[p. 86]
[55] Nieu-Liedeken tot lof van Vrieslandt.*
- 1.
- O Vriesland! so vol Deugden, als ick een Landschap weet, 1
- Vercierd met duysend Vreugden, u bodem is bekleed 2
- Met Korenrijcke Velden, u Steden syn voorsien
- Met Wallen en met Helden, die wijslijck u gebie'n, 4
- 5
- O Friesche Aerd! Recht Edel Landt, 5
- Die door het swaerd de Vryheyd wandt. 6
-
- 2.
- U wel beboude landen zijn rijckelijck vercierd 7
- Met vruchten veelderhande, en gras voor u ghediert,
- Het welck den Heer laet groeyen, soo vruchtbaerlijck, dat elck 9
- 10
- Sou segghen, daer te vloeyen, Kaes, Butter, Honigh, Melck.
- O Friesche Aerd! recht edel Land
- Die met het swaerd u vryheyd wand.
-
- 3.
- Ghy siet u land bolwercken, met steden, schanssen sterck, 13
- Van dorpen, torens, kercken, ick uws ghelijx niet merck. 14
- 15
- In u roem-waerde wetten, ghy van gheen reden wijckt, 15
- Iae, als men 't recht sal setten, Athenen ghy ghelijckt. 16
- O Friesche Aerd, &c.
|
1 deugden: voortreffelijkheden.
2 vercierd met: voorzien van.
4 wijslijck: op verstandige wijze; u gebie'n: heerschappij over U voeren.
5 aerd: aarde, grond; recht: zeer.
9 vruchtbaerlijck: overvloedig.
13 bolwercken: ‘bebolwerken’, versterken; schanssen sterck: sterke schansen.
15 ghy van gheen reden wijckt: wijkt gij niet af van wat de redelijkheid voorschrijft.
16 als het om het vaststellen van het recht gaat? of: als men het naar waarheid zal zeggen.
|
[p. 87]
-
- 4.
- U grensen, die besluyten de dijcken hoogh en vast,
- Waerop de zee moet stuyten, gheen Coningh u belast. 19
- 20
- O Princelijcke rijcke! gheleghen in het Noord, 20
- Wie heeft van uws ghelijcke zijn leven oyt ghehoord?
- O Friesche Aerd! &c.
-
- 5.
- d' Inwoonders heusch van zeden, geneygd tot eer en deugd, 23
- Die hebben inde vreden en stilheyd haer gheneughd. 24
- 25
- Den armen goedertieren, barmhertigh, mild, soo dat
- Gheen Eeuw heeft in manieren oyt uws ghelijx ghehad. 26
- O Friesche Aerd! &c.
-
- 6.
- U Adel, soo manhaftigh als oyt de Wereld droegh,
- Bewoond het land eendrachtigh, en send oock wonder vroegh 29
- 30
- Haer kinderen ten stryde, die met gheweer in d'hand 30
- Te sterven niet en myden tot dienst van 't vaderland. 31
- O Friesche Aerd! &c.
-
- 7.
- [57] Noyt schoonder Vrous personen de blonde Son bescheen,
- Als in 't vry Friesland wonen, so wel gesteld van le'en, 34
- 35
- So rijck van eerbaerheden, so kuysch, so soet van aerd, 35
- So vriendelyck van reden, so statigh noch bedaerd. 36
- O Friesche Aerd! &c.
-
- 8.
- Ryck van geleerde mannen, de Dienaers van Gods woord,
- Eendrachtigh t'samen spannen, en brengen vruchten voord, 39
- 40
- Die tot geen twisten strecken: maer tot de saligheyd,
- En om elck te verwecken tot ware' Eendrachtigheyd. 41
- O Friesche Aerd! &c.
|
19 belast: belastingen oplegt.
20 princelijcke: vorstelijke; rijcke: rijk.
24 hebben haer gheneughd: stellen hun genoegen; vreden: vrede; stilheyd: rust.
26 manieren: (levens) wijze.
29 wonder: verbazend, zeer.
34 wel gesteld: goedgevormd.
35 soet: lieftallig, innemend.
36 van reden: in 't spreken; statigh noch bedaerd: standvastig en rustig.
39 samen spannen: zich inspannen.
41 verwecken: op te wekken.
|
[p. 88]
-
- 9.
- Wie kan u lof verkleynen? de Friesen in een stryd,
- Verwonnen de Romeynen, in Keyser Carels tyd, 44
- 45
- Iae sy bestormden Romen, en namen 't in, dat 's meer,
- Dies hebben sy bekomen, de gulde Vryheyd we'er. 46
- O Friesche Aerd! &c.
-
- 10.
- Door haer manhaftigheden, de Keyser Carel braef, 48
- Hun Vryheyd, en oock mede syn halven wapen gaef 49
- 50
- Te voeren in haer schilden, met Privilegie, van
- Te leven so sy wilden, en so 't hun best stond an.
- O Friesche Aerd, &c.
-
- 11.
- O Friesland wild beschutten u Vryheyd tot de dood, 53
- Laet niemand u ontnutten u Privilegien groot, 54
- 55
- Wild u als mannen weeren, blyft stadigh by 't Gebodt 55
- Van u wel-wyse Heeren, maer boven al van Godt. 56
- O Friesche Aerd! recht edel Land
- Die met het swaerd u vryheyd wand.
|
44 verwonnen: overwonnen.
46 dies: daarom, daardoor.
48 de keyser braef: de krachtige keizer.
53 beschutten: beschermen.
54 ontnutten: ontnemen, het genot ontroven van; u privilegiën groot: uw grote privilegiën.
|
|
|