[p. 84]
[54] [Mijn soete Coninginne]*
- Stemme: Si tanto gratiosa.
-
- 1.
- Mijn soete Coninginne, 1
- Ghy syt de woonplaets van al myn gepeynsen, 2
- Wat wil ick dan myn minne,
- noch pogen voor u (ô myn Son) te veynsen? 4
- 5
- Want siet schoon kind,
- Myn hart begind,
- Soo heet soo sterck te branden,
- Dat daer geen stelpen, 8
- Noch raed toe is,
- 10
- Dan 't helpen uwer handen. 10
-
- 2.
- Dies bid ick u ionckvrouwe 11
- Mijn eenigh heyl, mijn licht, mijn uytverkoren,
- Ontfangt de Trouwe Trouwe
- Van my, u Dienaer, t' uwen dienst geboren,
- 15
- Ghy zijt de geen
- Dien ick alleen
- Bedien en sal bedienen, 17
- Soo lang den Heere
- My 't leven sal begeere
- 20
- Te verlienen. 20
|
2 bij u zijn steeds al mijn gedachten.
4 veynsen: ontveinzen, verbergen.
10 dan: anders dan; 't helpen: de hulp.
11 dies: daarom; bid: vraag.
|
[p. 85]
-
- 3.
- [55] Aenschouwd, Prinçes, mijn wesen, 21
- 't Welck 't boeck is van mijn al te droevigh harte, 22
- Daer mooght ghy klaerlijck lesen 23
- U Dienaers druck, en d'oorsprong van zijn smarte, 24
- 25
- En d'wijl ick dy 25
- Soo min, wild my
- Doch weder-minne toogen, 27
- Soo sal de Vreughde
- Flux bannen d'ongeneughde
29
- 30
- Wt mijn oogen.
-
- 4.
- En of ghy schoon te vlieden 31
- Woud poogen om u glans voor mijn te bergen,
32
- Ach Lief 't kan niet geschieden,
- Ghy sult den Hemel te vergeefs maer tergen, 34
- 35
- Want siet ghy bent
- Soo vast geprent,
- In 't pit mijns harts door minne, 37
- Dat soet noch suere
- De macht u heeft te vueren 39
- 40
- Wt mijn sinnen. 40
-
- 5.
- Dat my den Heer der Heeren 41
- Den keur wou van al d'aertsche pracht verleenen, 42
- Ick sou van hem begeeren
- Dat hy my wou, met u mijn lief, vereenen, 44
- 45
- En dat ick dan
- Mocht nimmer van
- U lieve by-zijn scheijen, 47
- Tot dat het sterven,
- Het leven quam bederven 49
- 50
- Van ons beyen.
|
22 't welck 't boeck is van: waarop te lezen valt.
23 mooght: kunt; klaerlijck: duidelijk.
31 of ghy schoon woud: al woudt ge.
44 vereenen: verenigen, paren.
47 by-zyn: aanwezigheid; scheyen: scheiden.
49 bederven: beëindigen, besluiten, te niet doen.
|