[p. 127]
[83] Cupidinis Aenspraeck tot Helena.
- Goddinne van u tijd, ten rechten waerd genoemd, 1.
- De grootste hovaerdy daer sich Natuer op roemd. 2
- Wtmuntende Princes, cieraed van dese landen,
- Ghy die des Minnaers hert gelijck een vyer doet branden. 4
- 5
- O over brave vrou! dien d'Hemel heeft vereerd, 5
- Met alles wat oyt mensch heeft van de Go'on begeerd, 6
- Ick wensch u veel ghelux, ick die elck weet te wonden
- Com hier aen u (o Son, de schoonheyd selfs) ghesonden 8
- Van een die u so seer, soo dapper heeft besint 9
- 10
- Dat hy u gunste meer als al de Werelt bemint 10
- Een moedich, edel spruyt, so braef gestelt van leden, 11
- Dat Venus selfs haer min sou graegh aen hem besteden, 12
- Wat 's lichaems schoonheyd roerd, te boven gaende wijt 13
- Narcissum, Paridem, ia yemand van sijn tijdt, 14
- 15
- In moedigheyd gelijck den grooten Alexander 15
- In wijsheyd en in deughd, Vlissem of een ander,
- Had Venus de Goddin u Minnaer oyt gesien,
- Ach! hoe gewilligh soud' sy hem haer minne bien, 18
- Ick heb wel eer ghekend mijn 's Moeders lief Adonas
- 20
- Maer 'k sweer u by mijn throon dat hy niet half so schoon was.
- Waer op de Juf-vrouw weer, wat is het voor een Man,
- Die u so seer behaeght? hoe roemt ghy daer so van? 22
- De gheen daer ick van spreeck, en u dus raed' te minnen 23
- Is Fred'rick Inthiema (sprack hy) vol kloecke sinnen, 24
|
1. Edele Vrouwe, die verdient onder uw leeftijdsgenoten te worden genoemd.
2 hovaerdy: trots; daer: waar; roemd: beroemt.
6 mensch: een mens; begeerd: gevraagd.
9 van: door; dapper: erg; heeft besint: liefheeft.
11 braef gestelt: welgevormd.
13 roerd: betreft; wijt: ver.
23 dus: zo; raed': aanraad (en die ik u aanraad om te minnen).
24 sinnen: gedachten, verstand, geest.
|
[p. 128]
-
- 25
- Ghesproten uyt den Stam die voortijds inde Stadt 25
- Van Workum haer ghebiedt op 't hoochste heeft ghehadt, 26
- Wiens over groot-Vader Tiberius den ouwen
- Ghenaemt, met grooter eer, deed' binnen Workum bouwen 28
- Een over-sterck Casteel van dof-steen op end' op 29
- 30
- Met klaer gegoten kalck gevult tot op den top, 30
- Waer van de mueren (so de Schryvers ons verklaren)
- Wel ruym een vadem dick aen alle kanten waren,
- Een treffelijck gebou, so hoogh, so sterck gewrocht, 33
- Datmen de gantsche Stadt, daer licht door dwinghen mocht, 34
- 35
- Een slot waer van men veel gewelds mocht sien geschieden, 35
- En om sijn heerschappy gevreest van alle lieden, 36
- 't Welck om sijn groote kracht so dapper was befaemt,
- Dat het van yeder wert Inthiema dwangh ghenaemt:
- Voorwaer een grooten roem daer veel aen is ghelegen. 39
- 40
- Nu is hy insgelijcks van sijn groot-Moeders wegen
- Ghesproten uyt den Stam en 't over Edel huys
- Van Hauckama het welck wel eer het wreet gespuys
- Den dollen swarten hoop, dat Friesland so quam plagen,
- Heeft met ghewapend' handt gans inde vlucht geslagen, 44
- 45
- En so 't verwoesten van hun Vader-landt beledt,
- Ja tot haer groote nut van dese Pest gered, 46
- Die segh ick een Casteel van overgroote krachten 47
- Met ys're deuren, en voorsien met diepe grachten,
- In Scharl bewoonden 't welck door Friesland was befaemt,
- 50
- En van een yeder Hauckanama wierd ghenaemt.
- Nu dit en acht ick niet: want rechte Edeldommen 51
- En sijn die ghene niet die van hun ouders kommen,
- Maer dat sijn Edel-lien: en eeren hun geslacht 53
- Die daden brenghen voort diemen recht Edel acht: 54
- 55
- En niet ghelijck een Boer, staech blyven t'huys te legghen, 55
- Maer maken datmen wijt weet van hun lof te segghen. 56
|
26 ghebiedt op 't hoochste: hoogste gezag.
29 dof-steen: tufsteen, cementsteen; op end' op: geheel en al.
30 klaer: zuivere, echte.
33 treffelijck: heerlijk; gewrocht: gemaakt.
34 licht door dwinghen mocht: gemakkelijk mede in bedwang zou kunnen houden.
39 daer veel aen is ghelegen: die veel waard is.
44 gewapender hand helemaal op de vlucht gedreven heeft.
46 haer: van het vaderland.
47 overgroote: zeer grote; krachten: sterkte.
51 en niet: niet; rechte: echte; edeldommen: adel.
55 staech: steeds; blyven t'huys te legghen: thuis rondhangen.
56 maken: er voor zorgen; wijt: wijd en zijd; segghen: vertellen.
|
[p. 129]
-
- Wat nut doet doch een kaers die men houd inde handt,
- Al isse noch soo groot, wanneerse niet en brandt?
- Die op sijn Ouders lof en daden hooch wil roemen, 59
- 60
- Ja sich daerom met pracht heel groot van Adel noemen, 60
- En rechten selfs niet uyt, die acht ick niet een beet, 61
- 't Is of hem d'Esel met des Leeuwen huyt bekleet, 62
- Hy schijnt wel vry wat mans maer derft niet schoons bedryven 63
- Want 't is een Esel en het moet een Esel blyven.
- 65
- Maer u, u Minnaer is al van een ander gheest 65
- En loffelijck gemoet gedreven staech gheweest, 66
- Want so men niet en kan bestoppen ware vlammen, 67
- So dicht of 't schijnt op 't laest, so gaet het mette stammen. 68
- Een rechten Edelman sal door sijn manlijckheyd
- 70
- Doen blijcken 't geen in sijn gemoet begraven leyd,
- De deughd maeckt Edel, en die dan recht na dien sin leeft, 71
- Betoont sijn Adel best, want 't vat geeft uyt dat 't in heeft. 72
- U Minnaer in sijn jeughd wierd door sijn vaêr van kant 73
- Om te studeren heen ghestuert naer Engelandt,
- 75
- Maer 't was niet 't gheen hy socht, daer waren and're gaven
- In sijn manhaftigh hart en eel gemoed begraven.
- Hy trock (voorwaer ick beef dat ick het schrijf, want hoe? 77
- 't Was in sijn ted're ieughd) recht naer Oostende toe, 78
- Na 't vreesselijck geluyd, en 't ysselijck ghedonder
- 80
- Van 't brullende gheschut, o wonder boven wonder!
- Hy komt eerst van sijn moer, en had noyt krijgh gesien, 81
- En komt stracx in het heetst sijn grootste proefstuck bien, 82
- Nu in dit wreed' Oostend', al waer men daeghlijcks velden
- Soo seer veel Edeldoms en mennich duysent Helden,
- 85
- In 't blick'ren van 't geweyr, in 't blaeck'ren van het vier, 85
- In 't springhen van het Cruyd, in 't dondrich schutsgetier, 86
- Daer heeft hy met sijn Broer (na dat ick het bereken) 87
|
59 daden hooch: grote daden.
60 met pracht: met trots.
61 en rechten selfs niet uyt: en zelf niets tot stand brachten; niet een beet: in 't geheel niet.
63 derft: kan; niet: niets; bedryven: tot stand brengen.
65 al van een ander gheest: door een geheel andere geest.
66 loffelijck: voortreffelijk.
68 schijnt: breekt door, blijkt; op 't laest: tenslotte; mette: met de.
71 die: hij die; recht: helemaal.
72 betoont: toont; best: het best; want 't vat geeft uyt dat 't in heeft: want het vat geeft wat het bevat.
77 dat: nu; hoe: wat zegt ge er van? denk eens aan!
78 ted're ieughd: jonge jaren; recht: regelrecht.
81 eerst: zó, pas; krijgh: gevecht.
85 blick'ren: blinken; 't geweyr: de wapens; vier: vuur.
86 dondrich: donderend; schutsgetier: lawaai van het geschut.
87 na dat ick het bereken: naar mijn berekening, schatting.
|
[p. 130]
-
- De Staten wel ghediend ruym ses-en-dertich weken,
- Vrywilligh, sonder dwangh, van dat hy eerst begost: 89
- 90
- Tot dat hy weder[keerd]ende al op sijn eyghen kost, 90
- En is daer op het laetst, (niet door de gonst van vrienden, 91
- Maer om hun daden wil die het op 't hoochst verdiende, 92
- Om haer manhaftigheyd en onvertsaeghd gemoedt, 93
- Het welck den Adel op het klaerste blijcken doet) 94
- 95
- U Minnaer, Vendrich, die den yver daer toe porden, 95
- Sijn Broeder oock met een, een Capiteyn gheworden: 96
- En keerden, na dat sy daer hadden hooch geplant
- Tropheen van hun lof, weer nae haer Vader-landt.
- O loffelijcke roem! daer heeft noch ellif iaren
- 100
- U Dienaer om sijn hooft, het Vaendel laten varen: 100
- Maer doen de Trevis quam, en daer gheen krijgh was meer, 101
- Doen gingh sijn eel gemoet (begeerig na de eer) 102
- Hem naer een ander landt te trecken dapper raden, 103
- Om daer oock blijck te doen van zijn manhafte daden, 104
- 105
- Want hier sijn ionghe ieughd te slyten in de rust, 105
- Was teghen sijn ghemoed, het stryden was sijn lust.
- Hy koste niet ghelijck een Trevis Crijchsman leven, 107
- Dus heeft hy hem na 't land, daer 't Krijg was, weer begeven, 108
- En met Reynold, sijn broer, twee Coningen van macht, 109
- 110
- Als Capiteyns gediend, en steeds na eer getracht, 110
- Als Duyvels teghens haeren vyant, nyet ontsiende: 111
- Als Enghels haer getoond weer teghen alle vrienden. 112
- En doe de krygh ge-end, doen d'over-wreede twist, 113
- En 't bloedigh oorloogh door de vrede was beslist,
- 115
- De Princen die zy daer als onvertsaeghde Helden, 115
- Beyd' hadden trou gediend te water en te velden, 116
- Die hebben haer met schat gantsch rijckelijck beloond, 117
- En voor haer trouwe dienst seer groote eer betoond, 118
|
89 van dat hy eerst begost: van het eerste ogenblik dat hij er mee begon.
90 al: helemaal; kost: kosten.
91 op het laetst: tenslotte.
92 om hun daden wil: op grond van hun daden; op 't hoochst: ten zeerste.
94 waarin de adeldom zich het duidelijkst vertoont.
95 vendrich: vaandrig; porden: aanspoorde.
96 met een: tegelijkertijd.
100 om: rondom; varen: bewegen, wapperen.
101 Trevis: bestand, vrede.
103 dapper: zeer; raden: aansporen, dringen.
104 blijck te doen: blijk te geven.
109 Coningen van macht: machtige koningen.
110 na eer getracht: er naar gestreefd eer te behalen.
111 teghens: tegen(over); nyet: niets.
113 ge-end: geëindigd (was); over-: zeer.
117 haer: hen; schat: geschenken; gantsch rijckelijck: zeer overvloedig.
|
[p. 131]
-
- Dus trocken sy naer huys, en lieten daer tot glorie, 119
- 120
- Tropheen op gherecht, ten eeuwighen memorie. 120
- Sijn Broeders alle drie, daer hy de vierd van is
- Die hebben haer ghetoond so loffelijck ghewis, 122
- Datmen recht segghen mach, en niemands lof vermind'ren 123
- So men 't Ros-Beyart had, hier hadmen vier Heems-kind'ren. 124
- 125
- En sulcken Minnaer trou, Goddin, behoort ghy die 125
- Te laten so vergaen ghelijck ick blijcklijck sie? 126
- Kan in een schoon gelaet so groote wreetheyt woonen
- Gelijck ghy dagh op dagh schijnd tegens hem te toonen? 128
- Hem, segh ick, wiens gedaent de kuyssche iacht Goddin,
- 130
- Ick late Venus staen sou dwingen tot sijn min? 130
- En die hem heeft altijt getoont ter goeder trouwen,
- Een Hector inde strijd, een Paris by de Vrouwen?
- Neemt daer, neemt daer een pijl geschoten in u borst, 133
- En 'k wouw dat ghy hem nu eens wederstreven dorst,
- 135
- Ick wed ghy soud seer haest vernemen dat het sotheyd 135
- Waer, voor een sterflijck Mensch te streven tegen Godtheyd.
- Wech was de Juffrou voort, wech was 't gebou, en hy 137
- (Te weten Cupido) quam wederom by my,
- Seggende: Starter, hou, wat suft ghy daer beneden? 139
- 140
- 't Was Fred'rick Inthiema dien ghy hier eerst saeght treden,
- De Vrouw dien ghy om hoogh saeght sitten inde glans
- Dat was de schoone Son Helena Husemans.
- Dees twee sullen voortaen als man en wijf verkeeren: 143
- Dus dicht haer inder yl een Bruylofts Lied ter eeren, 144
- 145
- Een Bruylofts Lied daer in ghy niet met al vergeet, 145
- Van 't geen ghy hebt gesien, en wat ghy wyder weet, 146
- Laet ick u med begaen, ghy hoeft daer toe gheen tolcke. 147
- Mits was Cupido wech, en mits verdween de wolcke, 148
- Ick gaf my voort na huys, nam pen, inckt en papier, 149
- 150
- En schreef daer op het geen ghy hebt gelesen hier.
|
119 lieten daer: lieten daar achter.
120 op gherecht: opgericht.
122 ghetoond: getoond te zijn, gedragen.
123 recht: met recht; mach: kan; vermind'ren: te kort doen.
126 blijcklijck: duidelijk, onmiskenbaar.
130 ick late staen: ik laat er buiten; tot sijn min: om hem te beminnen.
133 neemt daer: ontvangt daar, daar hebt ge.
135 haest: spoedig; vernemen: merken.
137 Juffrou: jonkvrouw; voort: dadelijk.
143 wijf: vrouw; verkeeren: omgang hebben.
144 haer ... ter eeren: tot hun eer.
145 niet met al: totaal niets.
147 laet ick u med begaen: dat vertrouw ik u toe, dat laat ik aan u over.
|
[p. 132]
-
- Wel dan, gewenste paer, dien d'Hemel heeft gesegend 151
- Met alles wat oyt Mensch op aerden is bejegend, 152
- Met schoonheyd, deuchden, roem, o eer van u geslacht!
- Ter goeder uyr heeft Godt u beyden t'saem gebracht.
- 155
- Ick wensch u dat ghy moocht so veel ghelucks bekomen 155
- Als sanden sijn in Zee, en bladen op de Bomen, 156
- [84] Ick wensch u dat de vreughd daer ghy nu in begind, 157
- Mach duren tot de dood u leven overwind.
- En dat ghy, als een Pest, sluyt buyten uwe deuren
- 160
- Quae tongen, die altyd doen ware Lieve treuren. 160
- Nu Muse stil, houd op, de lieffelycke Bruyt
- Die wachter nae dat ick het met de geck besluyt. 162
- Iae wel Vrou Bruydt, ia wel, ick ben niet heel bedrogen, 163
- Ick sie het aen u neus, ick sie het aen u oogen
- 165
- Ick sie 't aen u gelonck, en alle u gedaent, 165
- Dat ghy my tot het end van myn Gedicht vermaend. 166
- Ick ben (dus weet ick wel hoe dat een Vrou te moed is) 167
- Geboren in een Helm, ick sie meer als my goed is. 168
- Het veynsen is vergeefs, ick kan 't seer wel verstaen, 169
- 170
- 't Is voor den kreupelen seer quaed om manck te gaen, 170
- Ghy wild nu oock (hoe wel u edel Hart vol vier is) 171
- Quansuys wat stemmigh sien, om dat het de manier is. 172
- Wat? 'k hoop niet, dat ghy zyt voor dese stryd vervaert, 173
- U Vaer was een soldaet, en die u heeft gebaerd,
- 175
- Een Dochter van een Heldt, so dat ick na 't vermoen gis 175
- Dat ghy te meer wel weet hoe 't inde krygh te doen is. 176
- Nu Jufferkens wel aen, gaet met de Bruydt doch voort, 177
- En neemtse hier van daen, en brengtse daer sy hoord. 178
- De Bruydgom mist de Bruydt, nu wil hy van ons scheyden,
- 180
- Wel moedigh Held, wy sullen u by haer geleyden, 180
- Gaet heen, gaet bluscht nu uyt het branden van u toorts,
|
152 bejegend: ten deel gevallen.
155 bekomen: deelachtig worden.
156 sanden: zandkorrels; bladen: bladeren; op: aan.
157 daer ghy nu in begind: waar gij nu mee begint, die nu voor u aanvangt.
160 quae tongen: lasteraars; Lieve: liefde.
162 nae: naar, op; het met de geck besluyt: er een grappig slot aan maak.
163 ick ben niet heel bedrogen: ik ben niet zo ver mis.
165 alle u gedaent: uw hele houding.
166 tot het end: om te komen tot het einde.
167 dus: daarom; te moed: te moede.
168 in een Helm: met een helm; my: voor mij.
170 De kreupele zou liever niet mank gaan.
172 quansuys: in schijn; manier: gewoonte.
175 na 't vermoen gis: vermoed, gis.
176 te: deste; te doen is: toegaat; krijgh: gevecht.
177 Jufferkens: jonkvrouwen; wel aan: vooruit; voort: weg.
178 neemtse: neem haar, voer haar.
180 wel: zeer; geleyden: brengen.
|
[p. 133]
-
- Gaet sweet nu vrylijck uyt u sonderlinghe koorts, 182
- En als ghy in u vreughd lecht, denckt in u gedachten, 183
- O lieffelijcke Lam! dits voor mijn langhe wachten.
- 185
- Nu Jufferkens wel aen, geeft haer den laetsten soen,
- Het ghene dat ghy laet dat sal de Bruyd'gom doen, 186
- En schickt u daer wat na, soo veer ghy wel wilt varen, 187
- Dat dese Bruyloft mach een ander Bruyloft baren. 188
|
182 sonderlinghe: bijzondere.
187 so veer: als; schickt u daer wat na: zorg er een beetje voor.
188 dat: opdat; mach: kan; baren: te weeg brengen.
|
|
|