[p. 89]
[59] Bruylofts-Gedicht,
Ter eeren Elbert Claesz. Eland, En Catharina de Blocq. *
- Wat vlammen voel ick in mijn droge boesem blaken?
- Wat yver komt mijn Geest weer op een nieu vermaken? 2
- Wat stijght mijn in het breyn? wat suyverd mijn ghemoed?
- Wat lust ist, die mijn lust, tot dichten lusten doet? 4
- 5
- Heb ick het strengh bevel van Themis niet ontfanghen,
- Dat ick mijn soete Lier met haer cieraet soud' hanghen 6
- Aen Veneris Altaer, en laten nu voortaen
- 't Lust-lockende ghedicht voor and're Dichters staen? 8
- Vervolghens 't oud' ghebruyck der waerdighe Poeten, 9
- 10
- Daer van d'Historien noch veel te segghen weten, 10
- Die eyndelijck versaed' van Hypocrenis sop, 11
- Haer Lieren hinghen in vrou Venus tempel op, 12
- En gaven heur verstand tot and're oeffeninghen. 13
- Wat lockt dan nu mijn tongh om op een nieu te singhen?
- 15
- Wat port mijn, om mijn Lier te nemen byder hand, 15
- Dat doch de Poesie doet springhen uyt de band? 16
- Ha! nu bespeur ick 't eerst, en word deur 't speuren bangher,
- Want, hoe! het blaeu ghewulf gaet selfs tot barsten swanger 18
- Met een'ghe nieuwigheyd. Siet daer, het scheurd van een, 19
|
* Elbert Eland trouwde te Amsterdam met Catharina de Blocq, geboren Haarlem 1596, gedoopt Spaarndam 2 okt. 1616.
2 op een nieu: opnieuw; vermaken: verheugen.
4 mijn: mij; lusten: smaken, gevoelen.
6 soete: aangename; cieraet: kleinood, schoonheid.
8 laten 't lust verwekkende gedicht aan andere dichters over.
9 vervolghens: volgens; waerdighe: verdienstelijke.
11 versaed': verzadigd; sop: sap.
13 gaven ... tot: overgaven aan, wendden tot; heur: hun.
16 doch: toch; doet springhen uyt de band: losmaakt.
18 hoe: wat; ghewulf: (hemel)gewelf; selfs: zelf.
19 een'ghe nieuwigheyd: slechts een nieuwtje.
|
[p. 90]
-
- 20
- Daer daeld een groote schaer van Hemel-lien bene'en; 20
- Maer wie ist dien ick daer op een yvoren waghen
- Dwars door de Wolcken sie van gayle Mosjes draghen? 22
- 't Is Venus in haer throon, t is Venus die haer pracht, 23
- En hooghste hoovaerdy te samen heeft ghebracht. 24
- 25
- Maer wat voor jongeties, wat zoete bolle dieren 25
- Syn dat, die om haer throon en om haer lichaem swieren?
- Elck heeft een gulden boogh, elck heeft zijn koker vol
- Van pylen glat en gaef: dit staet te krachtigh dol. 28
- Elck heeft zijn vleugeltjes: elck heeft zijn kroesse lockjes:
- 30
- Elck heeft een dicke toorts, ghe-end op dunne stockjes. 30
- Elck heeft syn tuyghje ficx: elck doet sijn eyghen werck: 31
- Elck vlieghd als Venus winckt, elck heeft syn oogen-merck: 32
- d' Een drijfd de Mosjes voort: de tweede draeyt de raetjes 33
- Van Venus gulden koets: de derde stopt de gaeties,
- 35
- Op dat gheen wind noch tocht: moght ergens komen door, 35
- En Venus een Catar doen schieten voor haer oor. 36
- De vierde mend de koets, en treckt en vierd de zeelen 37
- Van bloemties t' saem gestrengt, dat mach wel trecken veelen. 38
- De vyfde fluyt en queeld, en twintigh te ghelijck,
- 40
- Gaen swarmen voor haer throon en singhen daer Musijck: 40
- En twintigh vlieghen na, bekranst met Myrthen Croonen,
- Die Venus met haer voerd, om Minnaers te beloonen: 42
- Thien vliegen by de Koets, en thien daer boven om,
- Thien roepen met geneughd, vrou Venus wellekom. 44
- 45
- Ick sagh dit goedjen aen, en docht wat mach dit wesen, 45
- Wie heeft van meer als een Cupido oyt ghelesen?
- En hier, hier synder veel: doen schoot my inde zin, 47
- Hoe dat Cupido kroop het Henne-nestjen in, 48
- Ontrent een jaer verleen: wat was daer al gebeyers! 49
- 50
- Daer vond Cupido in ontrent twee-hondert Eyers:
|
20 bene'en: naar beneden.
22 gayle: geile, wellustige; mosjes: vrouwtjes.
24 hoovaerdy: (oorzaak van) trots.
25 zoete: liefelijke; bolle: mollige; dieren: schepseltjes.
28 pylen glat en gaef: gladde en gave pijlen; dit staet te krachtigh dol: dit is wel heel vreemd, grappig.
31 syn tuyghje ficx: zijn flinke uitrusting.
36 en Venus een oorverkoudheid zou doen vatten.
37 treckt: trekt aan; viert: laat schieten; zeelen: touwen.
38 gestrengt: gestrengeld; mach: kan; veelen: verduren.
44 met geneughd: vol vreugde.
45 goedjen: goedje, deze schepseltjes.
47 schoot my in de zin: schoot mij te binnen.
48 henne-nestjen: kippenest.
49 ontrent: ongeveer; verleen: geleden; wat was daer al gebeyers: wat was het daar allemaal een lawaai.
|
[p. 91]
-
- Denckt wat het schelmtje deed': den afgerechten guyt 51
- Gaet sitten op den hoop en broed daer ionghen uyt,
- Die hem (soo haest hy van het nestjen is ghetoghen) 53
- Met vleugels zijn ghevolghd, en naer de lucht ghevloghen
- 55
- Als kleyne Engelties, als kleyne Cupidoos:
- Wat was vrou Venus blyd, en wat was Juno boos, 56
- [60] Om dat haer Paeuwen start voor dese pracht moest wijcken, 57
- Die by dit schoon ghewoel niet was te verghelijcken.
- En Venus was verheughd, en sprongh van hoovaerdy, 59
- 60
- Om dat sy nu in pracht gingh al de Goon voorby. 60
- Wat word sy nu gediend! want dese kleyne narren
- Die legghen in de nacht te kijcken door de starren. 62
- Elck heeft syn eygen plaets: elck houd zijn eygen wacht,
- Elck let wel op 't gheklagh der Minnaers, die by nacht
- 65
- Gaen dolen langhs de straet, sy letten op haer karmen, 65
- En op de wreetheyd oock van die haer niet erbarmen, 66
- En segghen 't 's and'ren daeghs, vrou Venus haer Goddin,
- Die schickt daer dadelijck beyd raed en middel in. 68
- Die let met rijp beraed op d'onverdiende smerten 69
- 70
- Der Minnaers, en vermurruw't der jonghe dochters herten.
- Soo komt het datmen nu in Charons leren boot
- Niet soo veel Minnaers voerd, die wanhoop heeft ghedood, 72
- Als by Nasonis tijd, want dese kleyne spien 73
- Doen Venus haer elend, als in een spiegel, sien. 74
- 75
- Die lellen haer aen 't oor, die gunnen haer gheen rusten, 75
- Tot sy den Minnaer voerd in d'haven van zijn lusten. 76
- Met dese lieflijckheyd, Dit onghemeen cieraed 77
- Quam Venus in ons stadt ontrent den avond laet,
- En Hymeneus sat op 't voorste van haer waghen,
- 80
- Met Wettelijcke liefd en d'Echt (syn naeste maghen) 80
- Verselschapt op het schoonst. Noch sagh ick op haer Koets 81
- De Gratien alle dry, dat gaf my vry wat moeds,
|
51 denckt: stel u voor; schelmtje: schelmpje, rakker; afgerechten: afgerichte, aarts; guyt: deugniet.
57 start: staart; wijcken: onderdoen.
60 gingh ... voorby: overtrof.
62 legghen: liggen; starren: sterren.
65 haer: hun; karmen: kermen.
68 schickt in: zorgt voor; middel: hulp (middel).
73 spien: spionnen, verspieders.
75 lellen: zaniken; haer aen 't oor: aan haar oor; rusten: rust.
77 lieflijckheyd: lieftallige wezens; onghemeen: buitengewoon.
80 maghen: bloedverwanten.
81 verselschapt: vergezeld; op het schoonst: zo mooi mogelijk; noch: bovendien, verder.
|
[p. 92]
-
- Haer volghden in een Wolck de Musen alle neghen,
- Die al haer speel-tuygh voort uyt hare kassen kreghen, 84
- 85
- En stemden haer gheklanck tot droefheyd of tot vreughd?
- Doen stond' ick als verbaesd, ghelijck ghy dencken meughd. 86
- Ick sagh de toortsen aen, 't hert scheen my schier te breken, 87
- Wie (docht ick) werd door soo veel vyers en vlams ontsteken? 88
- Wie ist die soo uytmunt? wie ist die Venus hand
- 90
- Ghedenckt t'onsteken met soo treffelijcken brand? 90
- Het woord was nau gheseyd, of ick sagh al de stralen, 91
- Recht voor Blocq's verwery tot Haerlem neder dalen. 92
- Vrou Venus trad voor aen, sy klopten aen de poort, 93
- Alwaer sy daed'lijck wierd van 't huys-gesin ghehoord, 94
- 95
- En cierlijck in ghehaeld, sy gaf haer inde salen, 95
- Waer in haer Engeltjes begonden om te malen: 96
- d' Een vloogh strax op de Koets, den ander op de Troon, 97
- De derde op de kas: maer ach! wat stond het schoon, 98
- Doen op den aenrecht-banck, recht tusschen al de vaten 99
- 100
- Van silver en van goud' dees kleyne Goodjens saten,
- Met toortsjes in haer hand, recht perspectijfsghewijs, 101
- d' Een hoogh en d'ander laegh, het scheen een Paradijs
- Vol Hemelsche gheneuchd: men sagh de salen proncken
- Vol cierelijcke glans, en blakerende voncken. 104
- 105
- Doen elck nu op zijn plaets sat naer zijn eygen wil,
- Gaf Venus haer een winck, en al den hoop sweegh stil. 106
- Daer op verhief sy strax haer stem vol Godlijckheden,
- En sprack met d'oude Blocq, dees, of ghelijcke reden: 108
- O Blocq! dat ick nu treed' tot uwen huyse in,
- 110
- Is niet om daer te broen de gaylheyd vande Min. 110
- Ick heb mijn wulpsche zoon (dat siet ghy) t' huys ghelaten, 111
|
84 voort: dadelijk; kassen: kisten.
86 doen: toen; verbaesd: verbijsterd; ghelijck ghy dencken meughd: zoals gij u kunt voorstellen.
88 werd: wordt; vyers: vuur(s); ontsteken: ontstoken.
90 ghedenckt: denkt, van plan is; treffelijck: voortreffelijk.
92 recht: precies, vlak; tot: te.
93 trad voor aen: liep voorop.
94 wierd: werd; van: door; 't huys-gesin: de bedienden.
95 cierlijk: vol eerbewijs; gaf haer: begaf zich.
96 begonden: begonnen; om: rond; malen: draaien, warrelen.
97 strax: dadelijk; koets: bed.
99 aenrecht-banck: buffet; vaten: vaatwerk, schalen.
101 haer: hun; recht: heel; perspectijfsghewijs: schilderachtig.
104 blakeren: schitterende.
106 al den hoop: de gehele hoop.
108 dees of ghelijcke reden: deze of dergelijke woorden.
110 broen: broeden, verwekken; gaylheyd: wellustigheid.
|
[p. 93]
-
- En kom u weder by met sulcke ondersaten, 112
- Als ick voor dertigh jaer, of meer op uwe Feest,
- Ben uyt een goede gonst, dien ick u draegh, gheweest, 114
- 115
- Voorsegghende dat ghy, door seghen vanden Heere, 115
- U treffelijck gheslacht so treflijck soud' vermeeren, 116
- En sien u kinderen (o overgroote vreughd!)
- Seer schoon door schoone le'en, noch schoonder door de deughd
- En dat in sulck ghetal, dat niemand uws ghelijcken
- 120
- Soud zijn in dat gheluck: maer elck u moeten wijcken, 120
- En dat is soo gheschied. Nu kom ick wederom
- Op d'eerste gast-mael van u dochters Bruydegom, 122
- Die uyt de lenden van de vroomste is ghesproten, 123
- Die soo veel gaven van den Hemel heeft ghenoten, 124
- 125
- Dat noyt het Fatum heeft aen eenigh aerdsche beeld 125
- Soo veel ghelux en heyls ghenadigh uytghedeeld.
- Hy munt in alles uyt, ick swyghe van zijn leden,
- Die spreken voor sich selfs, en roeme van zijn seden. 128
- Wat wil ick daer oock veel van roemen? onse vriend
- 130
- Is met loftuytery, noch ydel eer ghediend.
- Den ventelijcken wijn en is gheen krans van noden: 131
- Maer dat hy is een vriend van d'opperste der Goden,
- Dat tuyghd Apollo selfs, dien hy soo wel ghelijckt, 133
- Dat hy hem nerghens in als in zijn Godheyd wijckt, 134
- 135
- 't Sy dat men van zijn jeughd, of van zijn deftigheden, 135
- Met yemand in 't ghespreck gheneghen is te treden,
- [61] Daer sal zijn ommegangh soo wel by hoogh als laegh,
- Gewapend voor de Nijd, van tuyghen alle daegh. 138
- Spreeckt ghy van goed verstand, of hooghe wetenschappen,
- 140
- Op 't nutlijckst aengheleyd, hy stijght op d'hooghste trappen. 140
- En komt ghy tot de vreughd van 't sang'righ snaren-spel,
- Sijn Clavelsimbel klinckt: strax lijckt hy Phebus wel.
- Dit heeft den wysen God beweeght om af te senden, 143
|
112 kom u by: kom bij u; ondersaten: ondergeschikten.
114 goede gonst: welgezindheid; draegh: toedraag.
115 voorsegghende: voorspellende.
116 vermeeren: vermeerderen, doen toenemen in aanzien.
120 u wijcken: onderdoen voor u.
122 u dochters Bruydegom: de bruidegom van uw dochter.
123 vroomste: flinkste, edelste.
128 selfs: zelf; seden: manieren.
131 goede wijn behoeft geen krans; ventelijck: verkoopbaar; is van noden: heeft nodig.
134 godheyd: goddelijkheid, god-zijn.
138 nijd: afgunst; tuyghen: getuigen.
140 op 't nutlijckst aengheleyd: zoveel mogelijk op de praktijk gericht.
143 beweeght: bewogen, er toe gebracht.
|
[p. 94]
-
- Sijn Susters dry-mael dry, zijn heughelijcke benden, 144
- 145
- Sijn opperste vermaeck, de glory van syn Son, 145
- De beelden van zijn Geest, de vreughd van Helicon,
- Om op zijn Bruylofts-feest te spelen op haer snaren,
- 't Welck niemand is gheschied in soo veel duysend jaren. 148
- Ia tzedert Cadmi tyd, dien Phebus had besind, 149
- 150
- En staegh in waerden hiel gelyck sijn eyghen kind, 150
- Alsoo hy in zijn tijd uytstack in alle konsten, 151
- Dies sond Apollo, tot een teken van zijn gonste, 152
- De Musen op syn Feest, en dese selfde eer,
- Doet om de selfde saeck, de selfd' Apollo weer
- 155
- Aen u kinds Bruydegom, hy vuld het huys met vreughden, 155
- Sijn leven met gheluck, tot loon van syne deughden:
- Waer van de hooghste proef, en 't eelste teecken is, 157
- Het gheen hem nu gheschied door dees verbintenis,
- Waer in hy sal met vreughd en met geluck versamen 159
- 160
- Met haer, die een Goddin in alles soud beschamen.
- De glory van het land, de kroone van de jeughd,
- De ware schildery van d'onbevleckte deughd:
- Een Maeghd, die nimmermeer ghenoegh kan zijn ghepresen, 163
- 't Sy datmen van haer le'en wil spreken, of haer wesen, 164
- 165
- De Gratien alle drye bewoonen haer ghemoed,
- Die hebben haer gheleerd, ghekoesterd, opghevoed, 166
- Dies synse oock met mijn op dese Feest ghetreden.
- Om noch eens haer vermaeck te scheppen uyt haer seden,
- Op dat voor yeder een op dese Bruyloft blijckt,
- 170
- Dat sy in schoonheyd, deugd, noch heuscheyd niemand wijckt.
- Wel Iacob Blocq met u verlof sal ick dan enden 171
- Mijn redenen met u, en na de jeughd mijn wenden, 172
- Dien ick voor alle dingh ben schuldigh aen te bien,
- 't Gheluck aen u geschied, aen haer noch te gheschien. 174
- 175
- Wel Bruydegom en Bruyd van d'Heere so ghesegend,
- Dat noyt soo veel ghelux een schepsel is bejeghend
|
144 dry-mael dry: drie keer drie, negen in getal; heughelijcke benden: vreugdevolle scharen.
148 gheschied: te beurt gevallen.
150 staegh: steeds; in waerden hiel: in ere hield, waardeerde.
152 dies: daarom; gonste: genegenheid.
155 u kinds Bruydegom: de bruidegom van uw kind.
159 versamen: zich verenigen, paren.
166 gheleerd: onderricht.
172 redenen: woorden; na: naar.
174 aen haer noch te gheschien: dat haar nog tewachten staat.
|
[p. 95]
-
- Op 't rusteloose rond: ghesegend in u land, 177
- Ghesegend in 't gheslacht, ghesegend in 't verstand, 178
- Ghesegend in 't gheluck van wel-ghewonnen haven,
- 180
- Ghesegend inden Geest van treffelijcke gaven,
- Ghesegend in de liefd, ghesegend in 't ghemoed,
- Ghesegend inde stam, die u heeft opghevoed,
- Ghesegend in de glans van wel ghemaeckte leden, 183
- Ghesegend in 't cieraet van cierelijcke seden: 184
- 185
- Ick wensch u veel ghelux, en alles wat een mensch
- Soud konnen vanden Heer begeeren met een wensch.
- Dat ghy gheluckiglijck moocht treden in de sporen,
- Daer in u Vader heeft gheganghen u te voren. 188
- Dat ghy in soete weeld u aenghename tijd
- 190
- (Niet wetende van rouw noch teghenspoed) verslijt. 190
- Dat ghy veel Kinderen mooght uyt u stam sien rysen,
- Die elck sal om haer deughd en om haer schoonheyd prysen.
- Tot vrolijckheydt van u, tot nut en eer van haer, 193
- Dit wensch ick: wenscht en tracht myn wensch te komen naer. 194
- 195
- Nu Musen treed doch voort, en wild een Liedtjen singen, 195
- Dewijl ick mijn bemoey met lieffelycker dingen. 196
- Dewijl ick met myn volck op 't weeldighste bereyd, 197
- Het aengename Bed, een Hof vol soetigheyd:
- Waer op dat soete Paer soo vrolyck sullen rusten, 199
- 200
- En swemmen in een stroom van kittelende lusten. 200
- Nu vaert dan voort, ick ga, en maeck het Bed bequaem, 201
- Volgt Bruydegom en Bruydt, en lacht in Venus naem.
|
178 e.v. in: wat betreft.
183 wel ghemaeckte: welgevormde.
184 cieraet: kleinood, kostbaar bezit; cierelijcke seden: aangename manieren.
188 waarin uw vader u is voorgegaan.
190 verslijt: doorbrengt.
193 vrolijckheydt: verheuging; haer: hen (zelf).
194 te komen naer: na te komen.
196 dewijl: terwijl; lieffelycker: bij de liefde horende.
197 volck: ondergeschikten; op 't weeldighste: zo weelderig mogelijk.
200 kittelende: prikkelende; lusten: genoegens; hartstocht.
|
|
|