[p. 36]
[19] Scheyd-lied,*
Op het vertreck van Iuffrou Lucia van Eysinga naer Denemarcken by haren man d'Heere Erich Brahe. *
- Stemme: O nacht jaloursche nacht.
-
- Bedroefd u nu met recht ghy welgemoede Friesen,
- Want d' hooghste hovaerdy, de schoonheyd, het çieraet, 2
- De peerle van u land, die sult ghy nu verliesen,
- Kom sietse noch eens na, nu sy te schepe gaet.
-
- 2.
- 5
- 't Schijnd dat de zee en 't land nu sterck te samen stryden, 5
- Om 't wenschelijck genot van sulcken schoonen buyt, 6
- Maer laes de Zee die wint, het land dat moet het lyden, 7
- Men treckt met groot geweld het schip ten haven uyt.
-
- 3.
- Vaert wel Goddin, verçierd met alle de çieraden 9
- 10
- Die oyt den Hemel heeft een sterflijck mensch verleend,
- Het schip van blydschap springht, om dat het heeft geladen 11
- De deughden al te saem in eenen Vrou vereend.
-
- 4.
- [20] Siet hoe de trotsche Zee van vreughd begind te schuymen,
- Om dat se op haer rugh soo schoonen Nimpha voerd:
- 15
- De zeylen swellen op van hoovaerdy, en ruymen
- De schooten, als den Wind haer nae den eysch aenroerd. 16
|
* Titel: scheyd-lied: afscheidslied; Iuffrou: jonkvrouw.
2 hovaerdy: (oorzaak van) trots.
5 te samen: d.w.z. tegen elkaar.
7 laes: helaas; lyden: toestaan, dulden.
9 verçierd met: voorzien van.
11 van blydschap springht: springt van blijdschap.
16 den wind: onderw.; nae den eysch: zoals behoort.
|
[p. 37]
-
- 5.
- O schoone Son vaerd wel, ick wensche dat den Heere
- U alle voorspoed op u groote reys toesend,
- Dat regen, wind, noch zee, noch lucht u yet mach deeren, 19
- 20
- Tot dat ghy by u lief, u brave Brahe bent. 20
-
- 6.
- Ick wensche dat u reys geluckigh mach gedyen, 21
- Dat d' ende daer van sy 't beginsel van u vreughd, 22
- En u (met uwen Bra braverende) verblyen, 23
- Ia wat u soete hert begeerd genieten meught. 24
|
|