[p. 116]
[77] [Suyvere, schoone, vermaecklijcke Maeghd]*
- Stemme: What if a Daye, or a moneth, or a yeare.
-
- 1.
- Suyvere, schoone, vermaecklijcke Maeghd, 1
- Van de Natura begaeft met hooge gaven,
- Seght doch waerom myn elend' u behaeghd? 3
- En dat ghy my dus alleenigh hier doet draven? 4
- 5
- Sult ghy u niet mijen van 5
- u Dienaer te plagen,
- Die niet langer lijen kan, 7
- noch in 't hart verdragen,
- 't Wreed gelaet, dat ghy slaet 9
- 10
- Op hem t'allen tyden,
- Sal de dood uyt syn nood
- end'lick hem bevryden.
-
- 2.
- [78] Al wat in 't dal vanden bal hier in 't rond 13
- Leeft, ofte sweeft, dat begeeft sich tot de ruste,
- 15
- Maer, ick moet swaerlyck, gevaerlyck gewond 15
- Treen, vol geween hier alleenigh in onruste:
- Schoone Son, myn troost, myn hart, 17
- Al laet ghy my klaghen,
- 'k Hoop niet dat ghy in myn smart
- 20
- Heb nochtans behagen, 20
- Lieve vreught van myn jeught,
- Dus kan ick niet leven.
- Wilt my noch, bidd'ick, doch 23
- Eens genade geven.
|
1 suyvere: reine; vermaecklijcke: behagende.
4 dat: wat het is, dat; alleenigh: alleen; draven: rondlopen?
7 lijen: dulden, verdragen.
13 dal: vallei, vlakte; bal: wereldbol.
17 mijn troost: mijn liefste.
20 heb: hebt; nochtans: bovendien.
23 noch ... eens: nog ééns.
|
[p. 117]
-
- 3.
- 25
- Merckt, o Jongfrou, op de trou van myn min, 25
- En het gewichte van myn standvastigheden, 26
- Heb ick niet stadigh gevierd, als Goddin 27
- U (myn vermaeck), en u gonsten aengebeden? 28
- Sult ghy dan myn trouwigheyd 29
- 30
- (O myn overschoone!)
- Met so wreed', en straf beleyd 31
- Wederom belonen 32
- Tegens reen? Ick hoop neen, 33
- Of ick iae moet vreesen, 34
- 35
- Want ick weet, schoon en wreed
- Kan by een niet wesen. 36
|
26 het gewichte: de waarde.
28 vermaeck: behagen; u gonsten aengebeden: om uw genegenheid gesmeekt.
31 straf: streng, hardvochtig; beleyd: houding, gedrag.
33 tegens reen: tegen (alle) redelijkheid.
|