[p. 151]
[95] [Had ick duysend ijsere tongen]*
- Stemme: Est ce Mars le grand Dieu des allarmes, &c.
-
- 1.
- Had ick duysend ijsere tongen,
- Schoon van stof, 2
- Die al te samen queelden en songen,
- Tot den lof
- 5
- Van Diaen, Die de Maen
- veer in glans en pracht te boven gaet, 6
- Door haer gelaet,
- Schone Vrou, ach! ick sou
- u waerdy noch geensins beelden uyt, 9
- 10
- Met mijn geluydt.
-
- 2.
- U hayrtjens krullen krul op krul te samen,
- Door malkaer,
- Die in glans het geele goud beschamen 13
- Gansch en gaer. 14
- 15
- 't Voorhoofd net, braef geset, 15
- Hoogh en breed, so effen door en door
- Als blanck Yvoor,
- 't Welck de tijd, aerdigh myd, 18
- En met rimpels nimmermeer beslaet, 19
- 20
- Dat schoon cieraed.
|
2 schoon van stof: van goed materiaal.
9 waerdy: waarde; beelden uyt: uitbeelden.
13 beschamen: beschaamd maken, overtreffen;
in glans: wat glans betreft.
14 gansch en gaer: geheel en al.
15 't Voorhoofd net: 't edele voorhoofd; braef: edel; geset: gevormd.
18 aerdigh myd: bevallig laat blijven.
19 nimmermeer: nooit; beslaet: bedekt.
|
[p. 152]
-
- 3.
- Als twee Starren teyst'ren u ooghjes 21
- O Diaen!
- Daer twee wijn-brauwen als bruyne booghjes 23
- Rond om staen,
- 25
- Door wiens glans, ghy de Mans 25
- Tot het diepste van het harte wond,
- En maeckt gesond,
- 'k Acht de min, woond daer in,
- Iae dat selfs Cupido schiet syn schicht 29
- 30
- Door u gesicht 30
-
- 4.
- 't Roos-roode mondtjen omcingeld met lippen 31
- Van corael,
- Daer u den adem soo traeght uyt komt slippen 33
- t'Elcken mael,
- 35
- Dat het schynd, datse pynd 35
- Om te blyven in het schoon gebouw
- Van haer Iuffrouw, 37
- En daer niet eer uyt schiet,
- Oft sy styght mijn suyvere Godin 39
- 40
- Ten neus weer in.
-
- 5.
- 't Halsjen heeft selver Natura doen cieren, 41
- Daer het blauw
- Van schoone aderen door komt te swieren 43
- Blanck en flauw, 44
- 45
- Of het waer, een pylaer 45
- Van Albaster, Peerl, Yvoor of Snee, 46
- Sacht en gedwee.
- Dus besne'en, syn u le'en, 48
- Vol cieraeds, vol alle geestighe'en 49
- 50
- Van top tot te'en.
|
21 starren: sterren; teyst'ren: schitteren.
23 daer: waar; wijn-brauwen: wenkbrauwen; bruyne: donkere.
30 door: door middel van; gesicht: blik.
33 u den adem: uw adem; traeght: lees traegh; slippen: glippen.
37 Iuffrouw: jonkvrouw, meesteres.
39 suyvere: reine; Godin: liefste.
41 selver Natura: natuur zelf; cieren: versieren.
43 te swieren: schemeren.
45 of het waer: alsof het was.
49 geestighe'en: bevalligheid.
|