[p. 59]
[30] Trou-Dicht,
Ter eeren Ioncker Doco van Iongama, en Iuffrou Liskia van Eysinga. *
- Aurora had noch nau haer Paerden in de wagen 1
- Gespannen, om de nacht van 't blaeu gewulf te jagen,
- Op dat de blonde Son, des Hemels hooghste glans,
- Sijn Henxten alle vier moght brengen aenden dans, 4
- 5
- Om soo den blyden dagh aen landen ende steden
- t' Ontdecken, doen ick ben na buyten toe ghetreden, 6
- Na buyten, daer 't gesicht, om 't heugelijcke groen, 7
- En d' ooren, om 't gehoor der vog'len was te doen, 8
- Daer is het blinde wicht, vrou Venus dart'le jonghen, 9
- 10
- Eer ick daer eens om dacht, my om den hals gespronghen, 10
- [31] Vriend (sprack hy) wat hebt ghy nu weder inde kop? 11
- Com, kom, ghy moet met my voort na den Hemel op. 12
- Hy had het nau geseyd of hy is opghevloghen,
- En droegh my met een swinck, uyt aller menschen ooghen, 14
- 15
- Tot inden Hemel toe, den Hemel vanden Goon
- Daer setten hy my ne'er, heel dicht by Venus throon,
- Die rondom was beset met Iongmans en Iongh-vrouwen,
- Die in den Echtenstaet haer noch begheven souwen, 18
- Ick sagh vast om end' om, beteuterd en bevreesd, 19
|
* Doeke van Jongema, grietman van Franekeradeel († 25 dec. 1638) trouwde 1618 (3 proclamaties te Leeuwarden 12, 19 en 26 juli) met Lucia (Lisck) van Eysinga, geb. 1598, dochter van Juw, luitenant kolonel.
1 nau: nauwelijks; in: voor.
6 ontdecken: openbaren, blootleggen; doen: toen, of; na: naar.
8 om 't gehoor: om het horen.
9 daer: toen; wicht: schepsel.
10 eens: ook maar; om dacht: aan dacht, op verdacht was.
11 hebt ghy ... inde kop: zijt gij van plan.
19 vast: al maar; om end' om: in het rond.
|
[p. 60]
-
- 20
- Want in den Hemel had ick noyt voor heen geweest. 20
- Och! (docht ick) wat is dit? stracx komt hier een van allen, 21
- En schopt my hier van daen, o bloed! hoe sal ick vallen. 22
- Cupido sagh my aen, ick stond voor hallef dood,
- Dies quam hy na mijn toe, en seyd', ‘ghy hebt gheen nood, 24
- 25
- Ghy syt onsichtbaer gansch, u lijf heb ick bestreken,
- Dus luysterd neerstigh toe na al dat ick sal spreecken, 26
- Op dat ghy levendigh (wanneer ghy neder daeld)
- Den menschen myne deughd en wetenschap verhaeld.
- Sy schilderen my blind, wulps, dartel, onbescheyden, 29
- 30
- Onwetend', en gheneyghd om yeder te verleyden.
- Maer nu, nu sult ghy sien, eer ghy van hier weer gaet,
- Dat alles wat ick doe in recht en re'en bestaet: 32
- Mits is hy na syn Moer eerbiedighlijck ghetreden, 33
- En sprack haer lieflijck aen met Goddelijcke reden, 34
- 35
- Die ick eerst niet verstond, maer namaels heb geleerd 35
- Daer van heeft hy verlof op 't heuschelijckst begeerd, 36
- [32] Doe keerden hy hem om na d'Ed'le iongelingen, 37
- Die besigh waren elck met sonderlinge dingen: 38
- Een eyscht hy van haer voort een wack're Iongeman, 39
- 40
- Wiens naem ick rechtevoort niet wel bedencken kan, 40
- Maer 'k had hem (so my docht) gesien meer op der aerden,
- Met dien begon het wicht dees reden aen te vaerden: 42
- O, Ed'le Iongeman, hoe komt; dat met de min 43
- Tot heden noyt en was bekommerd uwe sin? 44
- 45
- Gedenckt ghy dan u ieughd, u aengenaemste iaren 45
- Dan sonder alle vreuchd dus heen te laten varen?
- Dat hoop ick nimmermeer, ick bid dat ghy u tydt 47
- Dus sonder minnery, de hooghste lust, niet slyt. 48
- De vryerlycke staet, een vyand van de rusten, 49
- 50
- De born van Achterklap, d' onschaecker aller lusten, 50
|
22 o bloed: o (Gods) bloed.
26 neerstigh: naarstig, ijverig; al: alles.
29 wulps: minziek; onbescheyden: ondeskundig.
32 in recht en re'en: in zedelijkheid en redelijkheid.
34 lieflijck: vriendelijk; reden: woorden.
36 verzocht haar op allerinnemendste wijze om toestemming.
38 sonderlinge: bijzondere.
39 één van hen roept hij naar voren.
40 rechtevoort: aanstonds, zo dadelijk.
42 met dien: dadelijk; aen te vaerden: aan te vangen.
44 dat gij u tot nu toe niet hebt bekommerd om, ingelaten met.
45 gedenckt ghy: denkt gij, zijt gij van plan.
47 nimmermeer: nooit, stellig niet.
49 staet: toestand; rusten: rust.
50 born: bron; achterklap: lasterpraat; onschaecker: berover.
|
[p. 61]
-
- Wat brengt die anders in, als nydt, verdriet en rou? 51
- Maer alle vreughden syn te soeken in een Vrou.
- Waer-op de Iongman we'er, maer swarelyck te vinden, 53
- Daerom gedenck ick my niet aen een Vrou te binden,
- 55
- Ick klaegh nu nimmermeer, ick leef nu gansch gerust, 55
- Ick doe al wat ick wil, en wat my selven lust,
- Maer, neem ick my een Vrou, so moet ick hare sinnen
- Steets volgen, so ick wil, dat zy my sal beminnen,
- Myn vryheyd is dan wegh, en hoe krygh ick die weer?
- 60
- Want wie een Vrouwe heeft, heeft in 't gemeen een Heer. 60
- En dat en diend my niet, een ongebonden leven 61
- Sou ick niet om al 't goed des werelds willen geven, 62
- [33] Noyt isser grooter vreughd van d' Hemel afghedaeld.
- Ach! (sey Cupido) vriend hoe veer syt ghy verdwaeld! 64
- 65
- En hebt ghy dan noch noyt ghelesen van te voren
- Dat vrouwen tot de troost der mannen zijn geboren?
- Daerom heeft de Natuer, (die alle dingh bestierd) 67
- Haer met een wesen, dat aentreck'lijck is, vercierd. 68
- Een lieffelijcke vrou, verçierd met brave deughden, 69
- 70
- Wat isset anders, als een schat-kist aller vreughden?
- Hoe aengenaem! hoe schoon! hoe soet is haer gelaet! 71
- Waer in der mannen troost, gelijck gheschreven staet.
- O die een brave vrou bekomt van d'Heer der Heeren, 73
- Voorwaer hy heeft een schat die niet is te waerdeeren.
- 75
- Het is syns levens vreughd, de haven van zijn rust,
- De borne, de fonteyn, de woonplaets van zijn lust, 76
- Een koffer daer in hy al zijn verborghentheden 77
- Op 't alder veylighst mach betrouwen en besteden, 78
- Een sorghe voor syn huys, een trooster in syn druck, 79
- 80
- Een voedsel van zijn lof, een stroom van syn geluck, 80
- Een soeten breydel, een versachster van zijn toren, 81
- Wanneer hy yemands haet heeft in zijn borst gesworen.
|
53 swarelyck: bezwaarlijk, moeilijk.
60 in 't gemeen: gewoonlijk, in den regel.
61 en dat en diend my niet: dat past mij niet, daar heb ik geen zin in; ongebonden: vrij.
67 bestierd: bestuurt, regelt.
68 wesen: uiterlijk; vercierd met: voorzien van.
69 brave deughden: edele eigenschappen.
71 soet: liefelijk; gelaet: wijze van doen of gezicht.
76 borne: bron; fonteyn: bron; de woonplaets van zijn lust: zijn genoegen berust helemaal in haar.
77 verborghentheden: geheimen.
78 mach: kan; betrouwen: toevertrouwen; besteden: kwijt kunnen.
80 een voedsel van zijn lof: waardoor zijn lof gevoed, gesterkt wordt.
81 soeten: aangename; toren: toorn, boosheid.
|
[p. 62]
-
- Een troost, een hulp, een sorgh, in sieckte, smart, en nood.
- Een trou Med-gesellin tot d'uyre van de dood.
- 85
- Wanneer hem eenigh ramp of onheyl komt bestryen, 85
- Sy weet hem vriendelijck te troosten in zijn lyen,
- Al was hy noch soo droef, de loncken van zijn vrou 87
- Die strijcken van zijn hart de nevels vande rou.
- [34] Ick swygh noch vande vreughd, waer met sy onder 't laken
- 90
- Sijn droevigh herte kan verquicken en vermaken, 90
- Haer lodderlijck gegluer, haer lieffelijck ghewoel 91
- Ontfonckten wel zijn borst al waer hy noch soo koel,
- Zijn ad'ren en zijn bloed, doet sy van vreughde rysen,
- Wie isser, die de re'en niet dwinghd een vrou te prysen? 94
- 95
- Maer dat noch 't meeste is, de kind'ren die sy teeld, 95
- Waer met ghy na u dood word weder afghebeeld,
- De erven van u schat, die soetigheden souwen 97
- Beweghen u alleen, een vrou daerom te trouwen. 98
- Wel Iongheman, hoe dus? hoe staet ghy nu soo stil?
- 100
- Veracht ghy wat ick prijs? hoe hebt ghy 't inde wil? 100
- Waerop de Ionghman weer: hoe soud'ick dat verachten 101
- Dat uwe Godheyd prijst! dat sal ick my wel wachten,
- Maer dit 's de swarigheyd, waer vind ick soo een maeghd, 103
- Die dese deughden, die ghy noemd, in 't herte draeghd?
- 105
- Ick weet wel dat een vrou, die hare man in waerden 105
- En alder eeren houd, een pronck is vander aerden, 106
- Maer hoe bekom ick doch soo lieven licht voor mijn, 107
- Dewijl sy nu ter tijd soo slim te vinden syn? 108
- Waer op Cupido weer, wild daer geen sorg voor dragen, 109
- 110
- Ick sal u soecken een die u wel sal behagen,
- Een spiegel vande deughd, een Lust-hof, daer een man
- Met alderhande vreughd sich in vermaken kan,
- Wiens schoonheyd van gelaet, wiens welgestelde leden, 113
- Wiens heuscheyd in 't gespreck en aenghename seden, 114
|
85 komt bestryen: overvalt.
87 loncken: liefdevolle blikken.
90 verquicken: opmonteren, verheugen; vermaken: behagen.
91 lodderlijck: liefelijk.
94 re'en: billijkheid, wijsheid.
97 soetigheden: liefelijke wezens.
100 hoe hebt ghy 't inde wil: wat zijt gij van plan.
101 dat: datgene; dat sal ick my wel wachten: daar zal ik mij wel voor wachten.
103 swarigheyd: moeilijkheid.
105 waerden: waarde; in waerden houd: waardeert naar behoren.
106 alder: alle, grote; aerden: aarde.
109 sorg voor dragen: u bezorgd over maken.
113 wiens: wier; welgestelde: welgevormde.
|
[p. 63]
-
- 115
- [35] Wiens wijsheyd, aerdigheyd en treffelijck geslacht, 115
- Dc braefste van het land heeft tot haer min gebracht, 116
- Die d' een na d' ander vast al hebben slip ghevangen 117
- En niemand mocht tot noch haer lieve min erlanghen 118
- Dan ghy, soo ghy de strijd met moedigheyd aenvaerd, 119
- 120
- Ghy sult verwinner syn, want s'is voor u bewaerd. 120
- De Iongman danckten hem, en heeft hem voord gebeden 121
- Dat hy in alder yl wou na de Iuffrou treden,
- En syne min soo soet, soo schoon haer draghen voor,
- Dat sy op syn versoeck hem geven mocht gehoor.
- 125
- Waer op Cupido, dat mooghd ghy my wel vertrouwen, 125
- Mids keerden 't wicht hem om nae d'edele Iuffrouwen, 126
- En saghse naerstigh aen, ten lesten riep hy een, 127
- Die d' overste van al den hoop te wesen scheen, 128
- Wiens voorhooft hoog en wit, wiens lodderlijcke oogen, 129
- 130
- Wiens hayren kruyf en blond, vol Prinçelijck vermogen, 130
- Wiens wangen als een roos, wiens welgestelde kin,
- De stuerste van de wer'ld sou dwingen tot de min.
- Tot haer, sprack 't arge wicht, sult ghy u straffe sinnen 133
- Niet van de soete min eens laten overwinnen?
- 135
- U jonge jeughd vergaet, en houdt u voor gewis
- De tijd die eens verloopt, onwederroeplijck is,
- O dese schoone le'en van d'Hemel u ghegeven!
- Suld ghy die sonder lief verslyten al u leven? 138
- Dat waer gants teghen re'en, ghy syt versocht nochtans 139
- 140
- Tot min vaeck, van de bloem der braefste Ionghemans, 140
- [36] O keerd u sinnen om, want dus in eenigheden 141
- Mooght ghy u schoone tijd niet troosteloos besteden. 142
- Gins staet den Iongeman daer voor ghy syt bewaerd, 143
- Ick wenschte selver u met hem te sien ghepaerd, 144
|
115 aerdigheyd: bevalligheid; treffelijck: voortreffelijk.
116 braefste: edelste; heeft tot haer min gebracht: er toe heeft gebracht haar lief te hebben.
117 vast: aldoor, geheel en al; slip ghevangen: bot gevangen.
118 tot noch: tot nu toe; erlanghen: verwerven.
119 dan: maar; moedigheyd: moed.
120 verwinner: overwinnaar.
125 dat mooghd ghy my wel vertrouwen: dat kunt ge mij wel toevertrouwen, laat dat maar aan mij over.
126 mids: inmiddels; hem: zich.
127 naerstigh: aanhoudend.
128 al den hoop: de gehele groep.
130 kruyf: gekruld; prinçelijck: vorstelijk; vermogen: macht.
133 arge: boosaardige; straffe sinnen: harde, onvermurwbare geest.
138 lief: geliefde, minnaar.
139 teghen re'en: onredelijk; versocht: uitgenodigd.
140 van: door; braefste: flinkste.
141 keerd u sinnen om: verander uw gezindheid; eenigheden: alleen zijn.
142 troosteloos: zonder liefde; besteden: doorbrengen.
|
[p. 64]
-
- 145
- Ach! als ick overdenck wat treffelijcke gaven
- In zyn deughdsame borst vergaerd zyn en begraven, 146
- So schrikt mijn Godheyt selfs, want ick had noyt gemeend 147
- Soo veel deughds in een mensch alleen te zijn vereend,
- Hoe aengenaem, hoe soet, hoe loflijck syn syn zeden, 149
- 150
- Hoe statigh zijn gelaet, hoe treffelijck syn reden, 150
- Hoe heusch is syne mond, ick sweer u dat gewis,
- Al wat men aen hem siet aenmerckens waerdigh is. 152
- Die heb ick tot u min gansch yverigh gheraden, 153
- Betoond hem doch u gonst, ten sal u nimmer schaden, 154
- 155
- Hy is de goedheyd selfs, een onbequamen woord 155
- Heeft niemand uyt zijn mond zijn leven langh gehoord,
- Ghy sult in alle vreughd verslyten uwe daghen,
- En van de nachten sult ghy u oock niet beklaghen.
- Hoe staet ghy dus en dut? wat vreughde had een vrouw, 159
- 160
- Als sy haer met gheen man in 't end vereenen sou? 160
- En beter man als hy, en soud' ick naulijcx meenen, 161
- Dat u den Hemel selfs op aerden kan verleenen.
- Dus seght my 't jawoord toe, want of ghy u beraedt, 163
- Ick merck wel wat ghy wild alleen uyt u ghelaedt. 164
- 165
- Doe werd de maeghd beschaemd, en sy begon haer woorden
- Maer wat: sy sprack soo sacht dat ick het naulijcx hoorden,
- [39] Dan eynd'lijck liep het wicht weer na de Ionghman toe, 167
- En broght hem by de Maeghd, doe ging (so ick vermoe) 168
- Het vryen heftigh aen, dat merckt' ick aen haer zeden, 169
- 170
- Hoewel ick niet een woord kon hooren van haer reden, 170
- Die sy oock nau te recht gevangen hadden aen 171
- Of het vergulde rad begon sterck om te gaen, 172
- Dat boven Venus hoofd stond çierelijck te blincken,
- Wat dat beduyden moght en kon ick niet bedincken, 174
- 175
- Ten waer Cupido selfs my had ghewesen dat 175
|
149 soet: bevallig, behagelijk; loflijck: voortreffelijk.
150 statigh: kalm, bedaard; ghelaet: voorkomen, manieren; reden: woorden, wijze van spreken.
152 aenmerckens waerdigh: de moeite van het opmerken waard.
153 u min: liefde voor u.
154 doch: toch; gonst: genegenheid.
155 selfs: zelf; onbequamen: ongepast.
159 hoe staet ghy dus en dut: waarom staat ge zo te suffen.
161 en: wel; en soud': zou.
164 alleen: alleen al; uyt: aan; ghelaedt: manier van doen.
169 vryen: aanzoek doen; zeden: manieren.
171 te recht: goed; gevangen hadden aen: hadden aangevangen.
172 sterck: krachtig; om te gaen: rond te draaien.
|
[p. 65]
-
- De tyden stonden al geschreven in dat radt, 176
- Hoe langh elck minnaer was gedwongen om te vryen,
- Eer hy yets in de gonst moght van zyn lief bedyen. 178
- Neemd (seyd hy) acht daer op, want als het radt staet stil, 179
- 180
- Soo is het vryen uyt, de minnaer heeft zyn wil. 180
- Ick saght gestadigh aen, verwonderd van het wenden, 181
- En dacht, wanneer sal 't rad dit draeyen doch eens enden? 182
- Ten lesten stond het stil, doe gaf het lieve paer
- Malcanderen de hand en 't hylijck dat was klaer. 184
- 185
- Terstond begon 't Musyck den Hemel door te brallen 185
- Soo soet, dat ick daer van ben inde slaep gevallen, 186
- En doen ick wacker wierd, doe sagh ick eens rondom, 187
- En ick bevond my op der aerden wederom,
- Ick liep voort na de stad: daer wierd my voorghehouwen 189
- 190
- Dat Doco Iongema Lisck Eysinga sou trouwen.
- Ick was daerom verheughd, en docht doe oock met ien 191
- Dat is het selde paer dat ick t'hans heb ghesien, 192
- [38] O Bruydegom en Bruyd, van d'Hemel dus gesegend,
- Ick wensch dat alle vreughd des werelds u bejegend. 194
- 195
- Dat nijd, noch list, noch twist, dat weelde, vreughd, noch leyd, 195
- Soo langh ghy adem hebt u trouwe liefde scheyd, 196
- Ick wensch dat ghy te saem mooght leven Nestors jaren,
- En sonder ongeval vergrysen uwe hayren, 198
- En u kinds kinderen volwassen in de deughd, 199
- 200
- Met blydschap en met vreugd noch beyd aenschouwen meughd.
- Nu Musa stil, houd op, de Bruygom sit te loeren, 201
- Wanneermen eens de Bruyd sal naer het bedde voeren. 202
- Op dat hy, na beloft van Venus kleyne soon,
- Voor zijn getrouwe min genieten mach de loon. 204
- 205
- Nu ruymt een weynich op ghy edele Iuffrouwen, 205
- Wild tegen haren wil de Bruyd niet langer houwen:
|
178 in: wat betreft; bedyen: verwerven.
179 neemt acht daer op: let daar (eens) op.
180 heeft zyn wil: heeft verkregen wat hij verlangt.
181 gestadigh: al maar; van: over.
182 enden: beëindigen, staken.
184 hylijck: huwelijk, verloving.
185 brallen: weerklinken.
189 voort: terstond; voorghehouwen: medegedeeld.
191 daerom: daarover; met ien: te zelfder tijd.
194 bejegend: overkomt, ten deel valt.
195 nijd: afgunst; leyd: leed.
198 vergrysen: grijs zien worden.
201 loeren: gluren, uit te kijken.
205 ruymt ... op: ga weg.
|
[p. 66]
-
- Maer geeft haer eenen soen, en gaet daer dan mee voord, 207
- En neemtse hier van daen, en brenghtse daerse hoord,
- Na 't aengename bed dat ghy hebt doen bereyden
- 210
- Met lovers en met kruyd', ter eeren van haer beyden,
- Het ende van haer smart, 't beginsel van haer vreughd 211
- En schickt dat ghy haer op die wijs haest volgen meughd. 212
|
207 daer mee: dan; voord: weg.
212 schickt: schik het, zorg er voor; haest: weldra; meughd: kunt.
|
|
|