[p. 96]
[61] [O uyr vol vrolyckheden!]*
- Stemme: Questa dolce Serena, fol: 25.
-
- 1.
- O uyr vol vrolyckheden!
- O uyr vol soetigheyd!
- Die de vreughd voor de ieughd,
- En haer leden, 4
- 5
- Zoo aengenaem bereyd!
- O uyr! waer in de mensche
- De groote God Iupijn,
- Voor de rust, van zijn lust, 8
- Niet soud' wenschen, 9
- 10
- Noch garen willen zijn. 10
-
- 2.
- O welkom moet ghy wesen,
- Weest dubbeld wellekom,
- [62] Die de smart, in het hart
- Sult ghenesen
- 15
- Van onsen Bruydegom.
- O uyr, die al zijn suchten, 16
- Sijn droevigh ongheneughd, 17
- En elend, haestigh wend 18
- In ghenuchten
- 20
- En aenghename vreughd.
|
4 haer leden: zij die tot de jeugd behoren? hun lichamen?
8 voor: in ruil voor; lust: genoegen.
9 wenschen: wensen (te zijn).
18 wend: doet veranderen.
|
[p. 97]
-
- 3.
- Wy sweeren u met glasen,
- Ghevuld met Rinsche tijd, 22
- Die wy graegh alle daegh
- Wtblasen, 24
- 25
- Dat ghy ons welkom syt.
- Dies elck een aen zijn mond leyd,
- En drinckt hem schoontjes uyt,
- Op de rust, op de lust 28
- En ghesondtheyd
- 30
- Van Bruydegom en Bruyd.
-
- 4.
- Die in een Zee vol lusjes 31
- Gaen swemmen dese nacht,
- Daer de min, gheestigh in 33
- Met veel kusjes
- 35
- Elck troeteld dat hy lacht. 35
- Siet hoe de Bruyd'gom schaterd
- Van vreughd, siet hoe zijn mond
- Door 't ghesicht, van zijn licht 38
- Staet en waterd, 39
- 40
- Hoe snackt hy naer de stond. 40
-
- 5.
- Hoe wenscht hy naer de ganghen
- Die tavond zijn te gaen:
- Nu wel aen, waer na staen 43
- Wy soo langhe?
- 45
- 't Is tijd voor haer te gaen 45
- Na 't aenghename bedde: 46
- Het Hof vol soete weeld',
- Daermen streeld, daermen speeld
- Inde wedde, 49
- 50
- Tot men een Erfjen teeld. 50
|
22 Rinsche tijd: Rijnwijn.
24 wtblasen: leegdrinken.
33 daer ... in: waarin; gheestigh: vernuftig.
35 troeteld: liefkoost, vleit; dat: totdat; zodat.
38 door 't ghesicht: op de aanblik; licht: liefste.
39 staet en waterd: staat te wateren.
40 de stond: het ogenblik van weggaan.
43 waer na staen wy: waar wachten wij op.
49 inde wedde: om strijd.
50 erfjen: kleine erfgenaam.
|