[p. 69]
[40] S.V.B. Claegh-liedt,*
Over de onrype Dood vande Recht-Edele Iuffrou M.V.B. syn Nieusgetroude. *
- Stemme: Twas a youthful knight, w[hi]ch loved a galjant Lady.
- Ofte: Soder yemand vraeghd wie hier leyd begraven? &c.
-
- 1.
- Blydschap van mijn vliet, Laet ick mijn be-reyen, 1
- Om mijns siels verdriet, Droevigh te beschreyen;
- Want ick in mijn ieughd, Heb mijn uyt-verkoren,
- Al mijn hooghste vreughd en vermaeck verloren. 4
- 5
- Barst uyt bracke dou! Ach! ick smelt in rou, 5
- Als ick overdenck met smart,
- Dat de schoone Vrou, Dien den Hemel wou,
- Mijn te plaetsen in mijn hart, 7/8
- Daer op ick had gheslaghen 't Opperst van mijn behaghen; 9
- 10
- Dien ick hiel voor al myn lust: 10
- Is in haer ionghe daghen, My vande Dood ontdraghen 11
- naer d'onendelyke rust.
-
- 2.
- [41] Ach! als ick haer deughd, haer roem-waerde zeden, 13
- Eerbare geneught, welghestelde leden, 14
- 15
- Vriendelijck onthael, lieffelijcke woorden, 15
- Daer met menighmael sy mijn ziel bekoorden, 16
|
* Jonker Sibrandt van Burmania Upckesz, holtvester van Friesland († 1639) huwde in Leeuwarden 20 nov. 1618 met Magdalena van Bootsma, die 23 aug. 1619 (?) in het kraambed stierf. Titel: onrype: vroegtijdige; recht-Edele: weledele; Iuffrou: Jonkvrouwe; syn Nieus-getroude: zijn jonge echtgenote.
1 vliet: vlucht, ga; bereyen: (voor)bereiden.
5 bracke dou: zilte tranen.
7/8 wou ... te plaetsen: wilde plaatsen.
9 waar ik mijn hoogste behagen in had gesteld.
11 ontdraghen: weggevoerd; van: door.
14 welghestelde: goedgevormde.
|
[p. 70]
-
- By my selfs betracht, en op alles acht 17
- Dat my is van haer gheschied, 18
- Klaeg ick klaght op klaght, ja, swem dagh en nacht
- 20
- In een borne van verdriet, 20
- Ach! dat de dood so spoede, en eer wy 't beyd vermoeden 21
- U van my heeft afgheruckt,
- Waerom, o wreede roede, hebt ghy niet in het woeden
- My met een in 't graf ghedruckt?
-
- 3.
- 25
- Wat ick doe of laet, 'tvoed doch steeds mijn klachten 25
- Mijn beminde gaet noyt uyt mijn gedachten,
- Sit ick aenden Dis (na mijn oude wyse) 27
- Daedlijck ick haer mis, wegh dan met de spyse.
- Wil ick daer van daen, na mijn kamer gaen: 29
- 30
- Spreken mijn ghedachten weer 30
- Hier sagh ick haer aen, daer plagh sy te staen, 31
- Ginder sat sy by my neer
- En mijn lief, mijn waerde, mijn deugdelyk vermaerde 33
- Troostertje, leyd nu helaes! 34
- 35
- Inde swarte aerde, by die haer eerst baerde,
- En is daer der wurmen aes.
-
- 4.
- Dan ist, of mijn hart barst aen duysend stucken,
- Dan vernieut mijn smert met mijn ongelucken. 38
- Gaen ick tot mijn rust, dan op 't bedde legghen,
- 40
- Mijn verloopen lust port my strax te segghen: 40
- Hier genoot ick vaeck eerbaer mijn vermaeck,
- Soete lam! in d'Echt, met u
- En, o droeve saeck! lief, mijns levens baeck
- Waer berust u lichaem nu? 44
|
17 selfs: zelf; betracht: overweeg.
18 van haer: door haar toedoen.
21 spoede: zich haastte; vermoeden: vermoedden.
25 't voed: bevordert, koestert; doch: toch.
27 na mijn oude wyse: op de gewende manier.
33 deugdelyk: om haar voortreffelijke eigenschappen.
34 troostertje: liefje; leyd: ligt.
38 vernieut: wordt weer krachtiger; ongelucken: ongeluk.
40 verloopen: verloren; port: spoort aan; strax: dadelijk.
|
[p. 71]
-
- 45
- Gingh d' Echt ons niet bereyden, doen 't ons te samen leyden, 45
- Een geluck en een gevaer?
- Waerom, in 't verscheyden, hadden wy niet beyden 47
- Insgelijcx oock eene baer?
-
- 5.
- Doch, bedacht ick recht, ick en most niet klagen, 49
- 50
- d' Aerd was doch te slecht, om dat beeld te dragen, 50
- Sy was al te vroom, deughdigh en Godvruchtigh, 51
- Loffelijck van roem, heusch, beleefd en tuchtigh, 52
- Dies heeft haer den Heer, opgetogen t'eer 53
- In zijn Hemelsche ghebou.
- 55
- Daer sy haer veel meer sal vermaken weer, 55
- Als sy hier op aerden sou,
- Sy leefd in genuchten daer, ick hier in duchten 57
- Wachtende vast na de uyr, 58
- Die niet is t' ontvluchten, 't ende van mijn suchten
- 60
- Tot ons God weer t'samen vuyr. 60
-
- Is dit niet wel een sware kruys?
- Men haeld zijn druck met blydschap t'huys. 62
|
45 doen: toen; leyden: voerde.
47 verscheyden: uiteengaan.
49 doch: maar; recht: te juister tijd; most: zou moeten.
51 vroom: flink; deughdigh: deugdzaam.
52 loffelijck: voortreffelijk; tuchtigh: eerbaar.
53 dies: daarom; opgetogen: naar boven gevoerd; t'eer: des te eerder.
55 daer: waar; haer: zich.
58 vast: aldoor; na: op; de uyr: het uur.
|
|
|