[p. 98]
[62] Gesangh,*
- Op de wyse: Ghy die my met u braef gelaet, &c.
-
- 1.
- Princesse die mijn siel gebiedt, 1
- O Vrou van mijn hart,
- Merckt op 't onlydelijck verdriet, 3
- En d'hevige smart,
- 5
- Die ick om dy, 5
- Gestadigh ly, 6
- Erbarmd u doch eens over my, 7
- Met suchten en klagen
- Verslijt ick mijn dagen, 9
- 10
- 't Is swaer te verdragen,
- Gelooft het vry. 11
-
- 2.
- [63] 't Sy wat ick doe, ick drinck, ick eet, 12
- Ick slaep of ick waeck, 13
- Ick denck niet anders, als met leet, 14
- 15
- Op u, o mijn vermaeck! 15
- U frissche ieughd
- U wyse deughd,
- U omme-gang vol van geneughd,
- U treftighe zeden, 19
- 20
- U vloeijende reden, 20
- U aerdigheden 21
- En soete vreughd.
|
3 onlydelijck: onverdraaglijk.
6 gestadigh: steeds; ly: lijd.
12 wat ik ook doe, of ik drink, of ik eet.
13 of ik slaap of dat ik waak.
14 denck ... op: denk ... aan.
19 uw uitnemende manieren.
21 aerdigheden: bevalligheden.
|
[p. 99]
-
- 3.
- By dese gaven syt ghy noch
- Heel braef gemanierd, 24
- 25
- Maer ach! u wreede strafheyd doch 25
- Dit al we'er ontcierd, 26
- Ach, lief, beraedt
- U metter daedt, 28
- Of seght my selfs wat my mistaet, 29
- 30
- Waerom, o Goddinne! 30
- Vooghdes van mijn sinnen! 31
- Ghy dus mijn minne
- Geheel versmaedt?
-
- 4.
- Segt, ben ick kreupel? ben ick lam?
- 35
- Of ben ick mismaeckt?
- Ben ick te nederigh van stam? 36
- Of qualick bespraeckt? 37
- Of syt ghy soet, 38
- Op geld en goedt?
- 40
- Al heb ick des geen overvloedt, 40
- Dat kan ick wel winnen,
- Lief laet ons beginnen,
- Maer trou van binnen
- In ons gemoedt.
-
- 5.
- 45
- Seer haest vergaet des Werelds schat, 45
- Door krijgh of door brand,
- Maer 't aldergrootste Rijckdom, dat
- Leyd in het verstand,
- De deughd, die kan
- 50
- Licht maken, van
|
24 braef gemanierd: flink van aard.
25 strafheyd: gestrengheid, hardvochtigheid; doch: toch.
28 metter daedt: spoedig, dadelijk.
31 vooghdes: beheerseres; sinnen: geest.
36 stam: afstamming, afkomst.
37 qualick bespraeckt: slecht ter tale.
38 soet op: verlekkerd op, gesteld op.
|
[p. 100]
-
- Een arm gesel een schat-ryck man,
- Iae in korte iaren 52
- Veel goeds doen vergaren, 53
- Dus laet dat varen,
- 55
- En neemt my an.
-
- 6.
- Ick sal u dienen soo getrouw,
- (Of't sal my zijn leed) 57
- Als d'alderbraefste Man zijn Vrouw
- Op aerden oyt deed,
- 60
- Soo u yet lust, 60
- Ick sal geen rust
- Oyt hebben, eer die sy gheblust, 62
- En wat ghy wild haten,
- Dat sal ick oock laten,
- 65
- Daer op in 't praten, 65
- Word ghy gekust.
|
53 veel goeds: veel bezittingen.
57 of zo niet, dan zal het mij spijten.
60 als gij zin in iets hebt.
62 die n.l. die lust; gheblust: voldaan.
65 op die belofte, onder het praten.
|
|
|