[p. 101]
[64] Bruydt-lofs-gedicht,
Ter Eeren Hans Abbas, Ende Tiedtje Rhala. *
- Also de groote glans van Phoebi gulde stralen, 1
- Verswackende verdween, ia gantsch begon te dalen,
- En in haer Broeders plaets de liefdeloose Maen,
- Met haer gestarden sleep quam aenden Hemel staen, 4
- 5
- Heeft oock de sachte slaep myn sluymerige oogen, 5
- Met haeren leem bekliemd, beneveld en betoogen. 6
- Ick lagh vast op myn bed, myn leden waren moe, 7
- Myn sinnen waren dood, myn oogen waren toe, 8
- En (ist niet vreemd?) noch sagh ick langs myn kamer treden 9
- 10
- Een blinckende Iuffrouw, vol Goddelycke zeden, 10
- Heusch, minlyck van gelaet, van wesen soet en bly, 11
- Van oogen deftigh, maer seer lieflyck weer daer by, 12
- Geheel in 't wit gekleed: sy hiel in haere handen 13
- Een suyver blinckend hart, dat staegh inwendigh branden: 14
- 15
- En op haer boesem stond een rol, waer uyt ick las 15
- Dat sy des Werelds vreughd, d'oprechte liefde was.
- [65] Dees Goddelycke Nimph begost op 't laetst te spelen, 17
|
* Hans Abbas, generaal der convooien te Amsterdam trouwde in 1620 (3 proclamaties te Leeuwarden 30 jan., 6 en 13 febr.) met Tietje Rhala, dochter van Johan Hendricx, ontvanger. Titel. Bruydt-Lofs-Gedicht: gedicht ter ere van de bruid?
4 met haer gestarden sleep: met haar gevolg van sterren.
6 met haeren leem: met haar plaksel; bekliemd: bestreken; betoogen: bedekt.
7 vast: goed en wel, al lang.
8 sinnen: gedachten, geest.
10 blinckende: stralende; Iuffrouw: jonkvrouw; zeden: manieren.
11 gelaet: gedrag, doen en laten; wesen: gelaat; soet: lieftallig.
14 staegh: aldoor; inwendigh: van binnen; branden: brandde.
|
[p. 102]
-
- En met haer lieve tong soo çierelyck te quelen,
- Dit na-beschreven Liedt, dat myn verbaesde ziel, 19
- 20
- Sich selven tenemael voor opgetogen hiel. 20
|
19 verbaesde: verbijsterde.
20 tenemael: geheel; voor opgetogen hiel: verrukt was.
|
[Aeole! houd doch u winden in toom]
- Stemme: Suyvere, schoone, vermaecklycke Maeghd.
-
- Aeole! houd doch u winden in toom, 21
- Laetse voorsichtighjes uyt haer holen varen. 22
- Blauwe Neptune beslecht uwen stroom, 23
- Effend de golven van u verwoede baren,
- 25
- Op dat met geluck en vreughd,
- Sonder tegenspoeden,
- By zijn opperste geneughd, 27
- Dwars door uwe vloeden,
- De Bruygom veyligh kom
- 30
- Van d'Hollandsche palen, 30
- By de rust van zijn lust 31
- In de Friesche salen.
-
- 2.
- D'Eerbare, kuysche, deugdsame Iong-Vrou,
- Diemen de spiegel des ieughds met recht mach noemen:
- 35
- Die door haer seldsame schoonheden sou
- Parssen een yeder om van haer lof te roemen. 36
- Die in 't bloeijen van haer ieughd
- Blinckt in brave zeden, 38
- [66] Wijsheyd, heuschheyd, schoonheyd, deughd
- 40
- En sin-rijcke reden, 40
- Hoopt en wacht dagh en nacht 41
- Naer hem (haer beminde)
- Die haer siel soo beviel,
- Dat s'hem best besinde. 44
|
23 beslecht: slecht, effent.
27 bij de oorzaak van zijn hoogste genoegen.
30 palen: grenzen, gebied.
36 parssen: pressen, dwingen.
38 uitmunt door flink karakter.
44 best besinde: 't meest beminde.
|
[p. 103]
-
- 3.
- 45
- Hierom o Heer, die het alles beheerd, 45
- Gund dat sy eerst met gheluck te saem vergaren: 46
- Gheeft dan daer na dat haer voorspoed vermeerd, 47
- En dat s'in vreughden verslyten al haer jaren. 48
- Dat sy van gheen ongheluck,
- 50
- Onheyls slincksche streken,
- Schaden, twisten, droeve druck, 51
- Weten oyt te spreken;
- Maer dat sy, altijd bly en gherust'lijck leven,
- Op dat Heer, sy u d'eer,
- 55
- Voor u gonste gheven. 55
-
- Soo sy dit had vol-end, is sy by my gheseten, 56
- En ick, nieus-gierigh, en begeerigh om te weten
- Wat datter wederom voor nieus op handen waer,
- Ben dus in het ghespreck ghetreden voort met haer. 59
-
- 60
- O Goddelijcke maeghd! uyt wiens beleefde wesen 60
- De alderplompste mensch sou alle deughden lesen, 61
- In wien de liefde blinckt, in wien de heuschheyd blaekt, 62
- Ey seght my wie ghy syt, en wat ghy by myn maeckt. 63
- [67] Dewijl ghy 't my afvraeghd, antwoorden de Goddinne, 64
- 65
- Ick ben d'Oprechte liefd, des gaylheyds vyandinne, 65
- Die d'herten t'samen hecht van Bruyd en Bruydegom,
- Met sulcken vasten knoop, dat niemand die we'erom 67
- Door list, door twist, door haet, door nijd, door klapperyen, 68
- Vermagh t' ontbinden of aen stucken oyt te snyen. 69
- 70
- Al wat de gayle min door wellust-vuyr aenhist, 70
- Scheyd in 't ghemeen daer na de tweedracht ende twist.
- Maer daer de ware liefd, daer ick mijn zaet laet dalen, 72
- Vermagh gheen nijd, door tijd, my weer te rug te halen, 73
|
46 te saem vergaren: zich verenigen.
47 vermeerd: vermeerdert.
48 verslyten: doorbrengen; haer: hun.
55 gonste: gunst, genade.
56 soo: toen; vol-end: voleindigd; is sy gheseten: ging zij zitten.
60 wiens: wier; wesen: gelaat.
61 sou: (nog) zou (kunnen).
62 blinckt: schittert; blaekt: straalt.
68 klapperyen: kwaadsprekerij.
73 nijd: afgunst; door tijd: in verloop van tijd.
|
[p. 104]
-
- Ick blyf haer stadigh by, tot dat de swarte dood 74
- 75
- Den een van d'ander scheyd, en brenghtse in syn schoot.
- En wijl ick door de wil, van die myn heeft ghesonden, 76
- En daeglijx noch bestierd, twee liefkens heb gebonden, 77
- Twee zielen heb vereend, met desen soeten band.
- Waer door de ware liefd' in beyd haer herten brand,
- 80
- En eeuwigh branden sal tot dat het lieve leven
- Een van hun beyden komt ten laetsten te begeven:
- Begeer ick vriendelijck dat ghy tot haren lof, 82
- Een Bruydlofts-liedje maeckt; 't ontbreeckt u aen geen stof.
- Veel Ionghmans, of sy schoon zijn treffelijck van goede, 84
- 85
- Sijn niet te min seer arm en kleyntjes van ghemoede,
- Sy blyven altijd t'huys te heng'len by den haerd. 86
- En weten niet wat nut sich elders openbaerd:
- Maer dese Bruydegom, heeft in zijn teere jaren,
- Tot syn geluck en eer, dat treffelijck ervaren,
- 90
- [68] Die kruyssende de zee, dat grondeloose vocht,
- Veel Coninckrijcken, en veel landen heeft besocht.
- Die Spagnien vijf jaer bereysd heeft en door-wandeld,
- En daer seer treffelijck van wijd en syd ghehandeld. 93
- Italien doorsien, en den Venetiaen 94
- 95
- Met al zijn deftigheyd in syne steden staen. 95
- Castilyen beoogt, Sicilien deur-tooghen, 96
- Tot scherpingh syns vernufts, tot wellust synder ooghen, 97
- En and're landen meer. Soo wie syn stam bevraeghd: 98
- 't Syn sy daer Amsterdam haer hooghste roem op draeghd, 99
- 100
- Sijn Vader oud en grijs, bekroond met eer en schatten,
- Daer op de mag're Nijd noyt met haer gift kon vatten, 101
- Is teghenwoordigh noch de Mede-Generael 102
- Commijs en Heerscher der Convoyen altemael: 103
- Dat treffelijcke ampt, daer d'hooge soo na wenschen, 104
|
77 bestierd: bestuurt, beheerst, leidt.
82 begeer: vraag, verzoek; haren: hun.
84 of sy schoon zijn: ook al zijn ze; treffelijck: voortreffelijk; goed: bezit.
86 te heng'len: rondbungelen.
93 daer ... van: daarover; ghehandeld: gesproken.
95 deftigheyd: ernst?; staen: zien staan?
96 beoogt: bekeken; deur-tooghen: doortrokken, doorreisd.
97 tot wellust synder ooghen: tot genot voor zijn ogen.
98 soo wie: indien iemand; bevraeghd: informeert naar.
101 Nijd: afgunst; gift: vergif; vatten: vat (kon) krijgen.
103 heerscher: bestuurder.
104 treffelijck: aanzienlijk; d'hooge: de hoogge-plaatsten; na wenschen: naar verlangen.
|
[p. 105]
-
- 105
- Bediend hy loffelijck met gonst van alle menschen, 105
- Verwervende daer door schat en een groote naem, 106
- En voor de reste, syn zijn vrienden altesaem
- Met ampten hoogh en waerd tot op den dagh van heden 108
- Voorsien, die sy met gonst op 't loffelijckst bekleden. 109
- 110
- Soo ghy syn jonge jeughd, het bloeyen van syn tijd, 110
- Eens rypelijck aensiet, en hoe hy die verslijt, 111
- Met welck een nuttigheyd en brave oeffeninghen, 112
- Hy al syn daghen weet met voordeel door te bringhen,
- Tot lof van hem en syns: ick wed ghy segghen soud, 114
- 115
- Is hy van Iaren jongh, in wysheyd is hy oud,
- [69] Marcus Aurelius, de wyste keyser van
- 't Beroemde Roomsche rijck, hiel meer van soo een man,
- Die braef van zeden was, ervaren, rijck van sinnen, 118
- Die selver was bequaem om goed en eer te winnen, 119
- 120
- Als van een die op zijn voor-ouders eer en goed
- Droegh syn voorneemste pracht, en al syn hooge moed. 121
- En selfs 't gewonnen goed en d'eer nau kon bewaren, 122
- Ick laet dan staen veel goed en eer daer by vergaren, 123
- Maer die veel goed en eer van zijn voor-ouders erft,
- 125
- En daer noch meerder goed en eere by verwerfd,
- Door eygen lust tot deughd, door eygen naerstigheden, 126
- Door eygen scherp vernuft, door eygen goede zeden,
- Ghelijck den Bruydegom veel jaren heeft ghedaen,
- Daer hem de jonge jeughd met recht mach spieg'len aen, 129
- 130
- Ick woud' wel dat my eens de nyders seggen wouden, 130
- Watmen van sulcken man behoorlijck hoort te houden. 131
- Dit wist de wyse Maeghd, dit wist haer wyse Vaer,
- Die al de vreughde vond syns ouderdoms in haer,
- Waerom hy sorge droegh, en dat met goede reden, 134
- 135
- Aen wien, en welcken man hy wou syn kind besteden, 135
|
105 loffelijck: voortreffelijk; met gonst van: tot tevredenheid van.
106 schat: rijkdom, bezit.
108 voorsien met: voorzien van; ampten hoogh en waerd: hoge en aanzienlijke ambten.
109 op 't loffelijckst: zo voortreffelijk mogelijk.
110 het bloeyen van syn tijd: zijn bloeiende leeftijd.
111 aensiet: overlegt; die verslijt: die (tijd) doorbrengt.
114 en sijns: en de zijnen; ghy segghen soud: dat gij zoudt zeggen.
118 braef: voortreffelijk; sinnen: gedachten, verstand.
119 selver: zelf; bequaem: in staat.
121 droegh syn voorneemste pracht op: zijn hoogste eer stelde in; hooge moed: trots.
122 selfs: zelf; nau: nauwelijks.
123 ick laet dan staen: laat staan.
126 naerstigheden: vlijt.
129 hem: zich; mach: kan.
131 hoe men een dergelijk man eigenlijk behoort te beoordelen.
134 waerom: en daarom; hy sorge droegh: er met zorg op lette.
135 wou: zou; besteden: geven.
|
[p. 106]
-
- Want soo de Philosooph, de wyse Heyden sprack, 136
- 't Scheeld, of den man het goed, of't goed de man ontbrack, 137
- Maer daer het goed is, en een man die 't kan vermeeren'
- G'lijck Abbas heeft betoond, kan 't qualyck slim verkeeren. 139
- 140
- Nu wat de lieve Bruyd, de spiegel vande jeughd,
- Het Hof van goede ze'en, de woon-plaets vande deughd,
- [70] Belanght, dat ick haer lof volkomen sou beschryven, 142
- Ick sou de gantsche nacht daer mede besich blyven,
- En rechten noch niet uyt. De Vaer van dese maeghd, 144
- 145
- Met eer' en groote roem syn gryse hayren draeghd.
- 't Welck 't vrye Friesland wel heeft tot haer nut ervaren, 146
- Alwaer hy in 't begin van syne jonghe jaren
- Verscheyden ampten heeft bediend, en naderhand
- Door zijn getrouheyd, deughd, vlijt, heuscheyd, goed verstand,
- 150
- Ontfanger is erweeld van al de Clooster-goeden, 150
- Die Friesland nu besit, en eertijds plach te voeden. 151
- Het welck hy trouwelijck ruym dry en dertich jaer 152
- Bediend heeft, soo in vred', als 't oorloghs groot ghevaer, 153
- En heden noch bediend, ja soo diend na behooren, 154
- 155
- Dat hy ten acht'ren noyt, maer altijd is te voren 155
- In 's rekeninghs besluyt, o, lof van grooter waerd! 156
- Hoe weynigh vindmen nu die trouheyd op der aerd! 157
- En is het niet wel vreemd? noch vindmen sulcke menschen 158
- Die naer den ondergangh van desen vromen wenschen: 159
- 160
- En trachten hem door Nijd zijn eer te scheuren af, 160
- Wiens lof de schande noyt een eenigh vleckjen gaf, 161
- Van zijn kinds-beenen of tot op den dagh van heden:
- Die niemand ergernis gaf immer aen zijn zeden. 163
- Dan doch, als men 't bedenckt, 't is hedens-daeghs de tijd 164
- 165
- Dat vrome worden van d'onvrome luy benijd.
|
137 't maakt verschil of aan de man het bezit of aan het bezit de man ontbreekt.
139 betoond: getoond; kan 't qualyck slim verkeeren: kan 't moeilijk slecht aflopen (erg veranderen).
142 belanght: betreft; dat: gesteld dat.
144 en rechten noch niet uyt: en nog niets uitrichten, tot stand brengen.
146 haer: zijn; nut: voordeel.
150 ontfanger is erweeld: tot ontvanger is gekozen; goeden: goederen.
151 plach: placht; voeden: er op na houden.
152 trouwelijck: trouw, nauwgezet; het welck: welk ambt.
153 't oorloghs groot ghevaer: 't grote gevaar van de oorlog.
154 diend: bedient; na: naar.
155 dat hij nooit ten achter is, maar altijd in 't voor.
156 's rekenings besluyt: rekening en verantwoording; waerd: waarde.
158 wel: erg; noch: toch nog.
159 wenschen naer: streven naar; vrome: edele.
160 Nijd: afgunst; te scheuren af: te beroven van.
161 de schande: onderwerp.
163 immer: ooit; aen: wat betreft, door.
164 dan: maar; doch: toch.
|
[p. 107]
-
- Maer die den Heer betroud, kan gansch geen laster deeren, 166
- Want op den last'raer selfs sal staegh de schande keeren. 167
- [71] Van dese vrome stam is dese schoone spruyt
- Ghesproten, die nu met Hans Abbas is de Bruydt, 169
- 170
- Die door d'aentreklijckheyd van haer volmaekte leden,
- Soo çierelijck besne'en van boven tot beneden,
- Haer heuschen ommegangh, haer deftighe ghelaet, 172
- Haer goedertieren aerd, haer redens schoon çieraet, 173
- Haer kuysche eerbaerheyd, haer aengeboren deughden,
- 175
- Haer soete nedrigheyd, haer pryselijcke vreughden, 175
- Haer treffelijck verstand, haer lieffelijck ghesicht,
- Haer brave seden daer sy yeder een met sticht, 177
- Haer yver tot Gods woordt, haer vroom en oprecht leven,
- De wijsheyd die sy in haer jeughd soo had verheven, 179
- 180
- In menigh braef Iongman heeft liefd tot haer gebaerd, 180
- Dan d'Heer heeft (soo het schijnd) voor Abbas haer bewaerd. 181
- Wel d'Hemel wil haer so veel vreugd te saem beraden, 182
- Als 't Haeghsche bos is in de Lent beknopt met bladen. 183
- En ghy, voldoet mijn eys, ick laet u nu alleen. 184
- 185
- Dit had sy nau gheseyd of d'ed'le Nymph verdween.
- 'k Ontwaeckten uyt mijn slaep, en sagh dat door mijn glasen, 186
- De heughelijcke Son syn glans begon te blasen: 187
- Dies stond ick yligh op, en gaf my op de straet, 188
- Dicht by de waeg, daer sich de klap-school vinden laet, 189
- 190
- Daer heb ick datelijck de tydinghe ontfanghen,
- Dat Tiedtje Rhala had haer lieve Echt beganghen, 191
- Ick vraeghde strax, met wie? men seyde dat het was 192
- Een Hollander, ick docht, dit's juyst die Hans Abbas
- [72] Daer my de liefde deed verganghen nacht van dromen: 194
- 195
- Dies heb ick datelijck myn gangh naer huys ghenomen:
- Om (volgens liefds bevel) een vrolijck Bruylofs-dicht,
- Tot lof van 't lieve paer, te gheven in het licht. 197
|
166 betroud: vertrouwt op; kan: hem kan.
167 selfs: zelf; staegh: steeds.
172 deftighe ghelaet: ernstige manier van doen.
173 reden: woorden, spreken.
175 soete: aangename; pryselijcke: lofwaardige, prijzenswaardige; ghesicht: blik;
179 had verheven: vereerde.
182 wil: moge; beraden: beschikken.
184 voldoet mijn eys: voldoe aan mijn verlangen.
187 blasen: sturen, dringen.
188 dies: daarom; yligh: ijlings; gaf my: begaf mij.
189 klap-school: leugenbank, centrum van nieuwtjes en kwaadsprekerij; vinden laet: bevindt.
191 had haer Echt beganghen: getrouwd was.
194 verganghen: verlopen; verganghen nacht: vannacht.
197 te gheven in het licht: (openbaar) te maken.
|
[p. 108]
-
- Wel dan gewenste twee, dien God heeft willen voeghen 198
- Ick wensch u beyden toe het opperste ghenoegen:
- 200
- Dat Hymenaeus met de lieve Griecksche Maeghd,
- Daer noch op dese dagh de gantsche Wer'ld van waeghd: 201
- Noch oock Thalassus de Romeyn met syn Sabyne,
- Hetwelck een lof gebaerd heeft hem, en al de syne,
- So vredigh, heusch, beleefd, voor-spoedigh, aenghenaem,
- 205
- Eendrachtigh, lieflijck, soet, gheluckigh en bequaem 205
- Geleefd heeft, als ghy beyd te samen staegh sult leven: 206
- Dit wil de goede God u uyt ghenade gheven. 207
- Wel dan, o Bruydegom, op dat ick u niet hou
- Te langh met mijn ghedicht, van u wel lieve vrou, 209
- 210
- En haer van al haer lust, (schoon sy na de manieren 210
- Van de geveynsde Bruyds, haer droevigh schijnd te tieren,) 211
- Wensch ick u veel gelux en al des Werelds lust:
- Hier op malcander eens uyt goeder herten kust,
- De reste wijst sich selfs, daer moetmen niet van spreken,
- 215
- Dies sluyt ick mijn ghedicht, en laet het daer by steken. 215
-
- Eynde
|
198 gewenste twee: geliefd tweetal; voeghen: samenvoegen, verenigen.
205 bequaem: behagelijk; rein.
210 al haer lust: wat geheel haar genoegen is; schoon: ofschoon; manieren: gewoonte.
211 geveynsde: huichelachtige; haer: zich; tieren: houden, gedragen.
|
|
|