[p. 147]
[92] Gesangh.*
- 1.
- Myn troost, myn hart, 1
- O Vroed-Vrouw van myn smart, 2
- Helaes! ick quijn,
- So dat ick schyn,
- 5
- Veel meer te syn
- Een dood, als levendigh gelyck, 6
- Want ick teenemael be-swyck 7
- In kracht en macht.
- [93] Och! oft de steenen spraken, tuygen konden syn, 9
- 10
- Van myn standvastigheyd,
- En u hertneckigheyd
- Weer tegens my. 12
-
- 2.
- O schoon Ionck-Vrouw!
- Sy souden van myn trouw,
- 15
- De rechte re'en 15
- Niet u alleen,
- Maer yeder een
- Verhalen (vrees ick) al te stout: 18
- Waer door ghy licht bevlecken soudt,
- 20
- U eer, te seer:
- Want geen ding, so een overschoone Maeght mistaet,
- Als wreedheyd inde min; 22
- Dus, o myn schoon Goddin! 23
- U strafheyd laet. 24
|
2 Vroed-Vrouw: verwekster.
6 (veel meer) een dode dan een levende gelijk.
7 teenemael: geheel en al.
9 oft: indien toch; tuygen: getuigen.
12 weer: aan de andere kant; tegens: tegen.
23 dus: daarom; goddin: geliefde.
24 strafheyd: gestrengheid, hardvochtigheid; laet: laat varen.
|
[p. 148]
-
- 3.
- 25
- U roode mond,
- U hayrtjes kruyf en blond, 26
- U Tandjes blanck,
- Al even lanck, 28
- U soet gesangh, 29
- 30
- U Ooghjes bruynder als een git, 30
- U voor-hoofd effen, hoogh, en wit! 31
- U re'en, u se'en, 32
- U Coninghlijcke wesen, en u soete spraeck, 33
- U Halsjen, dat cieraet!
- 35
- 't Welck 't Yvoor te boven gaet,
- Is mijn vermaeck. 36
-
- 4.
- U kloeck beleyd, 37
- U brave deftigheyd, 38
- U ionghe ieughd,
- 40
- U wyse deughd,
- U soete vreughd,
- Heeft mijn gemoed soo seer ontsteld, 42
- Ia gevanghen en bekneld;
- Dat ick, die strick,
- 45
- O schoone Son! niet weer ontkomen kan, ten sy
- U heuscheyd my gerieft, 46
- En dat het u belieft 47
- t'Ontbinden my. 48
|
30 bruynder: donkerder; een git: git.
32 re'en: woorden, manier van spreken.
38 brave deftigheyd: edele ernst.
42 ontsteld: in verwarring gebracht.
46 gerieft: van dienst is.
47 en dat het: en als het.
|