[p. 27]
[10] [Goddinne, wiens minne, mijn sinnen altyd]*
- Stemme: Peckingtons pond.
-
- 1.
- Goddinne, wiens minne, mijn sinnen altyd, 1
- In kracht en gedachten, na trachten om stryd!
- O krone, der schonen! lof-throne des deughds!
- In dy leyd, de vryheyd, de blyheyd mijns Ieughds, 4
- 5
- u deftigh gebaer, u goud-dradigh hayr, 5
- U leden, u zeden, met reden voorwaer, 6
- De Goden, (als boden) doen noden tot min,
- Sy draven, u gaven nae, brave Goddin! 8
-
- 2.
- U hayren, vergaeren, als baeren verguld
- 10
- Met kuyfjes, vol kruyfjes, als druyfjes gekruld, 10
- U ooghjes, pas hooghjes, met booghjes beset, 11
- Bruyn-helder, sien snelder, en felder te met, 12
- Als 't flickerigh licht, van Jupiters schicht, 13
- En ylen, by wylen, als pylen seer dicht,
- 15
- In 't harte, vol smarte, ia marteren dien, 15
- Te spade, moet rade' en genade geschien. 16
-
- 3.
- [11] U mondtje, dat stond, me in 't ronde ten thoon,
- Dat fyne, Robynen, nau schynen, soo schoon, 18
- U tanden, als randen kleyn van wit yvoor,
- 20
- Die pronckten, en bloncken, als voncken daer door,
|
1 goddinne: geliefde; wiens minne mijn sinnen na trachten: naar wier liefde mijn geest streeft.
5 deftigh: ernstig; gebaer: manier van doen.
8 draven nae: streven naar; brave: krachtige, degelijke.
11 pas hooghjes: op gepaste hoogte.
12 bruyn-: donker-; te met: soms.
15 marteren: martelen, kwellen; dien: hem, wien.
16 spade: laat; moet: moge; rade': uitkomst; genade: geluk, gunst; geschien: te beurt vallen.
18 nau: nauwelijks; schijnen: schitteren.
|
[p. 28]
-
- U halsjen in 't rond, soo cierelijck stond,
- Daer d' aeren, soo klare, deur waren ghegrond, 22
- Dat het vast meer albaster scheen, als te'ere vleys
- O schoone persone! wat kroon is u eys? 24
-
- 4.
- 25
- By posen, soo blosen, als rosen, in snee- 25
- Wit laecken, u kaecken, vermakende me 26
- Diens ooghen, die poghen het hooge ongemien 27
- Cieraet, van u staet, en ghelaet, te besien. 28
- O lieflijcke kin! ghesteld na mijn sin, 29
- 30
- By de top, van u krop, met een dopje daer in, 30
- Ghy soud me de oude, verkoude, seer haest 31
- Doen 't minnen, beginnen, met sinnen verbaest. 32
-
- 5.
- Lofwaerde, bedaerde, soetaerdighe beeld! 33
- O vreugd van mijn jeugd mijn geneugt en mijn weeld 34
- 35
- Seght my nu, sijt ghy schu, van die u met vlijt,
- Sijn leven heeft even verheven altijd? 36
- O schoone die my, beyd droevigh en bly, 37
- Naer u haken, kond raken, te maken, laet dy 38
- Dees klagende, vlaghen, mishaghen, en send
- 40
- Mijn lydende tyden, 't verblyden in 't end. 40
|
22 aeren: aderen; waren ghegrond: waren aangebracht.
24 wat kroon is u eys: welke kroon verlangt gij, met welke vorst wenst gij te huwen.
26 vermaken: behagen; me: ook.
27 diens ooghen: de ogen van hen, die; ongemien: zeldzaam.
28 staet: stand; ghelaet: uitdrukking.
29 ghesteld: geplaatst, gevormd.
31 verkoude: afgekoelde, koele; haest: spoedig.
32 sinnen: geest; verbaest: verbijsterde.
33 lofwaerde: prijzenswaardige; soetaerdigh: liefelijk.
34 mijn jeugd: mij, die jong ben.
36 sijn leven: zijn leven lang; even: gelijkelijk; heeft verheven: heeft verheerlijkt.
37 beyd ... en: zowel ... als.
38 het klaar speelde mij naar u te doen verlangen.
40 mijn tyden: mijn leven.
|