[p. 118]
[79] Eer-Gaef,
op de Bruydlofts-Feest van Joncker Frederick van Inthiema, en Iuffrouw Helena Husemans. *
- Onlanx gheleden doen ick 's Hemels blaeuwe boghen, 1
- Sagh cierlijck over al bepronckt met gulden ooghen, 2
- En dat de silv're Maen, de suster vande Son 3
- Haer dagh-gelijcke glans te geven eerst begon,
- 5
- Heeft my het lieflijck we'er al lockende ghebeden, 5
- Om lanx de straten mijn een weynigh te vertreden.
- Ick had niet langh ghegaan, of ick was metter haest 7
- Omcingeld van een Wolck, verwonderd en verbaesd, 8
- Den Hemel vol ghesternt, vol heldere cieraden,
- 10
- Verwisselden zijn glans in duystere ghewaden.
- Ick sagh vast om end' om, ick dacht wat droes is dit? 11
- Ben ick in Plutoos hol? 't is swarter hier als git.
- Dit 's wis een tovery, waer in een groot ghevaer leyd. 13
- Het woord was nau gheseyd, of ick sagh weer een klaerheyd 14
- 15
- Reght midden inde Wolck, waer in Cupido stond, 15
- En lachten in syn vuyst met opghespalckten mond, 16
- En riep, staet, Starter staet, ghy sult hier een ghesichte 17
- Sien, daer ghy stof genoegh sult hebben van te dichten. 18
|
* Frederick van Inthiema, burgemeester van Workum, trouwde 29 dec. 1616 te Leeuwarden met Helena Huijsmans, weduwe van Jonker Jan Staeckman.
1 onlanx gheleden: kort geleden; doen: toen.
7 metter haest: plotseling.
8 omcingeld: omgeven; van: door; verbaesd: verbijsterd.
11 vast: aldoor; om end' om: rond; droes: duivel.
16 opghespalckten: wijdopen.
|
[p. 119]
-
- Voort docht my dat ick sagh een treffelijck ghebou, 19
- 20
- Waer voor een Jonghman, gantsch bedoven in de rou 20
- Gingh wandelen, dien ick vast dees ghelijcke woorden, 21
- Met een benaude stem, vol suchten, spreken hoorden.
- Ach! (seyd hy) lieve vrou, ghy pijn-banck van mijn hart!
- Hoe langhe sal ick noch volherden inde smart?
- 25
- Hoe kond ghy, o Goddin, dit vraegh ick, langher lyden 25
- Dat ick dus troosteloos verslijt mijn jonghe tyden? 26
- Terwijl al watter is, ja al wat adem heeft,
- Sich tot de stille rust en tot de slaep begeeft.
- Terwijl het schubbigh Vee, de Visschen in de stroomen,
- 30
- De Dieren op het veld, de Vogels inde bomen,
- De Byen in hun korf, de Mieren, ja al 't gheen,
- Dat vanden Hemel oyt de gulde Son bescheen,
- Neemt in de soete slaep syn opperste behaghen, 33
- Soo leyd u dienaer voor u dove deur te klaghen. 34
- 35
- Hier leyd hy uytghestreckt, hier leyd hy en beschreyd,
- Sijn onbeloonde min, en u hertneckigheyd,
- Hoe kan een sachte vrou soo groote wreedheyd toonen,
- Of in soo schoonen borst, soo wreeden herte woonen? 38
- Hoe syt ghy teghens mijn, Goddinne, doch dus straf, 39
- 40
- Die u mijn leven langh daer toe gheen oorsaeck gaf? 40
- Ick heb u noyt misdaen, of ghy soud moeten mienen, 41
- Dat dat sou sijn gheschied door trouwelijck te dienen 42
- U, dien ick voor mijn heyl en mijn welvaren hou, 43
- En sonder wien ick niet een uyre leven sou,
- 45
- Verhoord mijn doch in 't end, o voedsel van mijn leven!
- Die my het selfde weer kond' nemen ofte gheven. 46
- Och! of ghy door een spleet, of door een venster saeghd, 47
- Het lijen van u vriend en hoorden hoe hy klaeghd, 48
- Misschien of u Goddin, mijn overdroeve woorden, 49
- 50
- Noch endelijcken tot barmhertigheyd bekoorden. 50
- Helena, lieve lief, 't is nu in 't derde Jaer
|
19 voort: verder; treffelijck: uitnemend.
21 dees gelijcke woorden: woorden gelijk deze.
25 kond: kunt; lyden: dulden.
26 verslijt: doorbreng; jonge tyden: jeugd.
34 u dove deur: de deur van u die doof zijt.
38 soo wreeden: een zo wreed.
39 doch: toch; straf: hardvochtig.
46 het selfde: dit leven; ofte: of.
47 of ghy ... saeght: mocht gij toch zien.
49 goddin: liefste; misschien of: 't zou kunnen zijn dat.
50 bekoorden: zouden overhalen.
|
[p. 120]
-
- Dat ick u heb ghediend, ach! 't lyen is te swaer.
- Soo veer daer nu een boogh, een proef-stuck vande trouwen, 53
- En de stantvastigheyd der minnaers tot hun vrouwen
- 55
- [80] Was, g'lijck als in den tijd van Amadijs den Held,
- Ick sou op 't hooghst daer als verwinner syn ghesteld, 56
- Ick min, ick min, ick min, en dat sonder ghenieten,
- Ach! lieffelijcke lief, wien sou dat niet verdrieten?
- Ghy sijt de Ster en 't wit daer mijn gheneghentheyd 59
- 60
- Sijn uyterst ooghen-merck alleen heeft op gheleyd. 60
- U liefde, lieve lief, door-dringht al mijn ghedachten,
- En teeld in mijn ghemoed een drangh van bitt're klachten, 62
- Soo dat ick sorgh helaes! dat d'ende van mijn pijn, 63
- Niet dan de bitt're dood, sal noch ten laetsten zijn. 64
- 65
- Verdien ick 't sterven dan om dat ick u, Goddinne
- Meer als mijn eyghen lijf en al de Wer'ld beminne? 66
- Mijn lyden, bitt're pijn, mijn druck is dat u vreughd? 67
- Ach! 'k hoop niet ghy u in mijn verdriet verheughd,
- Kon ick u 't binnenste van mijn ghedachten toonen,
- 70
- Daer soud ghy u, o lief, na 't leven in sien woonen, 70
- Daer soud ghy u dan sien, ick sweer u, dat ghewis
- U liefde in mijn hert soo diep gheworteld is,
- Datmen het selfde eer aen stucken van malcand'ren 73
- Sou scheuren, als u min daer uyt te doen verand'ren. 74
- 75
- Waer op Cupido, vriend, hoe klaeght ghy doch soo seer?
- Wil u, u liefste niet, wat 's dat? men vinter meer, 76
- Veracht sy u ghebeen, wat wild ghy langer beyden, 77
- Volghd my, ick sal u naer een ander lief gheleyden.
- Die haer in schoonheyd veer te boven gaet ghewis 79
- 80
- En beter oock als sy, u liefde waerdigh is. 80
- Waerop de Jonghman weer, o God, wat moogd ghy praten? 81
- Hoe soud'ick mijn Goddin, mijn Engel konen laten? 82
- Eer sou de gulde Son zijn schynen laten staen, 83
|
56 op 't hooghst: op 't hoogste punt; verwinner: overwinnaar.
60 alleen zijn laatste blik op heeft gericht.
70 na 't leven: naar 't leven (afgebeeld).
74 u min: de liefde voor u; vgl. U liefde (72).
76 wil u u liefste niet: wil uw liefste u niet, is zij niet op u gesteld.
77 ghebeen: smeekbeden; beyden: wachten; wat wild ghy langher beyden: waarom zult gij langer wachten.
81 wat mooghd ghy praten: hoe kunt gij zo praten.
83 laten staen: ophouden met.
|
[p. 121]
-
- Eer sou de diepe zee uyt drooghen en vergaen,
- 85
- Eer sou de felle dood my scheyden van het leven, 85
- Als my, mijn waerde lief in 't minste doen begheven. 86
- Jae soo men noch op 't laest, als Charon in syn boot
- Ons sielen over Stijx komt voeren naer ons dood,
- Een yeder zijn Goddin kan vierigh weer beminnen, 89
- 90
- Ick sal het meer als oyt daer op een nieu beginnen. 90
- 't Waer wel (sprack 't wicht) maer waer toe wild ghy langhe wachten 91
- Dewijl sy niet op u, noch u gheklagh wil achten, 92
- 't Is geckheyd dat ghy mind die u niet minnen wil.
- Waer op de Jonghman weer, ey stil Cupido stil,
- 95
- Loflijcke dinghen daer soo veel aen is gheleghen, 95
- En worden niet dan door seer groote moyt verkreghen. 96
- Ick kan mijn Nimph soo seer niet dienen, of ick gis
- Dat sy noch thien-mael meer van diensten waerdigh is. 98
- En of sy voor een tijd versmaet al mijn ghebeden, 99
- 100
- Dat wijt ick anders niet als mijn onwaerdigheden. 100
- Wel is sy dan soo schoon? Wat vraeghd ghy 't? 't is een vrou
- Te nobel dat een mensch daer op verlieven sou. 102
- De schoonheyd al te saem magh ick vryhertigh roemen, 103
- In haer te zijn vergaerd die men sou konnen noemen,
- 105
- Men zegt dat Zeuxis, die de wijtberoemste Geest
- Is inde schilder-konst van synen tijd gheweest,
- Doen hy Junonem sou in haer vergulde Tenten
- Gantsch loflijck beelden uyt voor die van Agrigenten, 108
- De dochters al te saem, dier waren in de Stadt 109
- 110
- Geen uytgesonderd, heeft gants naeckt voor hem ghehad, 110
- Wt welck hy vijf van d'alderschoonste heeft verkoren, 111
- Tot dienste van het werck het welck hy hadde voren, 112
- En uyt dees vijf heeft hy van elcx het schoonst ghedeeld 113
- Ghenomen, om alsoo te maken 't brave beeld. 114
- 115
- Maer had hy mijn Goddin, mijn Son, ghesien na 't leven, 115
|
86 dan mij er toe brengen ook maar in 't minst mijn lieve lief op te geven.
91 't Waer wel: 't zou goed zijn, alles goed en wel.
92 dewijl: waar, daar; achten op: letten op, zich bekommeren om, zich aantrekken.
95 loflijcke: voortreffelijke.
96 en niet: niet; moyt: moeite.
99 voor een tijd: tijdelijk; ghebeden: smeekbeden.
100 anders niet: aan niets anders; onwaerdigheden: onwaardigheid.
102 te nobel dat: te nobel dan dat.
108 die van: de inwoners van.
111 welck: welke meisjes; verkoren: uitgezocht.
112 hadde voren: voornemens was (te maken).
|
[p. 122]
-
- Hy had by haer alleen, niet by de vijf ghebleven. 116
- Soo veer Helena daer gantsch Grieckenland van roemd, 117
- En haer de schoonste boven alle schoonen noemd,
- In 't minsten waerdigh was te worden vergheleken, 119
- 120
- By dees Helena soo, soo wast een moedigh teken 120
- Van Hector, dat hy sey, siet daer d'uytheemsche vrou,
- Daermen thien ander jaer noch krijgh om voeren sou. 122
- Och! dat de liefde van d'uytmuntende Goddinne,
- Met loutere gheweld van wapens waer te winnen!
- 125
- Gheen toght en sou soo swaer my vallen, of ick sou
- My stellen in 't ghevaer ter liefde van mijn vrou. 126
- Want s'is in als volmaeckt, men kan geen deughd versieren 127
- Of s'is daer met op 't hooghst begaefd in haer manieren; 128
- Haer overbrave Gheest word loffelijck ghevoed, 129
- 130
- Sy heeft een Coninx hert, een Princelijck ghemoed, 130
- S'is Goddelijck vercierd met treffelijcke seden, 131
- En wat welspreeckentheyd in 't kav'len van haer reden, 132
- Wat spits-vinnigh vernuft, daer dapper veel aenhanght, 133
- Wat wijsheyd, wat verstand, wat deftigheyd belanght, 134
- 135
- [81] Verdient mijn waerde Vrouw (en dat met alder eeren)
- Een Coningrijck dat groot van macht is te regeeren.
- Seyd yemand dat is wind, en tegen re'en, want hoe? 137
- Het heerschen komt de Mans, en niet de Vrouwen toe.
- Ick segg, dat ick wel graegh wist, waerom dat de Vrouwen
- 140
- Soo wel niet als de Mans een Land regieren souwen? 140
- Heeft niet Elisabeth ruym veertigh Jaer gemand, 141
- En loffelyck bestuurt het moedigh Engeland? 142
- Wat schort de Vrouwen doch? manhaftige gedachten?
- O neen! Astiages, doen hy met al syn krachten
- 145
- Der Persen heyr aen-greep, en haer soo fel bestreed, 145
- Dat hy hun, gansch vertsaegd, al t'samen vluchten deed.
- Doe sprongen voor den dagh haer Moeders en haer Wyven, 147
|
117 soo veer: voorzover, indien.
119 in 't minsten: enigszins.
120 een moedigh teken: een teken van moed.
122 daermen om: waarom men, om wie men.
127 als: alles; versieren: bedenken.
128 begaefd: begiftigd, voorzien.
129 overbrave: zeer flinke, zeer edele.
130 princelijck: vorstelijk.
131 vercierd met: voorzien van.
132 wat ... belanght: wat betreft; in 't kav'len van haer reden: in 't redeneren.
133 spits-vinnigh: spitsvondig, scherp; dapper: zeer; aenhangt: van afhangt.
137 wind: opschepperij; re'en: de logica; hoe: wat (beweert ge).
140 soo wel niet: niet evengoed; souwen: zouden kunnen.
141 gemand: als man gehandeld.
142 moedigh: dapper, ondernemend.
145 heyr: leger; aen-greep: aanviel; haer: hen.
147 voor den dagh: naar voren; haer: hun; wyven: vrouwen.
|
[p. 123]
-
- En riepen: Mannen staet, waer Donder wild ghy blyven? 148
- Keerd weder na de stryd. De mannen bleven staen,
- 150
- En sagen gantsch bedruckt haer trotse Wyven aen. 150
- Wat deed dit Vrouw-volck doen? sy heften op haer kleeren, 151
- En riepen: wild ghy dan niet na de strijd toe keeren,
- Kom vlucht hier inde buyck, kom vlucht hier in het lyf,
- Een yeder van syn Moe'r, een yeder van syn Wijf.
- 155
- De Mannen, doen sy dese moedigheyd aensagen, 155
- Bestonden flucx de krygh weer op een nieu te wagen. 156
- Sy togen ijligh heen, en met een groot geschreeuw, 157
- Greep elck de Vyand aen, en vocht gelijck een Leeuw,
- So dat sy, soo verbaest, Astiagem besprongen, 159
- 160
- Dat winnende de strijd, sy hem in 't eynde vongen. 160
- Mijn moedige Princes, gesproten uyt den stam, 161
- Daer noyt yet anders uyt als vrome Helden quam, 162
- So veer sy inde tyd der trotsche Amazonen,
- Daer Hercules syn macht nau dorste tegen tonen,
- 165
- Geleeft had, och sy had door haer grootmoedigheyd 165
- Den alder-grootsten roem van allen in geleyd. 166
- Waer op Cupido, wel, ghy hebt u ionge leven
- Tot huyden op den dagh, oock tot de krygh begeven, 168
- En over al betoond u groote moedigheyd,
- 170
- Dus is het tegen re'en, dat u, u lief ontseyd, 170
- So veer als ick u twee te samen kon geleyden,
- Daer wies verseker een Achilles uyt u beyden, 172
- Dus steld u hart gerust: ick vliegh terstond by haer, 173
- En eer ick weder kom soo is het Hijlyck klaer. 174
- 175
- Och! (sprack de Jongman) so ghy by mijn lief wild vliegen,
- En soecken haer in slaep met myne min te wiegen,
- Geeft haer te kennen doch (komt het u inden sin) 177
- Hoe trouwelijck en hoe stantvastigh ick haer min.
- En schenckt haer voort dit Lied, 't welck ick voor alle dingen, 179
- 180
- U noch voor u vertreck eens moet te voren singen. 180
|
148 Donder: duivel, bliksem; blyven: heengaan.
156 bestonden: ondernamen het; flucx: onmiddellijk; krygh: strijd; op een nieu: opnieuw.
157 ijligh: ijlings; groot: luid.
159 verbaest: verbijsterd, ontsteld, verslagen.
160 vongen: gevangen namen.
161 princes: vorstin, geliefde.
162 yet: iets; vrome: edele, dappere.
165 grootmoedigheyd: grote moed.
166 ingeleyd: verworven (vgl. eer inleggen met iets).
168 tot huyden op den dagh: tot vandaag den dag; begeven tot: gewijd aan.
170 tegens re'en: onredelijk; ontseyd: weigert.
172 verseker: voorzeker, stellig.
173 by haer: naar haar toe.
177 komt het u inden sin: als het u te binnen schiet, als gij het niet vergeet.
180 te voren singen: voorzingen.
|
|
|