[p. 134]
[85] Gesangh.*
- Stem: 't Aerdrijck gheheel end' al ontluyckt, in dese groene Meijen.
-
- 1.
- Loflycke vrienden, hier vergaerd, 1
- Wild op de blyde wetten
- Van dese Feeste letten,
- Die hier de meeste vreughde baert, 4
- 5
- En d'alderbraefste pretten,
- Die salmen 't hooghste setten,
- De Bruydegom bedingt 7
- Dat niemand yet voortbringt, 8
- 't Welck d'Ed'le vreucht bedwingt,
- 10
- Maer dat een yder singt,
- Bly-hartigh danst en springt,
- En gantsch geen vreughde wil beletten.
-
- 2.
- [86] Dit is doch voor den Bruydegom 13
- Den soetsten nacht der nachten,
- 15
- 't Loon voor syn lange wachten:
- Dies singt, danst, springt al t'samen om, 16
- Wild nae de vreughde trachten
- Met hart, sin, en gedachten. 18
- Sy beyde syn bekoord, 19
- 20
- Om te hooren datmen hoord, 20
- Dat een yeder met een woord
|
1 loflycke: voortreffelijke.
4 baert: veroorzaakt.
alderbraefste: grootste.
8 yet: iets; voortbringt: ten beste geeft.
16 dies: daarom; om: in 't rond.
19 bekoord: overgehaald, bereid, verlangend.
|
[p. 135]
-
- Breng vreemde kluchten voord, 22
- Naer alle vreughde spoord, 23
- En al wat blydschap steurt, verachten. 24
-
- 3.
- 25
- Wenscht met my toe den Bruydegom
- En Bruydt, des Heeren zegen,
- Daer veel is aen gelegen.
- Wel lieve Paer, wy hier rondom 28
- Tot uwen dienst genegen,
- 30
- Wenschen u alderwegen 30
- Geluck tot deser uur, 31
- En dat het soet noch suur,
- Door haet noch nijts gegluur, 33
- U liefde niet vervuur, 34
- 35
- Maer datse Eeuwigh duur, 35
- Dit geve God dat u bejegen. 36
-
- 4.
- Wel Noble Jufferkens wel-aen, 37
- Wild dan de Bruyd'gom redde,
- Helpt doch de Bruydt te bedde.
- 40
- Stil, stil, Juffrouw, het sal wel gaen,
- Ghy hoeft dus niet te peynsen, 41
- Noch u voor ons te veynsen, 42
- O soete lieve Bruydt!
- Dit 's een ding dat niet beduydt, 44
- 45
- So dat ick nu besluyt,
- Het veynsigh kleed moet uyt, 46
- Want dat ghy voor dit kruyt
- Niet vreesen sult wil ick wel wedde.
|
22 breng ... voort: ten beste geeft; kluchten: grappen.
23 streeft naar niets dan vreugde.
30 alderwegen: in alle opzichten.
34 vervuur: vervoere, meeslepe.
36 dat u bejegen: dat het U te beurt valle.
37 Jufferkens: jonkvrouwen; wel-aen: vooruit.
41 peynsen: ernstig kijken; dus: zo.
42 u te veynsen: u anders voor te doen dan gij zijt.
44 niet beduydt: niets te betekenen heeft.
46 veynsigh: van geveinsdheid.
|