft, vraag ik me af of de Hass. u in bijv. kunne aan Ned. invloed is toe te schrijven, want ze had normaal ontrond moeten worden tot i. In twee woorden beantwoordt deze u aan Ned. oe, nl. in mutte (moeten) en gusting (ZN goesting): dzje mut 'et mar kunne, dië mut gusting hèbbe! Deze drie woorden luiden buiten de stad: koine, moite en goisting, met gesloten korte ŏ plus een i- elementje. Ik merk er weer de afkeer in voor de steedse u, parallel met de eu, ten voordele van o of ó. |
| 6. | En om dit kapitteltje over het vocalisme af te sluiten, constateer ik bij buitenmensen een sterke neiging tot ronden wat |
de Hasselaar ontrondt, en dit in verscheidene gevallen: è
> ö of u
|
Wat het consonantisme betreft, kan ik vrij kort zijn.
De realisatie van de consonanten gebeurt in de dialecten rond de stad op vrijwel dezelfde wijze als in de stad: ik bedoel de algemeen bekende Auslautverharding, de lenisering of verzachting, het weglaten van de eind -n, enz.
Enkele afzonderlijke gevallen verdienen onze aandacht:
| 1. | De h: de Hasselaar blaast zijn h niet
aan, zeker niet in bepaalde posities, zoals na n: nen
'ond, nen 'Esseliër, èn 'Asselt. Heel onhandig doet hij het soms wèl waar
geen h thuishoort: hèè.zel (ijzel),
heu.ve (oven), en soms in woorden waar het affectieve een rol speelt. Opvallend is daarentegen de sterke aspiratie bij buitenmensen: den ho.nd, hoo.ət, enz. |
| 2. | De ontwikkeling van sch naar š in de Anlaut heeft in het stadsdialect niet plaats gehad, maar de lijn loopt wel op zijn grondgebied, ten oosten langs Wimmertingen en ten noorden langs Diepenbeek. De lijn blijft op twee km. van de stad en hoeft hier dus niet besproken te worden. Het is trouwens niet zo dat alle randdialecten šoen šōē.n (schone schoenen) zouden zeggen. |
| 3. | Een eigenaardig verschijnsel is ook dat de Hasselaar in verscheidene woorden de r terug heeft ingevoegd vóór 'n dentaal d of t, daar waar die in zuidlimburgse dialecten in die positie was weggevallen: dus pjââ.rd (waarschijnlijk uit een |
| vroeger *pjââ.d), jâârd (aarde, grond) (i.p.v. jââd), jââ.rd (waard) (i.p.v. jââ.d),
woa.rd (woord, i.p.v. woo.d), koard
(koord, i.p.v. kood), poa.rt (poort, i.p.v. poo.t), kort (i.p.v. kót), de eigennaam Martens
(i.p.v. Mattes), hart, (i.p.v. hat), dartig (i.p.v. dattig), zwart (i.p.v. zwat), martele (‘sukkelen’, i.p.v. mattele). Waarschijnlijk is dit herstel van de r aan schoolinvloed toe te schrijven en ik heb die woorden nooit anders gehoord (NBo 1931). Vreemd genoeg heeft het herstel van de r niet plaats gehad vóór -s: vjââs (vaars), kjââ.s (kers), bee.kkas (beekkers), vos (vers), bossel (borstel), boste (barsten), enz. en vóór l en n ging het moeilijk dus kjââ.l (kerel) en niet *kjââ.rl. |
|
| 4. | Mouillering van l en/of n heeft buiten de stad niet plaats gehad: dus femie.le (niet femie.ldzje fəmi.ldžə, twie.ntig (niet twi.ntšig). |
Om te besluiten een elementje uit de vormleer: wat het pronomen van de 3e persoon mannelijk enkelvoud betreft, schijnt het voornaamwoord 'em (hij) vrij goed stand te houden t.o. het buitenstadse er/ter, ik bedoel dan in de inversie. Mogelijk is deze 'em aan Brabantse expansie toe te schrijven. Hoe dan ook, normale vormen zijn: slip 'em nog? i.p.v. slup ter nog?
Wa hèt 'em? i.p.v. wa hèt ter?
Wa dej. 'em? i.p.v. wa dut ter? (wat doet hij?)
Ik geloof niet dat de Hasselaren ervan wakker liggen. Men hoort bijv. al méér ki.m ter? (komt hij) dan ki.m 'em?
Het is voor mij niet zo makkelijk om koel en zakelijk te staan tegenover deze dialectsituatie, omdat ik er dagelijks midden in sta en ook subjectief reageer op verschillen tussen mijn stadsdialect en dat van mijn buren. Ik woon trouwens in een buurt waar de verschillen al overduidelijk aan het licht treden.
Ik heb sterk de indruk dat het standhouden van de verschillen te verklaren is door affectieve en eerder negatieve reacties, zoals afgunst, aversie, spot en lachlust. Enige imitatiezucht van de kant van de dorpeling, die misschien te verwachten was geweest,
is mij althans niet gebleken, voor zover ik de zaak overzien kan. Of de twee partijen naar elkaar zullen toegroeien, zal de toekomst moeten uitwijzen.
Xavier Staelens