[p. 124]
[81] [Vrou-voedster van myn jeugd]*
- Stemme: I have a love so fair, so Constant firme and kinde.
-
- 1.
- Vrou-voedster van myn jeugd, 1
- Meesterse van myn sinnen, 2
- mijn hoop, mijn troost, mijn vreugd,
- mijn suyvere Goddinne, 4
- 5
- mijn licht, mijn heyl, mijn rust,
- Schatkist van mijn gedachten,
- spring-ader van mijn lust, 7
- Reviere van mijn klachten,
- Siet (bid ick) hoe, ick ben te moe,
- 10
- Siet hoe ick quyn, deur druck en pyn, 10
- End dat om dy, ach lief lost my int ende, 11
- Doch eens uyt dees ellende. 12
-
- 2.
- [82] O oorsaeck van mijn min!
- Hoe laet ghy my dus klaghen?
- 15
- Ick hoop niet dat ghy in
- Mijn lyen hebt behaghen. 16
- Siet hoe ghewilligh dat 17
- Ick ben om u te dienen,
- Ach! wilt my daer voor, wat
- 20
- Doch van u gonst verlienen. 20
- Noyt Minnaer heeft, den dagh beleefd, 21
- Die zijn Goddin, met sulcken min,
- Stantvastigheyd, en trouwigheyd beminde
- Als ghy my lief sult vinde. 24
|
1 vrou-voedster: aangebedene, die opvoedster zijt.
2 Meesterse: meesteres; sinnen: gedachten, geest.
7 spring-ader: bron; lust: genoegen, liefde.
20 gonst: genegenheid; verlienen: verlenen, geven.
21 er heeft nooit een minnaar geleefd.
|
[p. 125]
-
- 3.
- 25
- Sult ghy (o! al mijn vreughd,
- O glory der Goddinnen) 26
- U overschoone jeughd
- Dus slyten sonder minnen? 28
- Denckt by u selfs met gonst 29
- 30
- Dat dese brave leden 30
- Die uyt de hooghste konst
- Natuer dus heeft besneden
- De snelle tijd, die niemand mijd
- Deur d'ouderdom sal maecken krom
- 35
- En ghy sult dan, het bloeyen van u jeughde 35
- Quijt wesen sonder vreughde.
-
- 4.
- Jupijn was noyt soo seer 37
- Verhit in snoeperijen,
- Of ick ben noch veel meer
- 40
- Verhit in 't eerbaer vryen. 40
- Noyt Hercules oock me 41
- Heeft soo gebrand in 't minnen
- Om synen Omphale
- Doen sy hem leerde spinnen: 44
- 45
- Als ick om u, ach! weest niet schu 45
- Maer mind my weer, want niet ick meer
- Begeer tot loon, van u (mijn schoon Goddinne)
- Als min voor weder-minne.
-
- 5.
- En soo ghy my die gonst 49
- 50
- (Mijn Engel) wilt verlienen 50
- Ick sal met alle konst 51
- U al mijn leven dienen,
|
26 goddinnen: jonkvrouwen.
28 slyten: doorbrengen; minnen: lief te hebben.
29 denckt: overlegt; selfs: zelf.
35 het bloeyen van u jeughde: uw bloeiende jeugd.
37 was ... verhit: stond in gloed; snoeperijen: ongeoorloofde minnarijen.
45 schu: schuw, afwijzend.
49 gonst: genegenheid, liefde.
51 met alle konst: uit al mijn kracht.
|
[p. 126]
-
- Ghy sult o schoone Maeghd
- Dan sien u blijdste daghen
- 55
- Want al wat u behaeghd
- Lief dat sal my behaghen
- Wat u verheughd, sal zijn mijn vreughd
- En soo daer yet, Goddin geschied 58
- Waer over ghy, in 't minste my meugt klagen
- 60
- Dat sal mijn ziel mishaghen.
-
- Cupido.
- Dat lied is braef ghemaeckt, kom ick vliegh daed'lijck heen. 181
- 't Was niet soo haest gheseyd of d'Edelman verdween, 182
- En 't Wicht dat vloogh om hoogh daer flucx de stercke deuren 183
- Van 't heerelijck gebou begonden op te scheuren, 184
- 185
- En maeckten plaets voor hem, daer sagh ick treflijck staen
- Een overschoone vrou, die hy aldus sprack aen:
|
182 niet soo haest: nauwelijks.
183 't Wicht: 't schepseltje; flucx: dadelijk.
184 begonden: begonnen; op te scheuren: open te gaan, van een te vliegen.
|