[p. 54]
[29] [Overschoone vrou, cieraed van onse tijd]*
- Stemme: Nu leef ick in 't verdriet, in swaer doleur en pijn.
-
- 1.
- Overschoone vrou, cieraed van onse tijd,
- Ick sweer u by mijn trou, dat ghy alleenigh zijt 2
- De roem van onse stad, al Frieslands hoovaerdy, 3
- Vercierd, vercierd, vercierd, met alle bravery. 4
-
- 2.
- 5
- Ick wed, had Paris oyt u schoonheyds glans gesien 5
- Hy had den appel noyt vrou Venus willen bie'en,
- Want hy u o Princes, recht edele Juffrou, 7
- Alleen, alleen, alleen, den appel schencken sou.
-
- 3.
- U blond gekruyfde hayr, u voorhooft hoog en wit, 9
- 10
- U ooghjens die voorwaer veel bruynder syn als git, 10
- U lipjens als Corael die hadden inder yl
- Sijn hert, zijn hert, zijn hert, deurwond ghelijck een pijl.
-
- 4.
- U wesen dat altoos, op 't braefst is ghemanierd, 13
- U wangen als een roos, met doppetjens vercierd, 14
- 15
- U tandjens wit en kleyn, en u gekloofde kin, 15
- Had hem, had hem, had hem, gedwongen tot u min.
|
3 hoovaerdy: (reden van) trots.
4 vercierd: voorzien; bravery: luister.
5 u schoonheyds glans: de glans van Uw schoonheid.
7 princes: vorstin; recht: zeer; Juffrou: jonkvrouw, geliefde.
9 gekruyfde: gekrulde; wit: blank.
13 wesen: gelaat, voorkomen; op 't braefst is ghemanierd: zo erg zedig is.
15 gekloofd: met een kuiltje.
|
[p. 55]
-
- 5.
- Ach! u albast'ren hals 't welck u recht prinse 't hooft 17
- Soo loflijck voerd in als had hem terstond verdoofd, 18
- U welgestelde le'en, u Goddelijck ghelaet, 19
- 20
- Doorwond, doorwond, doorwond, de mannen metter daed. 20
-
- 6.
- O lieffelijcke vrou, meestersse van mijn hert, 21
- Ick brand en ick verkou, o overgroote smert, 22
- Als ick alleen gedenck aen uwe schoonheyds glans
- Dien ick, dien ick, dien ick begeven moet althans. 24
-
- 7.
- 25
- Noyt trouwer minnaer heeft een schoone vrou bemind,
- Als die u nu begeeft, mits hy geen troost en vind, 26
- Ach lieffelijcke lief, ick min u als een man,
- Maer ach, maer ach, maer ach, daer helpt geen minnen an.
-
- 8.
- U ouders, die de min en soete vrijery
- 30
- Geheel is uyt den sin, ach die misgunnen my,
- De liefde dien ick graegh van u verwerven sou
- Dien ick, dien ick, dien ick, gewenst had tot mijn vrou. 32
-
- 9.
- Dan wijl sich het geluk my dus wangunstig toond 33
- En dus my[n] min met druck, in plaets van blydschap loond, 34
- 35
- Soo segh ick u Princes met tranen en geklag,
- Adieu, adieu, adieu, alst doch niet wesen magh. 36
|
17 recht prinse: waarachtige vorstin; u 't hooft: uw hoofd.
18 loflijck: voortreffelijk; voerd: draagt, beweegt; in als: in alles, in alle opzichten.
19 welgestelde: goedgevormde; gelaet: voorkomen.
20 metter daed: terstond.
21 meestersse: meesteres, gebiedster.
22 verkou: word koud (tegelijkertijd).
24 begeven: verlaten; althans: zeer spoedig, nu.
33 dan: maar; wijl: daar; geluk: lot; my: jegens mij.
34 dus: zo; druck: verdriet.
|
[p. 56]
-
- 10.
- Adieu mijn lieve lief, adieu mijn schoone Son,
- En wijl ick nu van u verreysen gae, soo kon 38
- Ick wenschen dat den Heer, een Minnaer u toe schick, 39
- 40
- Die u, die u, die u, soo troulijck mind als ick.
-
- 11.
- Die gun my oock met een, dat ick een lief verkies
- Van wel gemaeckte le'en, soo schoon als ick verlies, 42
- Die gun u soo veel vreughds, als ick verdriets geniet 43
- En dat, en dat, en dat, u nimmer quaed geschied.
|
38 verreysen: vertrekken; kon: zou willen.
39 toeschick: zende, beschikke.
42 soo schoon als ick verlies: zo schoon als degene, die ik verlies.
|
|
|