[p. 19]
[Pag. 1.] Tot de iong-frovwen van Friesland
- Vroet-vrouwen van de lust, die met een soete vreughd 1
- Ons' aderen vervuld in 't wassen vande jeughd!
- 't Onsterfelijck geslacht der vloeyende Poeten, 3
- Die hebben in hun dicht de Musen noyt vergeten,
- 5
- Maer eeuwigh in 't begin hun gonsten aengebeen; 5
- Dan ick, ick laetse staen, en kom by u alleen: 6
- Want ghy zijt de Revier (waar woud' ick 't anders halen?) 7
- Daer uyt de stromen van al mijn gedichten dalen. 8
- Iongh-Frouwen groot van roem, wiens dienaer dat ick ben, 9
- 10
- Al wat ick dicht of schrijf, dat stort ghy in mijn pen:
- [2] Ick weet niet aerdighs, noch niet treftighs te versieren; 11
- Ten sy het u belieft my in de kop te stieren. 12
- Och! had ick Heynsij Geest! de defticheyd van Hooft! 13
- En Catsij soete stijl, uyt Paeans hand gerooft! 14
- 15
- Ick sou soo dapper van u hooge schoonheyd roemen, 15
- Dat ghy my soud met recht u trouwe dienaer noemen:
- Dan, wijl ick, soo ick wensch, het niet uytvoeren kan, 17
- Is 't beter dat ick swijgh dan dat ick spreeck daer van.
- Maer hoe! hoe kan 't geschien? wie isser, die niet dol is
- 20
- En spreken kan, die swijght van 't geen zijn herte vol is? 20
|
1 vroet-vrouwen: verweksters; lust: liefde, hartstocht, genoegen.
5 hun gonsten aengebeên: om haar genegenheid gebeden.
9 wiens: wier; dat ick: ik.
11 niet aerdighs: niets bevalligs; niet treftighs: niets van gewicht, niets fraais; versieren: bedenken.
12 belieft: belieft 't; stieren: zenden (mij in te geven).
20 swijght etc.: die verzwijgt, waar zijn hart vol van is.
|
[p. 20]
-
- Iongh-vrouwen dan wel aen, betoond my maer u gonst
- Ghy Musae van u tijd en Moeders van de konst, 22
- Schat-kamers vande vreughd, Revieren, daer de reden 23
- Wtvloeyen, met een glans van treffelijcke zeden! 24
- 25
- O sinnen vol vernufts, met wetenschap beboud, 25
- Waer in de eerbaerheyd haer kuysche woonplaets houd? 26
- Fonteynen van ons lust! vrypostige Goddinnen! 27
- Die door u aerdigheyd verwackert onse sinnen, 28
- Naturaes hooghste roem, die sy op deser aerd
- 30
- Heeft tot een proef-stuck van haer wetenschap gebaerd,
- [3] Tot u ist dat ick kom, barmhertigh van gesichte, 31
- En bidde dat ghy wild doen vloeyen mijn gedichten,
- Betoond my dese gonst, en ick sal wederom
- Verbreyden uwen lof ter plaetsen daer ick kom,
- 35
- En daer ick niet en kom, daer komen mijn Sonnetten,
- Die van u schoonheyds glans doen blasen de Trompetten:
- Maer hoe? wat hoef ik veel te seggen van het geen
- Dat duydelijck genoegh bekend' is yeder een?
- Al trecktmen over Zee, naer Eng'lands ruyme palen 39
- 40
- Daer hoort men tot u roem, uw's schoonheyds roem verhalen,
- Want d'eerste Friesche vrou, die oyt in Eng'land quam, 41
- Was die de Coningh tot zijn echte huys-vrou nam. 42
- Ronixa was het self, die met haer soete oogen, 43
- Syn Coninghlijck gemoed heeft tot haer min getogen. 44
- 45
- Ronixa was de Maeght, het over-soete dier 45
- Dat datelijck zijn hert deed' branden als een vier, 46
- Sy brocht hem eenen dronck, en gaf hem (na de wyse
- Die men in Friesland houd, en die men hoord te prysen) 48
- Een liefelijcke kus, een liefelijcke wond,
- 50
- O kus! o soete kus, van sulcken schoonen mond!
- [4] Du leaver Kingh wachts heyl, dat waren hare woorden 51
- Getempert met een lach, waer door sy hem bekoorden. 52
|
22 Moeders: verweksters, inspiratrices.
24 treffelijcke: voortreffelijke; zeden: manieren.
25 sinnen: gedachten, geesten; beboud met: voorzien van.
27 lust: genoegen, liefde; vrypostige: vrijmoedige.
28 aerdigheyd: bevalligheid; verwackert: opwekt, wakker maakt.
31 barmhertigh van gesichte: met een smekend gelaat.
42 echte huys-vrou: wettige gemalin.
44 haer min: liefde voor haar; getogen: bewogen.
45 over-soete: allerliefste; dier: meisje.
48 houd: heeft, er op na houdt; hoord: behoort.
51 Gij lieve koning, heil U!
|
[p. 21]
-
- Ick sou veel seggen van haer schoonheyd: maer 't mocht schien 53
- Dat ick daer doolden in, want 'k hebse noyt gesien.
- 55
- Dus staeck ick dat verhael: maer soo veel moet ick schryven
- En denck daer tot de dood standvastigh by te blyven:
- Hoe seer hem yder 't zijn te prysen onderwind 57
- Datmen in Friesland noch de schoonste vrouwen vind. 58
- Misschien sal yemand hier beginnen om te rasen 59
- 60
- En seggen, lieve man, hoe staet ghy dus te blasen? 60
- Het schijnt wel ghy begeerd niet dat u mond verbrand,
- Is 't nu in Friesland al, wat 's dan in Engeland? 62
- Ick antwoord, dat men my wel licht'lijck kan betonen; 63
- Dat oock in Engeland seer schoone vrouwen woonen:
- 65
- Maer die zijn voortgeteeld, dat 's meer dan al te wis,
- Van 't Edel Friesch geslacht dat daer gebleven is;
- Doen sy met haren Heer Engisto ginder quamen, 67
- En met een moedigh hart gansch Engeland innamen,
- Waer door Britanyen te voren soo beroemd
- 70
- Doen, naar Engisti naem, wierd Engeland genoemd.
- [5] O dat ick uwe roem, u deughden sou verhalen, 71
- Of uwe schoonheyds glants met myne pen af-malen, 72
- Dat waer niet in mijn macht, te swack is mijn verstand, 73
- Ick sou den Hemel eer bereycken met de hand, 74
- 75
- De zee eer drincken uyt, de bergen eer verplaetsen,
- Ja eer de Donder met mijn hand te rugge kaetsen,
- Neen liefelijck geslacht, ick sou dan Phaeton
- Rechtschapen bootsen na in 't mennen van de Son: 78
- Dan wat ick niet en doe, ontbreeckt my aen mijn krachten: 79
- 80
- Maer geensins aen mijn wil noch gonstige gedachten, 80
- Ghy doet my ongelijck (gelooft het Nimphen vry) 81
- Soo veer ghy anders denckt, gevoeld, of spreeckt van my. 82
- Ick soeck u dienst te doen; en om u te vermaken 83
- Is 't opperste daer ick met lijf en ziel naer hake,
|
53 seggen: kunnen zeggen; 't mocht schien: 't zou kunnen gebeuren.
57 hoe zeer een ieder probeert het zijne te prijzen.
59 hier ... om: hierover; rasen: te keer gaan.
60 blasen: op te scheppen of letterl. vgl. beter hard geblazen dan de mond gebrand.
62 al: het een en het al.
63 betoonen: tonen, bewijzen.
71 deughden: voortreffelijkheden.
72 af-malen: beschrijven.
78 rechtschapen: volkomen; bootsen na: imiteren;
80 gonstige: genegen, welgezind.
81 ongelijck: onrecht; vry: toch.
82 soo veer: voorzover, indien.
83 u dienst te doen: u te dienen; vermaken: behagen.
|
[p. 22]
-
- 85
- Daerom ist dat ick schrijf, daerom ist dat ick dicht,
- Daerom ist dat ick brengh dit lied-boeck in het licht.
- Dees liedtjes, vol vermaecks, vol minnelijcke kluchtjes, 87
- Vol minnelijck geklagh, vol minnelijcke suchtjes,
- Vol minnelijck gequel, vol minnelijck onrust,
- 90
- Die worden uytgedeeld alleen tot uwe lust. 90
- [6] Iongh-vrouwen als ghy die dan eens begind te singen
- Laet de barmhertigheyd dan uyt u boesem dringen,
- Herkauwt en overleght dan eens in u gemoed 93
- Wat pijn u schoonheyds glans den minnaers vaeck aendoet,
- 95
- Hoe dat sy uwe gonst met suchten en met klachten 95
- Iae, duldeloose pijn, gantsch yverigh verwachten,
- Hoe dat sy uwe lof verheffen tot de lucht,
- En hebt dan deernis met haer tranen en gesucht, 98
- U strafheyd varen laet, wilt haer u gonst betoonen
- 100
- En met u weder-min haer trouwe dienst beloonen:
- Op dat een yeder weet, dat binnen Frieslands lijn 101
- De heuschste, schoonste, en beleefste vrouwen zijn.
-
- Den gheheelen uwen
-
- I. Starter.
-
- Gonst Baerd Nijdt.
|
87 minnelijcke: liefdes-.
90 tot uwe lust: om u genoegen te doen.
95 gonst: genegenheid, liefde.
|
|
|