[p. 29]
Trou-Dicht
ter eeren d'Heere Erich Brahe, Steyn-soon, Heer tot Knusdorf, &c. en Iuff. Lucia van Eysinga *
- In 't midden vande nacht, doen 's Hemels blauwe rocken 1
- Met een ghesterde kleed heel waren overtrocken: 2
- Doen d' aerdsche Cirkel was van Phoebi glans beroofd,
- Vermits hy leyde neer de stralen van zijn hoofd,
- 5
- En ick op 't aldersoetst was van mijn slaep gelegen,
- Is Morphaeus den droom uyt zijn spelonck gesteghen,
- O droom! o soete droom! my dochte daer ick lagh 7
- Dat ick de kleyne God Cupido voor my sagh,
- [12] Cupido was het selfs, die duydlijck tot my seyde, 9
- 10
- Nu wil ick eerst myn lof door al de Werld verbreyden:
- Al leght ghy nu en slaept, noch sal ick u doen sien 11
- Het gene noch eer langh in Friesland sal geschien. 12
- Ghy hebt voor leurery, daer niet was aen bedreven, 13
- Geacht tot heden toe, wat de Poëten schreven
- 15
- Van myn verheven macht, ghy hebt oock noyt gelooft,
- Dat ick den trotsen Mars had van syn kracht berooft,
- En hem bedwongen flucx de Krygh te laten steken, 17
- En Venus om haer min te bidden en te smeken.
- Maer beyd (al syt ghy schoon dus godloos van vermoen) 19
|
* E. Brahe, Bestalter Hopman der Ver. Nederlanden, Rijksraad in Denemarken, † aldaar 5 nov. 1624. Trouwde 3 juli 1616 te Leeuwarden met Lucia (Lisck) van Eysinga, geb. 24 maart 1595, dochter van Aede, raadsheer in het Hof van Friesland. Titel: ter eeren: ter ere van.
1 rocken: uitspansel; doen: toen.
2 ghesterde kleed: kleed met sterren; heel: geheel.
7 daer ick lagh: terwijl ik daar zo lag.
11 en slaept: te slapen; noch: toch.
13 leurery: iets onbeduidends; daer niet was aen bedreven: waar niets mee te bereiken viel.
17 bedwongen: gedwongen; flucx: onmiddellijk; krygh: krijgsbedrijf; laten steken: staken.
19 al ... schoon: ook al; dus: zo; vermoen: veronderstelling.
|
[p. 30]
-
- 20
- Ick sal u wel terstont wat anders mercken doen. 20
- Hy had het nauw geseyd, of hy was voort verdwenen, 21
- En daer is in syn plaets een Krygs-Held we'er verschenen,
- Wiens wesen bloosend rood, staegh bly-koleurigh stond, 23
- En een Gold-g'lycke baerd verçierden hem de mond.
- 25
- Een wonder groot vernuft men merck'lyck kond' bespeuren, 25
- Te stieren syn gedaent in blydschap en in treuren. 26
- Zyn oogen als een git, die stonden na syn sin, 27
- Dan soet, dan straf, dan weer vol lieffelycke min. 28
- Maer ach! wat had hy le'en, twee beenen als pylaren,
- 30
- De stercke steunsels van syn trotsche lichaem waren.
- En wyl ick noch dus stond star-oogend op syn le'en, 31
- Een over-schoon Godin hem aen syn sy verscheen,
- Ick schrickte van 't gesicht, en dachte in myn sinnen,
- Is dit een mensch, of is het een van de Goddinnen?
- 35
- [13] Nu, 't sy Vrou, of Godin, of wat het wesen mach,
- Ick sweer by al de Goon, dat ick noyt schoonder sagh.
- Haer blond gekruyfde hayr mocht 't goud soo wel gelycken, 37
- Dat self de Son daer voor in glans sou moeten wycken, 38
- Om schoon Helenae wil is dapper veel geschied, 39
- 40
- Maer dat sy dees Godin geleeck, geloof ick niet,
- Haer voorhoofd hoogh en breed, so braef en uytgelesen, 41
- Dat het een Silv'ren Bergh scheen duydelyck te wesen. 42
- Twee oogen als een Git of Diamanten fyn 43
- Haer teysterden in 't hooft gelyck een Sonnen-schyn, 44
- 45
- Die wist sy na haer wil, dan lodderlyck te swieren, 45
- Dan met een fier gelaet heel deftigh weer te stieren. 46
- Haer wesen Prinçelyck was soo vol Majesteyts, 47
- Dat ick noyt in een Vrou sagh soo veel deftigheyds,
- Op haer sneeu witte vel, heel lieffelijck te blosen
- 50
- Stonden haer wangetjens gelijck twee roode Rosen,
|
20 mercken doen: duidelijk maken.
21 nauw: nauwelijks; voort: dadelijk.
23 wesen: gelaat; staegh: steeds.
25 wonder: zeer; merck'lyck: duidelijk.
26 stieren: (be)sturen, beheersen; gedaent: houding; treuren: droefheid.
27 als een git: als git; na syn sin: al naar zijn humeur.
28 soet: liefelijk; straf: streng.
31 wyl: terwijl; star-ogend op: te staren naar.
37 gekruyfde: gekrulde; mocht: zou kunnen.
38 self de Son: de zon zelf; wycken: onderdoen.
39 ter wille van de schone H.; dapper veel: zeer veel.
42 scheen duydelyck: duidelijk scheen.
44 haer ... in 't hooft: in haar hoofd; teysteren: flikkeren, bewegen.
45 na: naar; dan ... dan: nu eens ... dan weer; lodderlyck: liefelijk; swieren: laten zwerven.
46 gelaet: voorkomen; deftigh: ernstig; stieren: sturen.
47 haer wesen prinçelyck: haar vorstelijk gelaat.
|
[p. 31]
-
- Haer kin, niet uyterlijck, maer maet'lijck breed en rond 51
- Verçierde met een kloof haer welgestelde mond. 52
- Haer lipkens als een kars, heel lodderlijck omranden, 53
- Den kleynen silv'ren boogh van haer yvooren tanden.
- 55
- Ach, haer albast'ren hals, daar sneeu en Cristalijn 55
- Veel minder noch als niet in held'righeyt by zijn, 56
- Haer schoonheyd beelden uyt, soo haest sy maer eens lachten, 57
- Het welck ick duyd'lijck sagh als 'k op haer gorgel achten, 58
- Haer borstjens hard en rond veel blancker als yvoor
- 60
- Daer schenen met een glans die blaeuwe aderen door.
- [14] Wat wil ick veel haer le'en van stuck tot stuck beschryven,
- Ick sou de gantsche dagh daar me wel besich blyven,
- En rechten noch niet uyt. Om haer te prysen recht 63
- Is myn begryp te kleyn, en myn verstand te slecht, 64
- 65
- Naer desen wenden hem de Iongman met syn ogen, 65
- En heeft voor haer syn knien gansch nederigh gebogen,
- En seyde: (so my dunckt, na myn onthouden) dit: 67
- O schoone! die myn ziel volkomentlyck besit,
- O schoone, die myn geest, o schoone, die myn sinnen
- 70
- Bedwongen hebt, om u dus vierigh te beminnen. 70
- Aensiet myn lyen doch, en de stantvastigheyd 71
- Daer mijn te heete min syn trouw op heeft geleyd. 72
- O schoone Vyandin! ick hebbe noch tot heden,
- Heel vruchteloos voor u gestort al myn Gebeden. 74
- 75
- En isser dan, Godin, barmhertigheyd in u? 75
- Ick bid u toond het doch u trouwe Dienaer nu.
- Of soo ghy uyt zijn dood kond scheppen u vermaken, 77
- Hy sal met dit geweyr wel aen het sterven raken. 78
- En wild ghy dat hy leefd soo helpt hem uyt de nood,
- 80
- Ach! gund hem een van tween, het leven of de dood.
- Ick ken wel, o myn Son (u schoonigheyd aensiende) 81
- Dat ghy veel hooger Heer, als die u vryd, verdiende.
|
51 uyterlijck: (te veel) naar voren; maet'lijck: naar behoren.
52 kloof: kuiltje; welgesteld: goed gevormd.
56 (waar) bij (vergeleken) sneeuw en kristal, wat helderheid betreft, nog veel minder dan niets zijn.
57 beelden uyt: deed uitkomen; soo haest: zodra.
58 gorgel: keel; achten: lette.
63 en rechten noch niet uyt: en nog niets tot stand brengen; recht: naar verdienste.
64 slecht: gewoon, onbeduidend.
65 naer desen: naar haar; hem: zich.
67 na myn onthouden: voorzover ik het onthouden heb.
72 op heeft geleyd: op heeft gevestigd.
77 u vermaken: uw genoegen.
78 geweyr: wapen; wel: zeker.
|
[p. 32]
-
- Ick weet wel dat u deughd en schoonigheyd, de min
- Verdienen van die u kan maken Koningin:
- 85
- Maer laes! (myns levens vreughd) myn mannelijcke zinnen 85
- En konnen niet als 't geen gantsch Prins'lyck is, beminnen. 86
- [15] U treffelijcke gangh, u Goddelijck gesicht, 87
- U Prinçelijck ghelaet, is al mijns levens licht.
- Laet my doch wederom, Prinçes, u liefd' beerven. 89
- 90
- Och waer met is u min (seght Iuffrou) te verwerven? 90
- Verwerftmen die door liefd, of trouheyd van gemoe?
- So komt my daer alleen de hooghste prijs van toe. 92
- Verwerft men die door goet, of overvloed van haven? 93
- Soo danck ick dan de Goon voor al haer milde gaven. 94
- 95
- Verwerft men die door roem van treffelijck geslacht?
- Soo danck ick d' olde stam, die myn heeft voort ghebracht,
- Of wilt ghy die op pracht van lijf en le'en besteden? 97
- Soo danck ick oock de Goon voor mijn gesonde leden.
- Aensiet mijn wesen, 't welck het boeck is van mijn hert, 99
- 100
- En oordeeld eens daer uyt mijn lyden en mijn smert. 100
- Ach, troost my doch mijn troost, siet hoe ick mijn verneder 101
- Gund voor mijn trouwe dienst my doch u liefde weder.
- Doe sprack de Iuffrou weer, o Chrijgs-held, dat ick dus 103
- My heb voor u geveynst, dat boet ick met een kus. 104
- 105
- Ick had wel over langh besloten in mijn sinnen, 105
- Dat ick geen ander man als u sou willen minnen:
- Maer het bedrogh datmen nu hedens-daeghs hanteerd, 107
- De vrouwen tot haer schaed' wel vaeck het veynsen leerd.
- Doch doen ick duydlyck sagh, (o roem van alle Helden!)
- 110
- Dat u volmaeckte jeughd sich in mijn veynsen quelden, 110
- Wat stond my doe te doen: een onbeveynsde vlam 111
- Wierd noyt verborghen datse niet te voorschijn quam. 112
- Ick kon, (hoewel de schaemt daer sterck wou tegen steygeren) 113
- Mijn weder-min aen u, mijn lieve lief, niet weygeren,
|
85 laes: helaas; zinnen: geest.
86 prins'lyck: vorstelijk.
87 treffelijcke: voortreffelijke; gesicht: blikken.
89 wederom: in ruil; beërven: verwerven.
90 Iuffrou: jonkvrouw, liefste.
92 my daer alleen ... van: mij alleen daarvan.
97 besteden ... op: geven in ruil voor.
100 oordeeld: schat; daer uyt: daar naar.
104 my heb geveynst: heb geveinsd, mij anders heb voorgedaan dan.
105 over langh: allang, sedert geruime tijd; sinnen: geest, ziel.
107 hanteerd: beoefent, in praktijk brengt.
112 noyt verborghen datse: nooit zo verborgen dat ze.
113 steygeren: zich verzetten.
|
[p. 33]
-
- 115
- Ick kies u tot mijn lief, mijn hoop, mijn troost, mijn Heer.
- Ick danck u, ô mijn vreughd, sprack doe de Iongh-man weer,
- Nu wil ick in mijn hert met gulde letters schryven
- Ghy syt mijn liefste, en ghy sult mijn liefste blyven.
- 't Was niet soo haest geseyt, of sy verdwenen voort, 119
- 120
- En Cupid' in haer plaets quam my doe weer aen boord,
- Die seyde lieve man, wat leght ghy in u slapen
- Na 't gheen ghy hebt gesien, dus in u geest te gapen? 122
- De Iongh-man die ghy saegt, was den manhaften Bra,
- En d'edele Prinçes was Iuffrou Eysinga. 124
- 125
- Ick hebse wel soo sterck gebonden alle beyden
- Dat niemand als de Dood (mijn vyand) haer kan scheyden, 126
- En mits haer Bruylofts Feest, de naeste woensdagh sy, 127
- Siet, soo begeer ick nu heel yverigh, dat ghy 128
- Ter eeren van de twee ghelieven, voort wilt dichten
- 130
- Een vrolijck Bruylofts-lied om alle vreughd te stichten. 130
- Mits sprongh ick uyt den slaep, en dacht dit vreemd gesicht 131
- Moet ick van stonden aen gaen stellen in 't ghedicht. 132
- Ick nam flux pen en inckt, en doen het was geschreven,
- Gingh ick my op de straet by goede kunde geven, 134
- 135
- Daer sprack een met der haest ('t was my een soet geluyd): 135
- Nu is Lucia Eysinga met Erich Bra de Bruyd,
- 't Was my genoegh geseyt, ick docht kan dan de dromen 137
- De klare waerheyd dus flux op de hielen komen? 138
- [17] Soo ist best dat ick voort, na Cupidoos bevel, 139
- 140
- Tot dees gheliefkens eer, my tot het dichten stel. 140
- Wel dan, o Bruydegom, die van soo verre stranden
- Comt, en onthaeld ons hier de Phoenix onser landen, 142
- Een eenigh dochter daer ick wel van roemen mach 143
- Dat 'k haers gelijcke nau, veel min oyt schoonder sagh 144
- 145
- Van adel, kuyscheyd, deughd, en wel ghemaeckte leden, 145
- De rechte roem en 't puyck van alle Friesche steden, 146
|
119 niet soo haest: nauwelijks; voort: dadelijk.
127 mits: daar; sy: zal zijn.
130 alle: niets dan; stichten: verwekken.
131 mits: inmiddels; sprongh: werd wakker.
132 van stonden aen: dadelijk.
134 kunde: kennissen; geven: begeven.
135 een: iemand; met der haest: onmiddellijk; soet: aangenaam.
137 't was my genoegh geseyt: ik wist nu genoeg.
138 klare: zuivere; op de hielen komen: nabij komen.
139 best: het beste; na: naar, overeenkomstig.
142 onthaeld: ontrooft, berooft van.
143 roemen: prijzend verklaren.
145 wel ghemaeckte: welgevormde.
146 de rechte roem: terecht de roem.
|
[p. 34]
-
- Die, met haer soet ghesicht, en zeden heeft gheveld 147
- Soo menich Edel-man en dapper strijdbaer Held,
- Die sy soo met haer min, wist innerlijck te quellen,
- 150
- Dat al ons land daer van ghenoegh weet te vertellen. 150
- Dies segh ick dat ghy meught van onverwelckbaer stof 151
- Trophéen rechten op, tot teycken van u lof, 152
- Want ghy gaet met de Bruydt, gelijck een Crijghsman strijcken,
- En laet de Friesen na met blaeuwe schenen kijcken. 154
- 155
- En ghy o schoone Bruydt, die met u soete ooghen
- Een soo volmaeckten man hebt tot u min getoghen, 156
- Een man die van geslacht, van rijckdoms overvloed,
- Van welgemaeckte le'en, van mannelijck ghemoed,
- Van wijsheyd, achtbaerheyd, van loffelijcke deughden,
- 160
- Van bly-geestigh gemoed, en minnelijcke vreughden 160
- Soo dapper is voorsien, dat hy de soete min 161
- Wel waerdigh waer van een gheboren Coningin.
- Ick wensch u veel gelux, en alles wat een mensch
- Sou konnen vanden Heer, begeeren met een wensch.
- 165
- [18] Ick wensche dat de vreughd en minne van u beyden
- Mach duren tot de dood u zielen komt te scheyden.
- Nu houd, mijn Musa houd, ghy maeckt het al te langh, 167
- Het wachten valt dees twee geliefkens al te bangh.
- De duysternis des nachts van Venus uytverkoren, 169
- 170
- Verdwijnd nu, en de dagh begind vast door te boren. 170
- Het soete lieve paer, dat siet malcander aen,
- En dencken in haer sin, och, was dit eens gedaen, 172
- Sy souden tot de strijd haer garen gaen bereyden 173
- Daer niemand dood en blijft, noch niemand hoeft te scheyden. 174
- 175
- Wel Bruydegom, wel aen, ick weet wel hoe het hoord,
- Sa Iufferkens komt aen, en helpt de Bruyd doch voort. 176
- Wel hoe vrouw Bruyd, wat 's dit? hoe sit ghy dus te peynsen? 177
- Wild ghy u nu quansuys oock voor 't gheselschap veynsen? 178
|
147 soet: liefelijk; gesicht: blik; zeden: manieren.
150 al ons land: ons gehele land.
151 dies: dus, daarom; onverwelckbaer: onvergankelijk.
152 rechten op: oprichten; u lof: de lof, die u toekomt.
154 blaeuwe schenen: een blauwtje, afwijzing; na ... kijcken: nakijken.
156 u min: liefde voor u.
160 minnelijcke: liefdes-.
167 houd: stil; al te: zeer.
170 vast: bijna; boren: breken.
172 en dencken in haer sin: en denkt bij zichzelf; eens: maar eens.
173 garen: gaarne; haer: zich.
174 dood en blijft: sterft.
176 sa: toe; komt aen: komt dichterbij; voort: weg, hier vandaan.
178 hem veynsen: zich (anders) voordoen (dan men is); quansuys: in schijn.
|
[p. 35]
-
- Ick hoop niet dat ghy u nu van de strijd verveerd, 179
- 180
- Ghy weet te meer den wegh, en hebt de spraeck gheleerd,
- En ist u uyt den sin, (wilt vry u sorghe staken)
- De Bruydegom sal 't u wel weer indachtigh maken.
- Het kan my missen, maer ick sie hem daer voor an, 183
- Dat hy van een Iuffrou, veel Iuffrous maken kan. 184
- 185
- Nu soete Iufferkens gaet met de Bruydt vry decken,
- De Bruyd'gom meend in 't ernst, hy wil daer niet met gecken, 186
- Nu dan, waer wacht ghy na? geeft haer den laetsten soen, 187
- Het ghene dat ghy laet, dat sal den Bruyd'gom doen.
- Of wild ghy al te saem eerst en voor alle dingen,
- 190
- Tot het geselschaps vreughd dit liedtken helpen singen? 190
|
179 u verveerd: bang zijt voor.
183 het kan my missen: ik kan me vergissen.
184 Iuffrou: Jonkvrouw; vry: maar; decken: beschermen.
190 tot het geselschaps vreughd: tot vreugde van het gezelschap.
|
|
|