[p. 158]
[99] Drinck-Liedeken*
- 1.
- Datmen eens van drincken spraeck, 1
- Sou dat syn so vreemden saeck? 2
- Ick denck wel neen, of 't so gevil, 3
- Want al de glasen staen hier stil.
-
- 2.
- 5
- Wel dit neem icker eerst by op, 5
- Ha! dat edele klare sop, 6
- Wist ick wie my bescheyd doen wou, 7
- So wist ick wien ick het brengen sou. 8
-
- 3.
- Dit syn de tranen die Bacchus schreyd,
- 10
- Als hy (door het parssen) scheyd 10
- Van de druyf syn bolle Moer, 11
- Die in vaten herwaerts voer.
-
- 4.
- Als dese traen leyd daer sy hoord, 13
- Soo brengtse vreemde kluchten voort, 14
- 15
- Den een die praet, den ander springht,
- De derde soete deuntjes singht. 16
|
1 dat: gesteld dat; spraeck: sprak.
2 so vreemden: zo'n vreemde.
3 of't so gevil: als het zo uitviel, uitkwam.
7 bescheyd doen: antwoord geven (bij 't drinken).
8 wien ick het brengen sou: op wiens gezondheid ik het glas leegdrinken zou.
14 brengt voort: veroorzaakt; kluchten: grappen
|
[p. 159]
-
- 5.
- Men sal noch tavond een van drien
- (Acht ick) van myn sien geschie'n; 18
- Dus wysheyd duyckt, ick ben u moe, 19
- 20
- Adieu tot morgen ochtend toe.
-
- 6.
- Wy willen doch t'avond by de Wyn,
- Onbeveynsd en vrolick syn. 22
- Wie weet of wy weer in een Iaer
- Dus vergaren by melkaer. 24
-
- 7.
- 25
- Buurman, weet ghy wat dit beduyd?
- Maer; dit geld u schoontjes uyt, 26
- Ey setter u kleyne vinger aen,
- En siet eens wat ick heb gela'en. 28
-
- 8.
- Ruymt wat op myn huysgesin, 29
- 30
- Daer med' komter een Fransman in. (drinckt:) 30
- Ho, ho, hy leyd al in myn huyd, 31
- Dies de klock van vreughde luyd. (keerd om.) 32
-
- 9.
- Datmen het nu soo vol weer schonck,
- Als het was eer ick het dronck, 34
- 35
- Waer nodigh: want myn med' gesel, 35
- Sou 't hem anders belgen wel. 36
|
18 van: door; geschie'n: geschieden.
22 onbeveynsd: openhartig.
24 dus: zo; vergaren by melkaer: bij elkaar komen.
26 maer: alleen; dit geld u: dit is op uw gezondheid; schoontjes uyt: finaal leeg.
28 gela'en: geladen, naar binnen geslagen.
29 ruymt op: schik op; mijn huysgesin: de gedronken roemers.
30 daer med': zo meteen; Fransman: Frans wijntje.
32 luid daarom de klok van vreugde.
36 zou er zich anders boos over maken.
|
[p. 160]
-
- 10.
- O het is geen nobele geest,
- Die voor sulcken Roemer vreest.
- Ons Ouders over honderd iaer 39
- 40
- Maeckten sulcken geut wel klaer. 40
-
- 11.
- Dus Buurman tast het vrolyck aen, 41
- Doet gelyck ick heb gedaen,
- Hiet het glaesjen wellekom, 43
- Drinckt het leegh en keerd het om.
|
40 geut: goot, slok; maeckten ... klaer: speelden het wel klaar met.
41 dus: daarom; tast het aen: pak het (glas) beet.
|
|
|