[90] Friesch Pastorel.*
|
1 komt: komt het; sis: zeg.
2 fijn: vind; allinne dy: U alleen.
3 te waendre: aan den wandel.
4 swiete: lieve; diaer: meisje; dit het nin fly: dit hoort zo niet.
5 better: beter; feraendre: veranderen.
6 hab: heb; socht: gezocht, gestreefd naar; jou: uw.
7 den: maar; hiel: hield; hiel in betwangh: hield in bedwang, dwong.
8 te swye: te zwijgen.
9 tins: denk; o: jo (= u)?; mey: met.
10 Yens: eens; frije: aanzoek doen bij.
11 Wotte: wilt gij.; ney: naar; waad: woud, bos.
12 dy: U; litte: laten; op het paad: onderweg.
13 hoof: hof; sjaen: zien.
14 Dir: er; nin: geen; schiener: mooier; yne wraad: ter wereld.
15 Daar kunnen wij ons dan vol eten?
|
|
16 paeen: zoenen; patjes: kusjes; dey: dag.
17 folle: veel; mey: kan.
18 by bringe: leveren.
19 sel: zal; jaan: geven; rin: loop; naet: niet; wey: weg.
20 den: want; swiete: zoete; tingen: dingen.
21 wotte: wil je; mey: met; tjaen: gaan.
22 dijn holle: uw hoofd; schien: schoon; versjaen: voorzien, versieren.
23 kanckjes: kantjes.
24 twa: twee; ponjetjes: manchetten, omslagen.
25 dyn: uw; snie-wyte: sneeuwwitte; hanckjes: handjes.
26 stientjes: steentjes.
27 as: als; ney: naar.
28 betinsen: bedenken.
29 jaen: geven; dir to: daartoe, bovendien.
30 libben: leven; schinsen: schenken.
31 dijr om: daarom; jou: geef; dijn: uw; haan: hand.
32 wijr: ware; laen: land.
35 sycker: voorzeker; oors: anders; paan: pand.
|