[p. 153]
[96] [O eenigh voedsel van myn ieughd!]*
- Stemme: Kits Alemande, &c.
-
- 1.
- O eenigh voedsel van myn ieughd!
- Fonteyn van myn geluck en vreughd! 2
- Vrou van myn vrije wil, Godinne 3
- Dien ick meer als myn self beminne,
- 5
- Lief, op wien ick staegh, of ik sit, of ick stae, 5
- Of ick drinck, of ick eet, of ick slaep, of ick gae,
- Of ick reys, ren, ryd, of ick vaer,
- Of ick spreeck, of ick swygh, of ick dicht, of ick schryf,
- Of ick rust, of ick woel, of ick loop, of ick blyf, 9
- 10
- Denck altyd voor en naer, 10
- Segt waerom ghy myn versmaed,
- En niet genieten laet,
- uwe gonste, daer ick so na trachte, 13
- beyd by dagen en by nachten? 14
-
- 2.
- 15
- [97] Hebt ghy niet langh genoegh 't beleyd 15
- Gesien van myn standvastigheyd?
- Voogdesse van al myn gedachten, 17
- Waerom wild ghy my dan verachten?
- Ben ick slim? ben ick scheef? ben ick lam? ben ick manck? 19
- 20
- Of te kort? of te lang? of te vet, of te ranck? 20
|
3 wil: verkiezing; Godinne: gebiedster, geliefde.
5 op wien ick ... denck (10): aan wie ik denk; staegh: steeds.
10 voor en naer: voor en na, altijd.
13 gonste: genegenheid, liefde; daer: waar; na: naar.
14 beyd - en: zowel - als.
15 't beleyd: handelwijze; overleg.
17 voogdesse: beheerseres.
|
[p. 154]
-
- Ben ick oud? ben ick koud? ben ick styf?
- Of te broets? of te mal? of te ruym? of te nau? 22
- Ben ick geel? ben ick scheel? ben ick grys? ben ick grau?
- Wat schort my doch aen 't lyf? 24
- 25
- Ben ick oock mismaeckt van le'en? 25
- Te plomp of boersch van ze'en? 26
- Wat belet doch (o Godin) u sinnen, 27
- Dat ghy my niet weer wilt minnen? 28
-
- 3.
- Of ist om dat der Heeren Heer,
- 30
- Wt gonst, u Ouders heeft wel eer 30
- Met synen gulden dauw beregend,
- En met schat meer als myns gesegend? 32
- O Godin! dien ick min, dien ick eer, dien ick acht,
- Dien ick vier, dien ick dien, dien ick volgh, dien ick wacht, 34
- 35
- Dien ick kies, dien ick keur, dien ick vry, 35
- Dien ick lock, dien ick lonck, dien ick bid, dien ick smeek, 36
- Dien ick kus, dien ick streel, dien ick vley, dien ick spreeck, 37
- Dien ick troost, dien ick voegh, dien ick vly: 38
- Seght, sal dan het aerdsche goedt,
- 40
- Dat meest de menschen doet 40
- In genuchten leven, en in rusten, 41
- Nu beletten onse lusten? 42
-
- 4.
- O Lief, dat 's tegens alle re'en: 43
- Dus seght u slaef niet langer neen,
- 45
- Op dat wy mogen met ons beyden
- Een volkomen leven leyden,
- So vol weeld, vol gemack, vol geluck, vol geneughd,
- So vol lust, so vol rust, so vol lof, so vol deughd,
- So vol staet, so vol baet, so beleeft, 49
|
22 broets: hartstochtelijk; mal: dwaas; ruym: ruim van opvatting; nau: nauwkeurig, precies.
24 schort: ontbreekt; my aen 't lyf: aan mijn lijf.
27 sinnen: gedachten, geest.
30 wt gonst: door zijn genade; wel eer: vroeger.
32 schat: rijkdom; mijns: die van mij.
35 dien ick vry: bij wie ik aanzoek doe.
37 dien ick vley: wier zin ik doe.
38 troost: help; voegh: naar wie ik me voeg; dien ick vly: naar wie ik me schik.
42 beletten: belemmeren; lusten: verlangens.
49 staet: aanzien; baet: hulp, voordeel; beleeft: ervaren, verstandig.
|
[p. 155]
-
- 50
- Dat noyt vrou met haer man, dat noydt man met syn vrou' 50
- So veel vreughd en vermaeck, so veel heyl door de trou
- Op d'aerd genoten heeft.
- Dus schoone! maeckt een end
- Van myn bedroefd elend', 54
- 55
- En op dat wy beyd' in vreughde leven,
- Wild my eens het iae-woord geven.
-
- 5.
- Ick sweer u dat ghy dan aenvaerdt 57
- Een blyden Hemel op der aerdt,
- Want wat myn Engel mach vermaken, 59
- 60
- Daer sal ick met vlyt naer haken: 60
- Wat ghy pryst, wat ghy acht, wat ghy dryft, wat ghy miend, 61
- Wat ghy wild, wat ghy wenscht, wat u lust, wat u diend, 62
- Sal ick oock wenschen staegh:
- En we'erom, wat ghy doemd, wat ghy haet, wat ghy scheld, 64
- 65
- Wat ghy warst, wat ghy laeckt, wat u moeyt, wat u queld, 65
- Oock schuwen als de plaegh, 66
- U rust sal syn myn rust,
- U blydschap al myn lust,
- En om u met lyf en siel te vieren 69
- 70
- Sal ick al myn krachten stieren. 70
|
50 vrou: een vrouw; man: een man;
59 mach: kan; vermaken: behagen.
61 dryft: doet; miend: meent, oordeelt.
64 we'erom: aan de andere kant; doemd: veroordeelt.
65 warst: afkeurt; moeyt: spijt, verdriet.
70 stieren: sturen, inspannen.
|
|
|