[p. 76]
[45] Bruylofts-Gedicht.
Ter eeren Albert Veelker, En Taetsken Ornia. *
- 't Is noch niet langh ghele'en, doen Phoebi gulden waghen 1
- Gevoerd wierd uyt de locht, en na de zee ghedraghen, 2
- Op dat de paerden, die hun hadden moed ghetorst, 3
- Daer moghten met ghemack versadighen haer dorst. 4
- 5
- En dat de nare nacht des Hemels blaeuwe zalen 5
- Gingh met haer swarte kleed op 't alderdroefst bemalen, 6
- Soo datter gantsch geen licht meer aenden Hemel was,
- Mits Iris storte neer een schrickelijcke plas 8
- Van reghen en van snee, en AEolus zijn winden 9
- 10
- Liet met een fel ghedruys ontomen en ontbinden: 10
- [46] De lucht was gansch ontsteld, die anders niet en dee 11
- Als stroomen storten uyt van hagel, ys en snee.
- En Iupiter verstoord, die speelden daer oock onder 13
- Soo dapper als hy kost met blixem en met donder, 14
- 15
- Soo dat de stoutste man was van dat weer bevreest. 15
- Doe had Cupido op de kittel-jaght gheweest. 16
- Sijn vleugels waren nat, hy kon nu nerghens vlieghen
- (Gelijck hy was gewoon) om yemand te bedrieghen,
- Hy klapperde van koud, hy scheen wel hallef dood, 19
|
* Het huwelijk vond plaats 7 okt. 1618.
2 locht: lucht; na: naar.
3 hun: zich; moed': moe; ghetorst: gezwoegd.
4 met ghemack: in rust, rustig.
5 nare: droefgeestig makende.
6 op 't alderdroefst: zo droef mogelijk; bemalen: beschilderen, bedekken.
10 ontomen: onttomen, ontbreidelen.
11 ontsteld: in beroering, van streek; en dee: deed.
13 die speelden daer oock onder: die speelde ook zijn rol daarbij.
14 dapper: krachtig; kost: kon.
16 had: was; op de kittel-jaght: op zoek naar zinnelijk vermaak met vrouwen.
|
[p. 77]
-
- 20
- Soo dat hy was ghebracht in d'allerhooghste nood,
- Het wicht was gansch verbaest, ach! dacht het in syn sinnen, 21
- Wat sal ick vanghen aen? wat sal ick nu beginnen?
- Mijn raed ben ick ten end, te vliegen by de Goon, 23
- Myn vleugels syn te nat, dat is my nu verboon,
- 25
- Ach! wist ick nu een mensch die my wou herbergh geven! 25
- Ick sou hem, voor die deughd, syn danckbaer al mijn leven, 26
- Want langher hier te staen in reghen en in wind,
- Dat is onlydelijck voor sulcken kleynen kind, 28
- Dus liep het arme wicht te klaghen byder straten, 29
- 30
- En wist niet waer het hem van enckel koud' sou laten. 30
- Ten lesten sagh hy licht tot Veelkers door het glas, 31
- Ach! docht hy, dit is goed dit komt my wel te pas:
- Want inde gantsche Stad weet ick geen huys bequamer, 33
- Dies klopt hy aende poort met een metalen hamer, 34
- 35
- Terstond trad Veelker voort, en opende de deur, 35
- Doe vond hy daer een kind, en niemand anders veur.
- [47] Wel (sprack hy) arme wicht, dus kleyntjes, en dus teder 37
- Wat maeckt ghy op de straet in dusschen slimmen weder? 38
- Dat is my leed ghenoegh (sprack 't wicht) dat ick hier ben,
- 40
- Ey vraeghd my doch niet veel, want ick nau spreken ken 40
- Soo seer ben ick verkleumd, hebt met my mededoghen,
- En laet my yligh in, op dat ick my mach droghen. 42
- Soo ghy my herbergh gund, ick sweer u by mijn eer,
- Ick sal u honderd-fout dees gonst belonen weer.
- 45
- Waer op doe Veelker weer, wat soud ghy my belonen? 45
- Al wat ghy by u hebt, en acht ick gheen dry bonen: 46
- Ach, arm onnosel Kind! dan uyt barmhertigheyd 47
- Soo treed die kamer in, daer een goed vyer aenleyd, 48
- Het weder is te slim, ghy soud gheheel verstyven,
- 50
- Dat ick (o lieve lam) u langh liet buyten blyven. 50
- Ick sal u onder wijl, wat warme kost ghereed
|
21 verbaest: verslagen, verbijsterd; sinnen: geest, gemoed.
23 te vliegen: vliegen; by: naar.
28 onlydelijck: onverdragelijk.
30 enckel: louter, niets dan; hem laten: zich begeven.
31 tot V's: bij het huis van V; glas: ruit.
38 maeckt: doet; dusschen: zulk (een); slimmen: slecht.
40 doch: toch; nau: nauwelijks; ken: kan.
42 yligh: ijlings, vlug; mach: kan.
46 en acht ick gheen dry bonen: acht ik geen zier waard.
47 onnosel: onschuldig; dan: maar.
48 vyer: vuur; aenleyd: aangelegd is, brandt.
|
[p. 78]
-
- Van suycker en van wijn, doen maken, dat ghy eet. 52
- Cupido was verheugd, en met eerbiedigheden 53
- Is hy van stonden aen ter kamer inghetreden,
- 55
- Daer een goed vuur aenlagh, hy stack zijn handtjens uyt 55
- En warmde met ghemack zijn half vervroren huyt. 56
- Sijn goedtje rees weer op, zijn vleugelen die hinghen, 57
- Begonden metter tijd weer over eynd te springhen. 58
- Hy worden weer verheughd, hy sagh een reys om hoogh 59
- 60
- En hingh daer aende wand zijn koker en zijn boogh,
- Het gingh wel na zyn sin, hy keerden hem rondomme 61
- En sagh de maeghd van 't huys daer in de kamer kommen 62
- [48] Met noch een arm vol houts, dat lagh sy op het vyer: 63
- Nu warmd u deur en deur (sprack sy) mijn soete dier, 64
- 65
- Ick maeck u kost ghereed, strax sal ick weder keeren, 65
- En soo ghy noch wat wild, dat kond ghy dan begeeren: 66
- Cupido die sweegh stil, hoewel hy wel wat wou,
- Soo hiel hy doe nochtans de geck wat inde mou. 68
- Dan 'tviel hem wonder swaer: want ofmen veel wil praten 69
- 70
- 't Is voor een Exter kunst haer hippelen te laten.
- Hy warmden hem al bet, zijn hayrtjens krulden op, 71
- En stonden kroeser als een wijn-gaerd om zijn kop.
- Sijn vleugeltjes van goud verspreyden van malcand'ren, 73
- En schenen door de warmt geheelijck te verand'ren, 74
- 75
- Sijn wangen bloosden oock, so schoon, ick weet niet hoe,
- De jongen wierd so moy, soo moy, als daer en toe. 76
- Hy kon zijn dartelheyd ten lesten niet bedwingen, 77
- Of hy begon met vreughd dit liedeken te singen,
- Al staende by het vyer, och 't boefjen was soo bly, 79
- 80
- Het hippelde rondom, met d'handjes in zijn sy, 80
- Het sprongh gelijck een vloo, en 't song gelijck een Lyster
- Dit Liedeken, tot lof van Veelker en zijn Vrijster.
|
53 eerbiedigheden: betuigingen van eerbied.
56 met ghemack: kalm, rustig.
57 goedtjen: gerei, tuig; hinghen: (eerst) neerhingen.
59 worden: werd; een reys: eens.
65 kost: eten; strax: dadelijk.
66 kond: kunt; begeeren: vragen.
68 hiel de geck wat in de mou: hield de pijpen in de zak, beheerste zich.
69 dan: maar; wonder: zeer; ofmen veel wil praten: men mag praten wat men wil.
73 verspreyden: spreidden zich.
76 als daer en toe: als ... ik weet niet hoe.
77 niet bedwingen of: niet zozeer bedwingen of ....
79 't boefjen: de kleine schelm.
|
[p. 79]
[De groote gonst, die ghy betoond]
- Stemme: Is dit niet wel een vreemde gril? fol. 8.
-
- De groote gonst, die ghy betoond 83
- O Veelker aen mijn teere jeughd,
- 85
- Sal onlanghs worden dy beloond 85
- Met d'alderhooghste vreughd,
- [49] Ick sal de Liefd verwecken van
- Een Maeghd, die door haer schoonheyds glans
- De Goden tot haer trecken kan, 89
- 90
- Ick laet staen de Iongmans, 90
- Schoon van ieughd, ryck van deughd, goed en eer,
- Die u sal, boven al, minnen seer,
- En u vermaken, in al u saken. 93
- Wat wellust eyst ghy meer? 94
-
- 95
- Sy sal niets voeren in 't ghemoed, 95
- Of ghy sult daer oock haken naer,
- En wat ghy wenscht, begeerd, of doed,
- Sal weer behagen haer.
- Ghy sult in vreed en alle vreughd
- 100
- U dagen brengen altyd deur,
- En weten van geen ongeneughd,
- Onheylen noch getreur,
- Wat een mensch, met een wensch van de Goon
- Eyschen kan, sult ghy dan tot u loon, 104
- 105
- [50] (Vry van verdrieten) vrolijck genieten, 105
- Dit sweerd u Venus Zoon.
-
- Dit hoorde Veelker aen, die voor de deure stond,
- En keeck vast door een schreef, soo naerstigh als hy kond. 108
- Hy quam ter kamer in, daer sagh hy met verschricken, 109
- 110
- Hoe hem de kleyne God begonde te verquicken. 110
- Sijn schoone vleugeldjens die schitterden in glans, 111
- En bloncken tegen 't vyer gelijck een gulden krans,
- Sijn hayren kroes en schoon, die schenen goude stralen,
|
83 gonst: genegenheid, dienst.
85 onlanghs: spoedig; dy: u.
90 ick laet staen: laat staan dan.
105 verdrieten: verdriet.
108 vast: aldoor; kond: kon.
109 met verschricken: en hij schrok er van.
110 begonde: begon; hem verquicken: zich herstellen, bijkomen.
111 in glans: wat hun glans betreft.
|
[p. 80]
-
- Daer Phoebus synen glans ghewoon is van te halen, 114
- 115
- De gansche kamer blonck ghelijck een helder glas,
- Doen merckten Veelker dat syn gast een Goodje was,
- Ach! sprack hy, gansch verbaest, sou dit Cupido wesen?
- Die nergens komt vergeefs, gelijck ick heb ghelesen, 118
- Best dat ick my terstond gae packen weer van hier, 119
- 120
- En dat ick hem alleen laet blyven by het vyer.
- Cupido bleef alleen, hy nam syn oude wapen,
- Dat lagh hy onder 't hooft, en hy begon te slapen 122
- Soo soetjes als hy moght, tot dat den lichten dagh 123
- Verjoegh de swarte nacht, en door de venster sagh, 124
- 125
- Doe stond hy weder op, hy nam zijn boogh, syn koker,
- En liep door 't gantsche huys, ghelijck een kleyne stoker, 126
- Tot dat hy Veelker vond, doe sprack hy, lieve weerd 127
- Wat heb ick dese nacht hier in u huys verteerd?
- [51] Voor kaerssen en voor vyer, voor drincken en voor eten,
- 130
- End' huysvestingh daer by, dat mocht ick garen weten? 130
- Waer op doe Veelker weer, o soete lieve lam!
- 't Was uyt goedgunstigheyd dat ick u by my nam, 132
- Om u verstramde le'en op 't mackelijckst te vieren, 133
- Maer niet om geld noch goed, dat 's tegen mijn manieren. 134
- 135
- Derhalven, voor mijn dienst, eysch ick in 't minste niet 135
- Dan dat ghy vast vertroud, dat het uyt liefd' gheschied.
- Wyl ghy (sprack Cupido) u soo beleefd wild toonen, 137
- Soo sal ick wederom u met beleefdheyd loonen.
- Hy had het nau geseyd, of het ghevlerckte wicht, 139
- 140
- Schoot krachtig in zijn borst een schoon vergulden schicht, 140
- Neemt (seyd hy) dat in dank, en trekt terstond aen 't vryen 141
- Ick sweer u by mijn boogh, dat ghy wel sult bedyen. 142
- Ick heb voor u erweeld, de schoonste, soetste maeghd 143
- Die ghy u leven lang oyt met u oogen saeghd,
|
114 waaraan Phoebus gewoon is zijn glans te ontlenen.
119 best: 't is het beste.
123 soetjes: rustig; moght: kon.
124 de venster: het venster.
127 lieve weerd: waarde gastheer.
130 mocht: zou; garen: gaarne.
132 goedgunstigheyd: genegenheid, welwillendheid.
133 op 't mackelijckst: zo gemakkelijk mogelijk; vieren: bij 't vuur drogen.
134 dat 's tegen mijn manieren: dat is mijn gewoonte niet.
135 in 't minste niet: niets anders.
141 neemt dat in dank: neem dat dankbaar aan; vryen: aanzoek doen.
142 wel bedyen: succes hebben.
143 erweeld: uitgezocht; soetste: liefelijkste.
|
[p. 81]
-
- 145
- Van leden net besne'en, uytmuntend in haer zeden, 145
- Van wesen gantsch beleefd, en treflijck in haer reden, 146
- Bequaem en soet van aerd, maer dit 's noch 't aldermeest, 147
- By dese gaven, is sy nederigh van geest,
- Al d'yd'le grootsicheyd, en sotte hovaerdyen, 149
- 150
- Heeft sy altijd getracht ghelijck een pest te myen, 150
- In 't kort, al wat ghy van een vrou vereyschen meughd 151
- Dat vind ghy al by haer in 't bloeyen van haer jeughd.
- Van treffelijck gheslacht, en tydelijcke haven, 153
- Heeft sy den hoogen God te dancken voor zijn gaven.
- 155
- [52] Dus Veelker u gheluck sal klimmen inder yl, 155
- 't Welck ick u segghen wil met dese gulden pyl,
- Het welck een teycken is, dat ghy met gulden Jaren,
- En alle vreughden sult vergrysen uwe hayren. 158
- U kind'ren sult ghy sien vol-wassen in de deughd,
- 160
- Ghesegend in de schat tot uwer beyder vreughd. 160
- Nu dan mijn vriend vaerd wel, ick sal wel sorghe dragen
- Dat ghy met vreughde sult verslyten uwe daghen,
- Na Dockum ist dat ick nu teghenwoordigh gae, 163
- Daer u beminde woond, volght ghy my ylich nae, 164
- 165
- Het sal u wel vergaen, mijn meeningh kan niet dwalen, 165
- Ghy hebt my wel onthaeld, sy sal u wel onthalen. 166
- Ick ben daer borghe voor, dit had het nau gheseyd,
- Of 't vloogh ten huysen uyt met alle snellicheyd. 168
- En Veelker die begon door dese schicht te voelen,
- 170
- Een wonderlijcke brand in syne boesem woelen,
- Die hem na Dockum dreef, om hulpe van de Son
- Te soecken, die alleen zijn ziel ghenesen kon,
- De baken van zijn vreughd, de doel van zijn ghedachten, 173
- Waer van hy alle lust sou hebben te verwachten,
- 175
- De lieffelijcke maeghd, die zijn beminde vrou,
- En stroom van zijn gheluck in 't ende wesen sou.
- O Taetsken Ornia, Fonteyn van alle lusten, 177
|
146 wesen: gelaat; treflijck: voortreffelijk; in: wat betreft; reden: spreken.
151 vereyschen: verlangen; meughd: kunt.
153 van: vanwege, wat betreft; haven: have, goed.
155 inder yl: snel; klimmen: toenemen.
158 vergrysen: zien grijs worden.
163 teghenwoordigh: op dit ogenblik.
164 daer: waar; ylich: ijlings.
165 mijn meeningh kan niet dwalen: ik kan me niet vergissen.
168 alle snellicheyd: de grootst mogelijke snelheid.
173 de baken: het baken; de doel: het doel.
177 fonteyn: bron; lusten: genoegens.
|
[p. 82]
-
- Hy wist om uwent wil noch nacht noch dagh te rusten, 178
- Soo branden hem zijn borst, uyt een oprechte min, 179
- 180
- Die tot zijn sterf-dagh toe staech blyven sal daer in, 180
- [53] Maer Cupido, die God, die sagh op zijn verdrieten, 181
- En deed hem op het laetst u weder min ghenieten,
- Tot weer-loon van de gonst, die hy hem had betoond, 183
- Dus word de deughd altijd met deughde weer beloond.
- 185
- O dan gesegend paer! door liefde t'saem ghebonden,
- Die door beschickingh Gods malcander hebt ghevonden,
- Den Heer die 't al beheerscht, die geef u soo veel vreughd 187
- Dat ghy nau met een wensch meer van hem wenschen meughd, 188
- Die gun u dat de vreed' en eendracht van u beyden
- 190
- Te samen met u dood, en eerder niet en scheyde. 190
- En dat het gheen ick door Cupido segghen liet,
- Ia meerder noch daer by u, in u tijd gheschied, 192
- Wel aen mijn Musa, houd, wild doch u seggen schorten, 193
- Of ghy sult 't lieve paer in hare vreughd bekorten, 194
- 195
- Sy sien malkander aen, de loncken gaen vast om 195
- Dan na de lieve Bruyd, dan na de Bruydegom.
- Iuffrouwen staet wat op, de tijdt is al voor handen, 197
- Ey siet de Bruygom aen, hoe wateren zijn tanden
- Al sit de Bruydt wat stil, dat acht ick niet een sier,
- 200
- Sy veynst heur maer alleen quansuys om de manier. 200
- Sy twee zijn nu al een, den een die wil als d'ander, 201
- Houdt haer om Venus wil niet langher van malcander, 202
- Tsa Iongmans gaet doch voort en tast de Bruydt eens aen, 203
- Sy wil doch zijn gebe'en om na haer lust te gaen. 204
- 205
- De maeghden zijn jalours, die soecken haer te houwen
- Tot teycken dat sy oock de Bruyd wel wesen wouwen,
- [54] Sy wenschen doch al t'saem na dese soete staet, 207
|
179 hem zijn borst: zijn borst.
181 sagh op: lette op; verdrieten: verdriet.
183 gonst: genegenheid, dienst.
187 't al: alles; beheerscht: bestuurt.
192 meerder: meer; in u tijd: tijdens Uw leven.
193 houd: houd op, zwijg; seggen: spreken; schorten: opschorten, staken.
194 hare: zijn; in: wat betreft; bekorten: te kort doen.
197 Iuffrouwen: jonkvrouwen; wat: eens; voor handen: aanstaande.
200 veynst heur: houdt zich zo; quansuys: in schijn; manier: gewoonte.
201 sy twee: zij met hun tweeën.
203 voort: verder; tast: vat, grijp.
207 wenschen na: verlangen naar; soete: aangename; staet: toestand.
|
[p. 83]
-
- En dat sy mochten gaen, daer sy nu henen gaet,
- Na d'aengename lust, de wereld vol ghenuchten,
- 210
- De woon-plaets van de vreughd, de schat-kist aller kluchten. 210
- Nu jonghmans siet wel toe dat ghy u eer bewaerd, 211
- Op dat dees Bruyloft ons een ander Bruyloft baerd.
|
210 de woon-plaets van de vreughd: waar altijd vreugde is; kluchten: grappen, zotternijen.
211 bewaerd: (toezicht) houdt (op).
|
|
|