[p. 38]
[21] Wellecomst-ghesangh,
gesonghen door de Friesche Maeghd, op de weder-komste van d'Heere Erich Brahe. ende Iuffrou Lucia van Eysinga. *
-
- De Friesche maeghd.
- Wat schijnd daer voor geraes te schat'ren in mijn ooren?
- Wat is het voor gherucht, dat ick daer schijn te hooren? 2
- Den Hemel galmt daer van, men roept vast om end' om, 3
- Lisck Eysinga die komt, die komt daer wederom. 4
- 5
- O overbrave vrou, van d' Hemel uytvercoren, 5
- En al de Wereld tot verwonderingh gheboren. 6
- Pronck-peerle van mijn Croon, Goddinne, dien ick noem,
- Mijn pracht, mijn hoovaerdy, mijn eer, mijn hoogste roem, 8
- Ick heet u wellekom, o wellekom van harten,
- 10
- Die met u schoonheyd meughd all' and're schoonheyd tarten. 10
- In wien Natura selfs haer eere heeft betracht, 11
- En al haer wetenschap volcomentlijck volbracht.
- O wellekom Goddin dien ick heb willen kiesen,
- Als voorbeeld vande glans en schoonheyd vande Friesen.
- 15
- En dien ick als een pronck en eere van haer land
- Te worden omghevoerd, alleene waerdigh vand. 16
- Ick weet, doen ghy gestrand waert, riepen al de Denen, 17
- Op aerden heeft de Son noyt schoonder vrou beschenen:
|
* Titel: weder-komste: terugkomst; Iuffrou: Mevrouw.
3 vast: steeds; om end' om: al maar in het rond.
5 overbrave: zeer flinke; van: door.
6 en geboren opdat de gehele wereld zich over haar verwonderen zou.
8 mijn hoovaerdy: (oorzaak van) trots (voor mij).
11 selfs: zelf; betracht: gestreefd naar.
16 omghevoerd: rondgeleid; vand: (be)vond.
17 doen.: toen; gestrand: aan land gekomen.
|
[p. 39]
-
- Men hoorde niet een mensch yet anders segghen, dan, 19
- 20
- Daer komt het voorbeeld van de Friesche schoonheyd an.
- O vrienden, dits een vrou, neemt nu eens af by desen, 21
- Wat moeten in dat land al schoone Maeghden wesen.
- Dat waren hare re'en, en die u glans mocht sien, 23
- Die achte sich te zijn, de salighst van de li'en.
- 25
- De Coningh schrickte selfs, en bleef schier opgetoghen, 25
- Doen uwe schoonheyd stond te schem'ren voor sijn ooghen, 26
- En dacht (soo haest hy sagh u braef ghestaltenis) 27
- Geluckigh is het land daer sulcken vrou-volck is. 28
- Nu (sprak hy) is 't niet vreemd het geen men heeft geschreven 29
- 30
- Dat vanden Coninck sou van Eng'landt sijn bedreven. 30
- Die d'eerste Friesche vrouw, die oyt in Eng'landt quam, 31
- Versocht tot zijn ghemael, en tot zijn huysvrou nam. 32
- Wie isser, die niet soud' aensiende sulcke vrouwen,
- Haer soecken in zijn land met alle vlijt te houwen?
- 35
- Hy heet u wellekom, en haeld u als Goddin,
- En peerle van zijn land triumphelijcken in. 36
- Hoe menichmael heeft hy u byder hand ghenomen?
- En met u omghedanst, en weer by u ghekomen? 38
- Heeft hy u niet, Goddin, en u geselschap beyd 39
- 40
- Op zijn onwinbaer Slot met achtbaerheyd gheleyd? 40
- En u daer laten sien syn schatten en juwelen,
- Sijn dierbare gesteent (gheweygert aen soo velen) 42
- d'Eer die u daer in 't land (mijn Engel) is geschied,
- Die laet ick in de pen, en die verhael ick niet,
- 45
- Want, dat ick daer wou staen thien daghen van te schryven, 45
- Noch souder (dat gaet vast) veel ongeschreven blyven. 46
- [22] O cierlijcke cieraad, die my soo seer vermaeckt, 47
- En tot den hooghsten top van alle schoonheyd raeckt,
- Wiens deftighe gelaet, wiens cierelijcke reden, 49
|
21 dit 's een vrou: dit is nog eens een vrouw; neemt ... af by desen: maak uit deze op.
25 de Coningh ... selfs: zelfs de koning; schier: weldra; bleef ... opgetoghen: werd ... verrukt;
27 soo haest: zodra; braef: edele; ghestaltenis: gestalte.
28 sulcken vrouvolck: zulke vrouwen.
29 nu is 't niet vreemd: nu begrijp ik.
30 dat: wat; bedreven: gedaan.
32 versocht: vroeg; ghemael: gemalin.
36 triumphelijcken: in triomf.
38 omghedanst: rondgedanst.
39 u geselschap: uw man; beyd: beide (u en uw man).
40 achtbaerheyd: eerbetoon.
42 gheweygert: (waarvan het bezichtigen geweigerd is).
46 dat gaet vast: dat mist niet.
49 wiens deftighe gelaet: wier ernstige manieren.
|
[p. 40]
-
- 50
- Wiens deughdelijck gemoed, en welghemaeckte leden, 50
- De wyste vande Werld vermagh te maken stom,
- Ick heet u wederom met vreughde wellekom.
- De Heere sy ghelooft, die u heeft willen sparen,
- En op u groote reys voor ongheluck bewaren.
- 55
- Die u heeft voort gebraght, doen worden die ghy syt, 55
- De peerle van mijn Croon, de Phenix van u tijd.
- Tot noch toe heb ick in Ronixa myn behaghen
- Gesteld, en oock op haer mijn hooghste roem gedragen,
- Ronixa segh ick, die het Coninghlijck gemoed
- 60
- Van groot Brittannyen deed branden in een gloed,
- Deed branden in een gloed, een gloed van reyne minne,
- Ja soo dat hy haer heeft getroud als Coninginne,
- O roem! o groote roem! die eerste Friesche Maeghd
- Die oyt in Eng'landt quam, den Coningh soo behaegd
- 65
- Dat hy zijn trotsch gemoed niet langer kon betomen,
- Maer heeft haer tot zijn vrou, zijn Echte vrou genomen. 66
- Dan dese quam hem t' huys, dees quam hem in de hand, 67
- En ghy, ghy blijft alhier, ghy blijft hier in u land,
- Daer komt den trotschen Held, de roem van alle Deenen,
- 70
- Die met een Hartogin met eeren mocht vereenen, 70
- Die alle landen had van Christenrijck deur-reyst,
- En over al gesien wat het gesicht vereyst, 72
- De schoonste schoonen daer oyt eenigh mensch van hoorden,
- Maer nimmer een soo schoon, die hem tot min bekoorden,
- 75
- Die segh ick komt by u, hy siet u schoonheyd aen,
- Doe stond hy als verbaest, doe wast met hem ghedaen, 76
- U hayren, daer de Son zijn glans van schijnd te halen,
- U voorhooft als yvoor, u lippen als Coralen,
- U ooghen als een git vol soete soetigheyd 79
- 80
- U Princelijck gelaet, u brave deftigheyd, 80
- U treffelijcke gangh, u wel gestelde leden, 81
- U heuscheyd, u vernuft in 't kav'len van u reden, 82
- Maer boven alle dingh, de deughd van u gemoed,
- Doorwonden inder yl zijn welgeboren bloed,
|
50 deughdelijck: rijk aan deugden.
55 doen worden: heeft doen worden.
66 echte vrou: echtgenote.
67 dan: maar; dese quam hem t' huys: deze kwam hem thuis opzoeken; quam hem in de hand: kwam ongezocht in zijn bereik.
70 vereenen: zich verenigen, huwen.
72 vereyst: verlangt (te zien).
76 verbaest: verbijsterd, verslagen.
79 vol soete soetigheyd: vol aangename liefelijkheid.
80 princelijck: vorstelijk; brave deftigheyd: edele ernst.
81 treffelijcke: voortreffelijke; wel gestelde: goed gevormde, goed geproportioneerde.
82 in 't kav'len van u reden: redenering.
|
[p. 41]
-
- 85
- U lieffelijck gelonck, Goddin, dat was de schichte, 85
- Die desen soeten brand in syne boesem stichte, 86
- U lodderlijck gegluer, had zijn manhaftigh hert 87
- Doornagelt met de min, een ongewoone smert.
- Ghy waert de dool-hof voort van alle zijn gedachten, 89
- 90
- Hy storte voor u neer de stromen van zijn klachten,
- Hy ruste dagh noch nacht, maer heeft u staech gevleyd, 91
- Tot dat ghy hem op 't laest u trou hebt toegeseyd.
- O wel gewenste paer! van d' Heere soo gesegend, 93
- Als oyt den Hemel heeft beschenen of beregend, 94
- 95
- Cieraet van desen Eeuw! ick heet u wederom 95
- Met een verheughd gemoed van herten wellekom
- Wat zullen nu hier toe der Nydris tongen seggen, 97
- Die naer u ondergangh vergeefs te wachten leggen: 98
- Die yder een soo slim gewittight hebben, van 99
- 100
- De trouwe, die ghy deed, met sulcken braven man? 100
- En hadden wel gesien haer opperste behagen,
- Zoo veer het qualijck u had komen te beslagen? 102
- Wat ist? sy moeten sien, tot haer misnoegen, aen, 103
- U lof en u geluck op 't alderhooghste gaen.
- 105
- Hoe mach de Wereld soo verkeerd zijn van gedachten? 105
- En d' een den and'ren soo genegen te verachten?
- Als d' Hemel d' eene mensch een groot geluck toe vlijd, 107
- Die word dan daedlijck van zijn mindere benijd.
- Misgunders van haer vreugd! och! had ghy doch geswegen, 109
- 110
- Tot dat ghy saeghd hoe dat de sake was gelegen,
- Dat waer noch yet geweest, nu hebt ghy afgemaeld 111
- U nydigh hert, en vind u vande wegh gedwaeld. 112
- Siet nu bevind ghy in u meningh u bedroghen,
- En wat ghy hebt geseyd bewijst de tijd gelogen, 114
- 115
- Ach! d' opper-Heere die veranderd doch u sinnen, 115
|
87 lodderlijck: lieftallig.
89 voort: verder, voortaan, onmiddellijk.
91 staech: voortdurend; u gevleyd: uw zin gedaan.
93 wel gewenste: zeer beminde.
94 als: als (welk ander paar ook dat).
98 naer: op; te wachten leggen: liggen te wachten.
99 slim: kwaad; gewittight: verwittigd, voorspeld.
100 trouwe doen: een huwelijk(s belofte) doen; braven: flinke.
102 zoo veer: voor zover, indien; het qualijck u had komen te beslagen: het slecht met u uitgevallen was.
103 sien ... aen: aanschouwen.
105 mach: kan; verkeerd: slecht.
107 vlijd: schikt, beschikt.
111 afgemaeld: doen kennen.
114 gelogen: gelogen te zijn.
|
[p. 42]
-
- En gunne dat ghy mooght malkanderen beminnen
- Die geef dat ware liefd' aen uwe herten grenst, 117
- En niemand d' ondergangh meer van den ander wenst.
- De tijd die is doch kort die u hier is gegeven,
- 120
- Wilt die in vriendschap met malkanderen beleven. 120
- Wel dan gesegend paer, hier met beveel ick u 121
- Des opper-Heeren schut, en segh u voort Adieu. 122
- [23] Och dat ghy soo veel vreughds genoot als ick u wensche, 123
- Geluckigh soud ghy zijn ver boven alle menschen,
- 125
- Gelooft, gelooft het vry, ick wensch u soo veel vreughd,
- Als aende blaeuwe lucht ghy Sterren tellen meught, 126
- Dat Hemel, Aerd', en Hel, eer mengel deur malkander 127
- Als dat uw liefd' in haet, u vreughd in druck verander. 128
- Och dat ick by u moght gestadigh blyven staen! 129
- 130
- Dan sou het na mijn wensch en na mijn wille gaen. 130
- Hoe garen soud' ick al des Werelds vreughden laken 131
- En in u schoon gesicht alleene my vermaken, 132
- Maer vrolijcke Juffrou (hoe seer het my oock spijt)
- Ick moet, ick moet van hier gedwongen door de tijd,
- 135
- Ghy weet hoe my den Heer der Heeren heeft gesegend,
- En wat my al gelucx tot heden is bejegend: 136
- Ja dat (na mijn begrijp) geen landschap sou by mijn 137
- In vruchten noch gewas, geleken mogen zijn, 138
- Want dat laet d'opper-Heer soo overvloedigh groeijen,
- 140
- Dat yder segghen sou, het suyvel hier te vloeijen, 140
- Kaes, botter, honich, melck, dat vloyter allegaer,
- Niet anders dan of dit 't land van beloften waer.
- Mijn Grensen zijn voorsien met schanssen en met dijcken,
- De vyand moet voor 't een, de zee voor 't ander wijcken.
- 145
- Drye honderd dertich en vier Dorpen wel beboud, 145
- Met Kercken braef voorsien mijn kleyne landschap houd, 146
- Wat gheeft mijn land al op van paerden en van volen: 147
- Wat schoone schapen siet men op mijn Heyden dolen.
|
117 aen uwe herten grenst: in uw harten woont.
120 beleven: doorbrengen.
121 beveel: beveel aan in.
127 mengel deur malkander: zich vermengen.
132 u schoon gesicht: de schone aanblik van U; vermaken: verheugen.
136 wat gelucx: welk geluk.
138 geleken: vergeleken; sijn: worden.
140 het suyvel hier te vloeijen: dat het zuivel hier vloeit.
146 kercken braef: flinke kerken; houd: bevat.
147 gheeft ... op: levert op; volen: veulens.
|
[p. 43]
-
- t Gevogelt dat ick heb (hoewel ick het beny)
- 150
- Spijst Holland niet alleen maer Engeland daer by.
- 'k Heb Veenen groot genoeg om Ne'erland gantsch te warmen
- Daer toe heeft my de zee omcingeld met zijn armen. 152
- Van Adel ben ick rijck, door wiens manhaftigheyd 153
- Toe aen des Werelds end mijn eere word verbreyd,
- 155
- Wat hooge scholen, en geleerde luy betreft,
- Daer in den Heere my noch dagelijcx verheft,
- Behoefd mijn heerlijckheyd geen Hartoghdom te wijcken, 157
- Jae soud my by de braefst wel derven vergelijcken. 158
- Mijn dienaers van Gods woord, die trecken eenen lijn,
- 160
- En soecken in de vreed' en buyten twist te zijn,
- Sy houden sich al stil, in 't midden vande baren, 161
- Dus, moet ick het oock sien sorghvuldigh te bewaren, 162
- Ja duysend dingen meer die ick moet gade slaen 163
- Bedwingen my van hier op 't spoedighste te gaen. 164
- 165
- Maer: als ick al vertreck, mijn sinnen en gedachten 165
- Die sullen staegh op u en u welvaren achten, 166
- Al word ghy somtijds van d' onwetende benijd,
- Versteurd u daer niet in, het heeft een kleyne strijd, 168
- Of sy u groot geluck beschempen en versmaden, 169
- 170
- Het heeft niet veel om 't lijf, het kan u weynigh schaden,
- Hoe hard de sachte zee komt op de Rotse slaen,
- De Rots staet even stijf, en treckt het hem niet aen. 172
- De Wijngaerd-ranck, die bloeyd veel hooger door 't besnoyen,
- Hun tongh, dat nydigh mes, sal oock u lof doen groyen. 174
- 175
- O, overbrave vrou, hier met beveel ick weer 175
- U en u lieve man, den al-vermogen Heer.
- Ick sweer u dat mijn gunst sal eeuwigh by u blyven
- Soo langh den Hemel sal op syne polen dryven,
- Den Olyphant sal eer gaen vliegen in de lucht,
- 180
- 't Onnosel schaep den Wolf eer dryven op de vlucht,
|
152 daer toe: bovendien; omcingeld: omringd, omsloten.
157 wijcken: onderdoen voor.
158 soud: ik zou; braefst: edelste; derven: durven.
162 dus: daarom; sorghvuldigh: angstvallig?; bewaren: toezicht houden op.
163 gade slaen: verzorgen.
164 bedwingen: dwingen; op 't spoedighste: zo snel mogelijk.
165 als ik al vertreck: ook al vertrek ik; sinnen: geest.
166 staegh: steeds; achten: letten.
168 versteurd u daer niet in: word daar niet boos over; het heeft een kleyne strijd: het betekent weinig.
169 beschempen: beschimpen; versmaden: smaden.
172 stijf: stevig; hem: zich.
174 nydigh mes: mes der afgunst.
175 overbrave: zeer edele; beveel: draag ... op aan.
|
[p. 44]
-
- De visschen sullen eer sich nestelen inde boomen,
- De vog'len vande lucht gaen swemmen inde stroomen,
- De Maen sal eer by daegh, de Son by nachte staen,
- Eer mijn getrouwe liefd tot uwaerts sal vergaen. 184
- 185
- Wel dan, de groote God wil u voor druck bewaren, 185
- En laten u met vreughd verslyten uwe jaren.
|
184 liefd tot uwaerts: liefde voor u.
|
|
|