[p. 161]
[100] Trouw-Dicht
Ter eeren Ir. Menno Houwarda van Mekkama, Ende Iuffr. Lucia van Feytzma. *
- So d' oude Plato selfs (die met sijn wyse reden 1
- Vermaenden elck een om in deughdens spoor te treden) 2
- In sijn Symposio, op 't Avondmael verhaeld,
- Daer hy des liefdes lof op 't loffelijckst afmaeld, 4
- 5
- Heeft in de Gulden Eeuw, in d'alder-eerste daghen,
- Het ende-loose rond op synen kruyn gedraghen, 6
- Een wonder vreemd geslacht van Menschen: daer men niet 7
- Op dese tijd van hoord, en noch veel min van siet. 8
- Sy waren allegaer seer kluchtigh in haer seden, 9
- 10
- En enckel in verstand; maer dubbeld in haer leden, 10
- Sy hadden in de kop vier ooghen, en daer by
- Vier ooren aen het hooft, vier armen aen de sy,
- Vier beenen onder 't lijf: op 't alderkortst beschreven, 13
- Al 't gene de Natuer ons enckeld heeft gegeven,
- 15
- Dat gaf sy dubbeld haer, sy waren Man en Wijf, 15
- Twee deelen aen een rif, gehecht met siel en lijf; 16
- Dees Menschen waren groot, ia sulcke stercke gasten, 17
- Dat sy noch op de Go'on, noch op den donder pasten, 18
|
* Menno Houwerda van Meckema († 1668) trouwde 28 jan. 1620 te Leeuwarden met Luts van Feytsma, dochter van Bocke, grietman van Kollumerland.
1 so: zoals; selfs: zelf; reden: woorden.
2 deughdens spoor: het spoor der deugd.
4 daer: waar; op 't loffelijckst: zo voortreffelijk mogelijk; afmaeld: beschrijft, afbeeldt.
6 endeloose rond: wereldrond zonder einde.
8 op dese tijd: nu; min: minder.
9 kluchtigh: grappig; haer: hun; in: wat betreft; seden: gedaante.
10 en: en wel; enckel: enkelvoudig, simpel; in: wat betreft.
13 op 't alderkortst: zo kort mogelijk.
16 een rif: één geraamte.
|
[p. 162]
-
- [101] Sy leefden na haer lust, ia wilden met geweld 19
- 20
- De Goden in haer throon niet laten ongequeld,
- Maer sochten hand aen hand (gheklommen op de bergen,
- Ghelijck de Reusen de'en) haer tot een stryd te tergen, 22
- Om door haer stercke kracht, en overgrootsch gemoet, 23
- Den Hemel met de Go'on te rucken onder voet, 24
- 25
- Dit sach de Donder-Godt, doch met geen goede oogen, 25
- Dies sprack hy gantsch versteurt: ô Go'on! dit wil niet dogen 26
- De Menschen grootsch en dwaes, die hebben in de sin 27
- Den Hemel op een nieuw met kracht te nemen in. 28
- Wat sal ick daer op doen? haer met den blixem schieten? 29
- 30
- En maken haer geslacht geheel end' al te nieten, 30
- Ghelijck ick eertijds die vervloeckte Reusen schoot,
- Die haer hovaerdigheyd betaelden met de doodt? 32
- Dat vind ick niet geraen, wie sou dan offerhanden
- Op d'hoog' Altaren doen tot onser eeren branden?
- 35
- Wie sou dan Tempelen doen bouwen tot ons lof,
- Als 't Menschelijck gheslacht verpletterd was tot stof?
- En altijd onge-eerd te sijn dat sou ons spyten. 37
- Ick weet een beter raed, ick wil de Menschen splyten,
- En cloven van malkaer met dese gulden lijn, 39
- 40
- So sullen sy terstond de helft te swacker sijn, 40
- En ons met meerder dienst als oyt te voren eeren: 41
- Vermits sy in 't getal de helfte dan vermeeren. 42
- En by so veer sy dan niet houden sich gerust, 43
- Noch met des redens toom beteughelen haer lust, 44
- 45
- [102] En staken haer opset, so wil ick u beloven 45
- Dat ick haer andermael sal van malkander kloven,
- En laten op een been haer hincken over al,
- Op dats' haer hovaerdy beklagen met haer val. 48
- Dit had hy nau geseyd, of Morpheus is beneden 49
|
19 na: naar; haer lust: hun genoegen, hun wil; met geweld: met alle geweld, perse.
22 de'en: deden; tergen: verleiden.
23 overgrootsch: zeer trots.
24 te rucken onder voet: te onderwerpen.
25 doch: maar; goede: welwillende, goedkeurende.
26 dies: daarom; versteurt: boos; dit wil niet dogen: dit deugt niet, is niet in orde.
27 hebben in de sin: zijn van plan.
28 op een nieuw: opnieuw; kracht: geweld; te nemen in: in te nemen.
29 op: tegen; haer: hen; schieten: bestoken, treffen.
30 te nieten maken: vernietigen.
39 lijn: straal (de bliksem).
40 de helft te swacker: de helft zwakker.
42 vermits: daar; in 't getal: wat het aantal betreft; vermeeren: vermeerderen.
43 by so veer: indien; gerust: rustig.
44 des redens toom: de toom van de rede.
45 opset: boos plan, aanslag.
|
[p. 163]
-
- 50
- Door Iupiters bevel op 't spoedighste getreden, 50
- En streeck de Menschen met het een of 't ander dingh, 51
- Waer door haer datelijck een diepe slaep bevingh.
- Doen daelden d'hooge Godt en heeftse van malkander 53
- Gespleten in de slaep, d'een wist niet van den ander:
- 55
- En hy brocht d' eene helft van d'andere so veer, 55
- Dat elck sijn eyghen helft kon swaerlijck vinden weer. 56
- De Menschen waeckten op, en waren gantsch verslagen, 57
- Elck was een hallef man, daer gingh het op een klagen,
- Wat was daer al te doen! wat was daer een gewoel! 59
- 60
- Wat was daer een geraes! wat was daer een krijoel! 60
- De Menschen liepen en doorsnoven alle hoecken, 61
- Elck wou sijn eyghen helft op 't spoedighste weer soecken: 62
- Maer niemand kon de sijn, als d'hooge Godt alleen, 63
- Die broghtse (als het hem geviel) weer by den een. 64
- 65
- En als dan elck sijn helft had wederom gevonden, 65
- So was haer vreughd nau met gedachten te doorgronden, 66
- So cropen sy malkaer seer dicht en lieflijck an, 67
- Daer quamen op een nieuw weer nieuwe Menschen van. 68
- Men siet noch hedensdaeghs dit dagelijcks gebeuren,
- 70
- En om sijn lieve helft soo mennigh Mensche treuren, 70
- [103] Elck guppert na sijn deel, elck soeckt sijn wederga, 71
- Tuyghd dat, ô Bruydegom! tuyghd dat, ô Houwarda! 72
- Die naer u lieve Helft (de born van u geneuchten, 73
- De Vrou van u gemoet, de Seyl-steen van u suchten, 74
- 75
- De woon-plaets van u vreughd, de schat-kist van u lust, 75
- De vier-baeck van u koers, en d'Haven van u rust, 76
- Die u in jeughd, in deughd, in staet, in schat, in leden, 77
- In afkomst, in waerdy, in treffelijcke seden, 78
|
50 op 'f spoedighste: zo snel mogelijk.
55 d'ander: de andere (helft); veer: ver.
56 swaerlijck: bezwaarlijk, moeilijk.
57 waeckten op: ontwaakten.
59 al: niet allemaal; gewoel: drukte.
61 doorsnoven: doorsnuffelden.
62 op 't spoedighste: zo gauw mogelijk.
64 geviel: beviel, aanstond; by den een: bijeen.
65 als: toen; wederom: terug.
67 lieflijck: vol liefde.
68 op een nieuw: opnieuw.
71 guppert na: verlangt naar, hunkert naar; wederga: wederhelft.
75 de woon-plaets van u vreughd: waar uw vreugd in gelegen is.
76 vier-baeck: vuurbaken.
77 staet: aanzien; schat: bezit.
78 waerdy: waarde; treffelijcke: voortreffelijke; seden: manieren.
|
[p. 164]
-
- En alle loflijckheyd, soo wonder wel ghelijckt: 79
- 80
- Dat ghy haer, noch sy u, in geen gedeelten wijckt) 80
- Die, segh ick, haer so veer, so wijslijck hebt gesocht,
- En u bestemde reys geluckigh hebt volbrocht.
- Die Spagnien hebt doorsien, die Vranckrijck hebt door-reden 83
- Die Enghland hebt bewoond, die so veel brave steden 84
- 85
- En Coningh-rijcken hebt door-reyst, om u beminde,
- U vreughd, u lieve Helft, u troostertje te vinde, 86
- En komt in 't end', na so veel uytgestaen gevaer,
- In 't vrije Friesland t'huys, en vind u liefste daer.
- O danct den hoogen Godt; den Leydsman van u sinnen, 89
- 90
- Die u geraden heeft so braven Bruydt te minnen, 90
- Die tot uws levens vreughd, so aengenamen beeld
- Voor u geboortens dagh voorsichtigh heeft erweeld: 92
- Oud, deftigh in 't verstand, jongh, jeughdigh in haer jaren, 93
- Waer met ghy sult in vreughd vergrysen uwe hayren,
- 95
- Een spiegel vande ieughd, een trap die u tot staet
- Sal leyden met geluck, soo Godt u leven laet. 96
- [104] En ghy, ô waerde Bruydt, den Schepper van hier boven,
- Wild oock danckbarighlyck voor syn genade loven: 98
- Die u, tot uwe helft, heeft toe-gevoeghd die geen, 99
- 100
- Die om syn deughden word bemind van yeder een, 100
- Een pronck van brave ze'en, schoon, ieugdigh, wel bemoedight, 101
- In af-komst hoogh en groot, seer treffelyck begoedight, 102
- In konsten opgequeeckt, in talen wel geleerd, 103
- Die van syn kindsheyd heeft de witte deughd ge-eerd. 104
- 105
- O wel gesegend Paer! den Hemel wil u geven 105
- Dat ghy in alle weeld mooght lang te samen leven,
- En u kinds kinderen volwassen in de Deughd
- Mooght voor u sterfdagh sien, tot uwer beyden vreughd,
- Op dat de brave Stam (daer ghy syt uytgesproten,
- 110
- De voorste van ons Land) mach teelen sulcke loten, 110
|
79 loflijckheyd: voortreffelijkheid; wonder wel: zeer.
80 dat gij in geen enkel opzicht voor haar onderdoet noch zij voor u.
83 doorsien: geheel bezichtigd.
84 brave: machtige, grote.
86 u lieve Helft: uw geliefde wederhelft; troostertje: liefste.
89 sinnen: gedachten, geest.
92 voorsichtigh: met vooruitziende blik; erweeld:
uitgekozen.
93 deftigh: ernstig; in: wat betreft.
98 danckbarighlyck: dankbaar.
101 brave ze'en: edele manieren; wel bemoedight: met aangenaam karakter.
102 begoedight: van bezit voorzien.
103 wel geleerd: goed onderricht.
110 voorste: aanzienlijkste; teelen: voortbrengen.
|
[p. 165]
-
- Mach brengen voor den dagh so schoone spruyten; daer 111
- Het Vaderland med word gediend in al gevaer, 112
- Gelyck het loffelyck tot op den dagh van heden
- Door u voor-Ouders deughd, verstand, manhaftigheden,
- 115
- Getrouwheyd, aensien, beyd' in raed, in daed, en geest, 115
- Is treffelyck bediend en wel beschermd geweest. 116
- Wel dan vereende twee, op dat myn Rymerijen 117
- Niet minderen u vreughd, en meerderen u lijen, 118
- Vermidts ick u te lang ophoude van u lust, 119
- 120
- Besluyt ick myn gedicht, en wensch u goede rust.
|
111 brengen voor den dagh: voortbrengen.
115 beyd' ... en: zowel ... als.
117 wel dan: vooruit; vereende: verenigde.
118 minderen: verminderen; meerderen: vermeerderen; lijen: lijden.
119 vermidts: doordat; ophoude van: afhoud van.
|
|
|