[p. 51]
[27] [Stil, stil een reys]*
- Stemme: De Nieuwe Laboré.
-
- 1.
- Stil, stil een reys, 1
- Ghy, die het blancke vleys,
- En schoonheden van u Goddinnen prijst, 3
- Ghy, die u tyd
- 5
- al dichtende verslyt, 5
- Op dat ghy u liefkens min bewijst:
- Het heeft geen slot, 7
- al wat ghy tot,
- U liefstens eer meugt brouwen: 9
- 10
- Want de Koninginne, die
- Mijn gemoed heeft in 't gebie, 11
- Is 't puyck van alle vrouwen.
-
- 2.
- Geen sneeuw is so klaer 13
- Als haer wangetjens, daer
- 15
- Twee roode Rooskens bloeyen staen. 15
- Geen Goud is soo geel
- Als heur hayr kruyf en eel, 17
- 't Welck dagelijx schijnd te groeijen aen.
- Haer veurhoofd blanck,
- 20
- Glad, hoogh en lang, 20
- [28] Haer ooghjens glinstrigh tintelen,
- Die soo bruyn, soo gittigh swart 22
- Sijn, dat sich daer door mijn hert
- In vreughden schijnd te wintelen. 24
|
1 een reys: eens eventjes.
7 slot: zin; het heeft geen slot: het zegt niets.
9 meugt: moogt; brouwen: samen flansen.
11 heeft in 't gebie: gebiedt over.
15 bloeyen staen: staan te bloeien.
20 glad: effen; lang: breed.
|
[p. 52]
-
- 3.
- 25
- Sy heeft een kin
- Met een kloofje daer in, 26
- En een putjen in beyd haer wangen, 27
- En als haer gesangh
- Begind te gaen zijn gangh,
- 30
- Soo leyd mijn hert ghevangen, 30
- Geen snaren-spel,
- Klinckt half soo wel,
- Want by haer melodije
- Is het oversoet gheluyt,
- 35
- Van het snaren-spels getuyt, 35
- Maer rechte leurerije. 36
-
- 4.
- Haer wijnbrauwen swart 37
- Niet te sacht, niet te hart,
- Niet te na, niet te wijt van een ander, 39
- 40
- Haer lipkens rood,
- Niet te kleyn, niet te groot,
- Die kussen steeds malcander.
- Haer tantjens kleyn,
- Sijn blanck en reyn,
- 45
- Haer adem als Fioelen, 45
- Steeld een mensch zijn hert terstont
- Als men die maer van haer mond
- Begind van veers te voelen. 48
-
- 5.
- By haer hals, als yvoor,
- 50
- Deurstraeld door en door, 50
- Met blaeuw verheven aderen, 51
- Swoer ick wel bycans 52
- Dat gheen albasters glans 53
|
35 het snaren-spels getuyt: de muziek van het snarenspel.
36 rechte leurerije: geen cent waard.
37 wijnbrauwen swart: zwarte wenkbrauwen.
39 na: dichtbij; wijt: ver; een ander: elkander.
50 deurstraeld: dooraderd.
53 albasters glans: marmerglans.
|
[p. 53]
-
- In 't minst sou konen naderen.
- 55
- En na haer staet, 55
- Weet sy haer ghelaet, 56
- Soo loffelijck te stieren, 57
- Dan lieffelijck, dan weder stuer, 58
- Dan vol vreughd, dan vol getruer, 59
- 60
- Op alderley manieren.
-
- 6.
- Roosrood is haer mond,
- Haer borsjes hard en rond,
- Daer op twee karsjens wassen, 63
- Och! moght ick haer een reys,
- 65
- By dat lieve blancke vleys 65
- Al grypende verrassen,
- Ick wed ick sou
- Mijn lieve Vrouw,
- Soo lieffelijck omarmen,
- 70
- Dat sy over mijn elend,
- Sou haer selven noch in 't end 71
- Genadighlijck ontfarmen.
-
- 7.
- Want ick segh in 't kort, 73
- Dat op haer niet en schort 74
- 75
- Van 't gene dat na mijn sin waer
- Gheen deughden soo groot,
- Den Hemel oyt ontsloot, 77
- Ofmen vindse al t' samen in haer,
- Ick ben te grof,
- 80
- Om half haer lof
- Volkomen te beschryven,
- Want al waer mijn pen van stael,
- En mijn stem van klaer metael,
- Ick sou al niet bedrijven. 84
|
56 ghelaet: doen en laten, manieren.
57 loffelijck: voortreffelijk; stieren: richten.
58 stuer: onwillig, hardvochtig.
71 haer: zich; in 't end: tenslotte.
73 in 't kort: kort en goed, als samenvatting.
74 op haer niet en schort: aan haar niets ontbreekt.
84 ik zou helemaal niets tot stand brengen.
|
|
|