[p. 109]
[73] Bruydt-lofs-gesangh.*
- Stemme: Galjarde Anglois, Ofte: Trou min ick draegh, &c.
-
- Ghy vrienden van dit paer, soo wel vernoeghd,
- Dit paer, dat van den Hemel schijnd ghevoeghd 2
- Dit paer, dat d'Opper-Heer te saem heeft willen leyden,
- En niemand, als alleen de dood, vermagh te scheyden:
- 5
- Bereyd u al te samen, om
- Den Bruydt met haren Bruydegom
- Gheluck, voorspoed, vermaeck en vreughd,
- Te wenschen met gheneughd.
-
- Wenscht dat de liefd, die 't huwelijck begind
- 10
- Duer, tot de dood haers levens knoop ontbind, 10
- Dat hemel, Aerd en Hel, eer menghel door malkander 11
- Als dat haer liefd' in haet, haer vreughd in rou verander,
- Dat sonder teghenspoed of druck, 13
- Onheylen, twist en ongheluck
- 15
- Sy moghen slyten haeren tijd, 15
- Van alle ramp bevrijd.
-
- En gasten weest van goeder herten bly, 17
- Elck brengh hier voor syn soete boertery, 18
- Waer toe is 't veynsen nut? wilt gheestigh onder 't spelen, 19
- 20
- Een vrolijck liedtje met u lieve keeltjes quelen.
- Nu dan ghy Amsterdamsche jeughd, 21
- 't Geselschap met u vreughd verheughd
- En Friesen toond door blydschaps schijn, 23
- Dat hier oock Geesten zijn. 24
|
2 van: door; ghevoeghd: samengevoegd, verenigd.
10 duer: dure; haers levens knoop: de knoop van hun leven.
11 menghel: zich vermengen.
17 van goeder herten: van ganser harte.
18 brengh ... voor: vertone; soete: aangename; boertery: grappen.
19 is nut: dient; gheestigh: lustig.
23 blydschaps schijn: het laten blijken van uw blijdschap.
24 hier: in Friesland; geesten: kerels.
|
[p. 110]
-
- 25
- De Bruydegom en Bruyd begeeren beyd,
- Dat ghy haer vreughd door uwe vrolijckheyd 26
- Vermeerd, vereerd, vergroot, en alle onghenuchten 27
- Verwerpt, veracht, verkeerd in lodderlijcke kluchten. 28
- 't Sa drinckt die Roemer rondom uyt, 29
- 30
- Op d'heyl van Bruydegom en Bruydt,
- Wenscht dat magh worden binnen 't jaer,
- Sy Moeder en hy Vaer.
-
- Nu maeghden doch de Bruydt soo niet beset, 33
- Al schijnd sy schuw, daer op voor al niet let.
- 35
- Men weet wel dat haer hert ontfonckt met liefdens vyer is, 35
- Al veynst sy haer quansuys om dat het de manier is. 36
- Dus Jonghmans vaerd daer vry met voort, 37
- En brenght de Bruyd doch daer sy hoord, 38
- Op dat de Bruydegom gheniet,
- 40
- Het loon van syn verdriet.
|
27 vermeerd: vermeerdert; onghenuchten: verdriet.
28 verkeerd: verandert; lodderlijcke: dartele.
29 tsa: komaan; rondom: bij 't rondgaan.
33 besetten: omsingelen; vasthouden.
36 veynst sy haer: houdt zij zich zo; quansuys: in schijn; manier: gewoonte.
38 doch: toch; daer: waar.
|