[p. 23]
[8] Inleydingh tot vreughd en gesang * *
- Op de wyse: Van d'Engelsche indrayende dans Londesteyn.
-
- 1.
- Is dit niet wel een vreemde gril?
- 't Sou hier goed haver saeijen syn: 2
- 't Geselschap is dus wonder stil,
- In 't midden vande Wijn:
- 5
- De Wijn die yeders hart ontfonckt,
- En alle swarigheyd verlicht, 6
- Daer by sit men nu noch en pronckt 7
- Met een beveynsd gesicht, 8
- Ey, waerom, doch dus stom, en bedeckt? 9
- 10
- Door goe vreughd, wierd de deughd, noyt bevleckt,
- Hey! wilt dat staken, En u vermaken
- met al wat lust verweckt. 12
-
- 2.
- Wy zijn in 't soetste van ons jeughd, 13
- In 't alderschoonste van ons tijd,
- 15
- Ey dat wy die niet sonder vreughd
- Dus klack'loos worden quijt,
- Wanneer den grysen ouderdom, 17
- De groente van ons jeughd verdort, 18
- Dan komen all' ons lusten om, 19
- 20
- Ons vreughd wordt opgeschort 20
|
* Titel: inleydingh: uitnodiging.
2 n.l. zo stil is het hier.
7 en pronckt: te prijken (stijf zitten).
9 doch: toch; bedeckt: geveinsd, stil.
13 't soetste: aangenaamste.
17 den grysen ouderdom: onderwerp.
18 groente: frisheid; verdort: doet verdorren.
20 wordt opgeschort: er komt een eind aan.
|
[p. 24]
-
- Dus wel an, laet ons dan, wylmen mach, 21
- En de tijd, sullix lijd, tot den dagh 22
- Recht lustigh wesen, vreughd word ghepresen
- En 't lachen in 't ghelagh. 24
-
- 3.
- 25
- [9] Tsa, Iongh-mans of Iongh-vrouwen, seght
- Aen wien ist dat de Roemer staet? 26
- Men sal over dien houwen recht, 27
- Die hem niet omgaen laet. 28
- Want ick weet een die dorstigh is,
- 30
- En garen drincken sou zijn deel, 30
- Vermits hy heel aem-borstigh is 31
- En 't drooght seer in zijn keel.
- Drinckt het leegh, met een veegh, soo is 't wel, 33
- D'Elen baes, die wordt haes, daerom sel 34
- 35
- Hy 't u wel na doen, en sich wat dra spoen, 35
- Hy eyscht gants gheen uytstel.
-
- 4.
- Waerom begind ghy maeghden niet?
- My dunckt een yeder prijckt om 't seerst, 38
- Ey naeste buertje singht een lied,
- 40
- Begindt ghy liever eerst,
- Soo word u hoofd met vreughd bekranst,
- En soo ick yet van 't liedtjen weet, 42
- Ick sal u helpen als een lanst 43
- En singhen dat ick sweet,
- 45
- Weest niet stil, ist u wil, toond u aerd 45
- Vanght eens aen, laet het gaen, geen vreughd spaerd
- Want wy om kluchten, vreughd en genuchten 47
- Alleen hier zijn vergaerd.
|
21 wijlmen mach: terwijl men kan, terwijl wij nog kunnen.
22 sullix lijd: zulks toestaat, duldt.
24 in 't ghelagh: in 't vrolijk gezelschap.
27 houwen recht: recht spreken.
31 daar hij zeer kortademig is.
33 met een veegh: in een omzien, snel.
34 d' elenbaes, die word haes: de beste kerel vermant zich? wordt dwaas?; sel: zal.
35 wat dra: een beetje haastig.
45 ist u wil: alstublieft.
47 genuchten: geneuchten, genoegens.
|