[p. 113]
[76] [SNachts doen een blauw gestarde kleed]*
- Stemme:
-
- 1.
- SNachts doen een blauw gestarde kleed 1
- Bedeckten 't blauw Gewelf,
- Docht my ick sagh een kind dat kreet,
- En 't was Cupido self:
- 5
- Die sloegh vast syn ghesicht om hoogh, 5
- En klapten in syn handen,
- Ach! (seyd hy) ick wil myn pylen en myn boogh
- van stonden aen verbranden. 8
-
- 2.
- 't Wicht klaegden noch hoe langs hoe meer, 9
- 10
- De tranen borsten uyt, 10
- En rolden by zyn wangen neer,
- Het maeckten een geluydt
- Dat het alder-hardste hart van steen
- Sou tranen moeten braken, 14
- 15
- Ach! (seyd hy) wanneer sal ick het yeder een
- Te passe konnen maken? 16
-
- 3.
- Sien ick eens Harders armoed aen,
- En dwing eens Konings kind 18
- Dat hy, door liefd', nae haer te gaen 19
- 20
- Met al syn schat begind, 20
|
1 doen: toen; een blauw gestarde kleed: een blauw kleed met sterren.
5 vast: aldoor; ghesicht: blik.
8 van stonden aen: onmiddellijk.
9 't wicht: schepseltje; hoe langs hoe meer: hoe langer hoe meer.
16 te passe: naar de zin.
18 sien ick ... aen: houd ik rekening met.
19 dat: zodat; nae: naar; te gaen begind: begint te gaan, gaat.
|
[p. 114]
-
- So houd' ick regel, maet, noch re'en, 21
- Ick kan geen g'lycke raken: 22
- Maer hoe soud' ick doch het konen yeder een 23
- So nau te passe maken? 24
-
- 4.
- 25
- Soo ick dan twee gelijcke voegh 25
- In Ryckdom by melkaer,
- Soo ist: was hy niet rijck genoegh,
- Al vryden hy een aer? 28
- Een schoon', hoewel van midd'len kleen,
- 30
- So mocht haer armoed staken: 30
- Maer hoe soud' ick doch het konen yeder een
- So nau te passe maken?
-
- 5.
- Voegh ick dan t'saem twee ongeleerd, 33
- Om 't smalen eens t'ontgaen,
- 35
- Soo ist: ey siet, dit's recht verkeerd, 35
- Dees heeft hy niet gedaen, 36
- Was nu noch een wys van hun tween,
- Die mocht voor d'ander waken: 38
- Maer hoe soud' ick doch het konen yeder een
- 40
- Soo nau te passe maken?
-
- 6.
- [77] Soo ick dan, dien ick 't wyste ken, 41
- Voegh by een slechte Meyd, 42
- Ist voort, nu heeft een wyse Hen 43
- Een ey in 't Riedt geleyd,
- 45
- Het geen hy prijst, sal (soo ick meen) 45
- Syn Wijf wel dapper laken: 46
- Maer hoe soud' ick doch het konen yeder een
- So nau te passe maken?
|
22 raken: treffen, vinden.
25 soo: als; gelijcke ... in ryckdom: gelijken, wat rijkdom betreft.
28 al: ook al; aer: ander (dan dit rijke meisje).
30 mocht: zou kunnen; staken: ophouden, er een eind komen aan.
33 ongeleerd: onontwikkeld.
38 waken voor: passen op.
41 't wijste ken: ken als de wijste.
42 slechte meyd: eenvoudig meisje.
43 voort: dadelijk; een ey in 't Riedt geleyd: iets dwaas gedaan.
45 soo ick meen: naar ik meen.
46 wijf: vrouw; dapper: zeer.
|
[p. 115]
-
- 7.
- Soo ick dan twee geleerde pyn 49
- 50
- Te voegen, om een prys, 50
- So ist, dees twee, die sullen syn
- Een yder een te wys:
- D'een geeft hy 't al, en d'ander geen 53
- Geluck in syne saken,
- 55
- Maer hoe soud' ick doch het konen yeder een
- So nau te passe maken?
-
- 8.
- Want, g'lijck die aen den wegh yet boud, 57
- Veel aenstoots lyden moet, 58
- So oock den selfden regel houd 59
- 60
- 't Geen men in 't vrijen doet,
- Als d'een seyd iae, seydt d' ander neen:
- Elck pooghd mijn lof t'ontschaken, 62
- Maer ick denck, hoe soud' ick het een yeder een
- Te passe konen maken?
-
- 9.
- 65
- Wt was 't: midts schoot hy my een pyl, 65
- En hy teegh voort op de reys, 66
- Hy lachten; dies ick inder yl 67
- Hem peurden naer syn vleys, 68
- Maer hy vloogh voor sint felten heen, 69
- 70
- En liet mijn hart staen blaken.
- Komt het dus (docht ick) dat ghy het yeder een 71
- Niet kond te passe maken?
|
49 pyn: moeite doe, me inspan om; geleerde: ontwikkelden.
50 voegen: samen te voegen; om een prijs: die met elkaar wedijveren, tegen elkaar opwegen.
57 yet: iets; g'lijck ... so: zoals ... zo.
59 houd: geldt voor, volgt.
62 mijn lof t' ontschaken: mij te beroven van lof.
65 midts: inmiddels; my: in mij.
66 teegh: toog; voort: dadelijk.
69 voor sint felten: als de gesmeerde bliksem.
|
|
|