[p. 45]
[25] [Cupid' onlanx gele'en]*
- Stemme: Questa dulce serena.
-
- 1.
- Cupid', onlanx gele'en, 1
- Quam recht naar Vriesland tre'en,
- Hy verliet, vol verdriet, gansch Griecken, 3
- En koos ons land alleen,
- 5
- Daer quam het Boefjen doe, 5
- Verheughd en wel te moe,
- 't Had een boogh, en het vloogh met syn wieken,
- Recht naer myn liefste toe.
-
- 2.
- Voor deur sagh hy haer staen, 9
- 10
- Haer glans stond hem strax aen, 10
- Dies was hy, dapper bly: maer die Bengel 11
- Woud nader by haer gaen.
- Hy maeckten hem seer schoon, 13
- Syn hayr gelijck een kroon
- 15
- Van fyn gold, stond gekrold, 't scheen een Engel 15
- Gedaeld van Jovis Throon.
-
- 3.
- Doen stack die kleyne guyt
- Sijn beentjen achter uyt;
- En hy groet, met ootmoet, myn schone,
- 20
- Mijn lang gewenschte Bruyt. 20
|
1 onlanx gele'en: kort geleden.
5 boefjen: schelmpje; doe: toen.
9 voor deur: voor de deur.
11 dies: daardoor; dapper: zeer.
20 haar, die ik al lang tot bruid gewenst heb.
|
[p. 46]
-
- En doelden voort om hoogh, 21
- Naer haer uytmuntend oogh,
- Daer hy in, met de min, dacht te woonen,
- Maer 't Boefjen hem bedroogh. 24
-
- 4.
- 25
- Hy sagh het vlammend licht
- Van Galatees gesicht,
- Dies hy lacht, en hy dacht, dat daer binnen 27
- De hette wierd gesticht. 28
- Maer hy vond Galatee
- 30
- Gelycker ys en snee, 30
- Ja soo koel, dat gevoel, van de minne
- Daer gansch geen werking dee.
-
- 5.
- Dies vloogh hy vol gevaer 33
- Anxtvalligh weer van daer,
- 35
- So beschreumd, en verkleumd, dat hy lette 35
- Of hy versturven waer: 36
- En kroop strax in de brand
- Van myn heet ingewand, 38
- Daer het dier, so veel vyer, so veel hette, 39
- 40
- En so veel vlammen vand. 40
-
- 6.
- Dat hy al eer hy 't wist
- Daer beyd syn vleugels mist,
- Die de vlam, van hem nam, door het blaken,
- Midts hy hem had vergist: 44
- 45
- Daer leyd hy nu en swerfd, 45
- Tot ick of hy 't besterfd:
- Want hy kan, daer niet van geraken, 47
- Mids hy syn vleugels derfd. 48
|
21 doelden: richtte; voort: dadelijk.
24 hem bedroogh: vergiste zich.
28 hette: gloed; gesticht: ontstoken.
33 dies: daarom; gevaer: vrees.
35 beschreumd: beschroomd; lette: talmde? er uitzag?
36 versturven: gestorven, versteend.
39 dier: liefje; vyer: vuur; hette: hitte, gloed.
45 leyd ... en swerfd: ligt (hij) te zwerven, zwerft hij aldoor rond.
47 van geraken: vandaan komen.
|