[p. 166]
[105] Bruydt-Lofs-Gesang.
- Stemme: Van d'Engelsche indraeijende dans, Londesteyn.
- Is dit niet wel een vreemde gril? &c. Fol. 8.
-
- 1.
- Ghy, die op d'over-groote vreughd 1
- Van dit van God gevoeghde Paer, 2
- Die in het bloeijen van haer ieughd 3
- Versamelen te gaer, 4
- 5
- Die op 't versoeck van Bruydegom
- En Bruydt, hier t'samen syt vergaerd,
- Weest vrolyck, drinckt eens lustigh om, 7
- En geen genuchten spaerd:
- Weest verblyd, want de tyd, sulcx gebiedt,
- 10
- Nu de trouw, alle rouw, en verdriet,
- Die 't woeligh vrijen 11
- Haer dede lijen, 12
- Gemaeckt heeft gansch te niet. 13
-
- 2.
- Siet hoe verheughd de Bruygom lacht,
- 15
- Om dat hy nu gevonden heeft
- Syn Helft, soo treftigh van geslacht, 16
- Soo zedigh, soo beleeft, 17
- Soo iongh, soo kuysch, soo deughden-ryck,
- Soo soet van wesen en gelaet, 19
|
1 over-groote: zeer grote.
2 van: door; gevoeghde: samengevoegde.
4 versamelen te gaer: zich verenigen.
7 om: in het rond, op de rij af.
13 gemaeckt heeft te niet: vernietigd heeft, heeft doen verdwijnen.
16 Helft: wederhelft; treftigh: voortreffelijk, aanzienlijk.
19 soet: lieftallig; wesen: gelaat; gelaet: houding.
|
[p. 167]
-
- 20
- Soo schoon, soo heusch, soo vriendelyck,
- Soo loffelyck van staet, 21
- 't Hert en sin, springt hem in, 't lyf van weeld, 22
- Om dat hy, sy aen sy, met dit Beeld,
- Sich sal vermaken,
- 25
- Dies wild oock staken 25
- Wat stille droefheyd teeld. 26
-
- 3.
- En of de Bruydt wat stemmigh kijckt, 27
- O gasten acht dat niet een sier:
- Want sy een wijltjen statigh pryckt, 29
- 30
- Quansuys om de manier: 30
- Maer weest verheughd, en denckt doch dat 31
- Het alle daegh geen Bruyloft word,
- Dus brenght elck hier te voorschijn wat 33
- Dat ons de tijd verkort:
- 35
- Singht verheughd, lacht met vreughd, alle-gaer,
- Toond met lust, dat de rust, van dit paer
- U aengenaem sy,
- En volghd altsaem my 38
- In vrolyckheden naer. 39
-
- 4.
- 40
- Wel Maeghden waerom syt ghy stil? 40
- Syn dan al u genuchten uyt? 41
- Dat ghy nu pryckt, dat 's maer een gril,
- Ghy zijt noch niet de Bruydt: 42
- Laet blycken nu de geestigheyd 44
- 45
- Die uyt u soete oogjens blaeckt, 45
- Die in u borst begraven leydt,
- En ons daer me vermaeckt:
|
21 loffelyck: voortreffelijk; staet: aanzien.
29 wijltjen: ogenblik; statigh pryckt: stijfjes zit.
30 quansuys: voor de schijn; om de manier: omdat het zo hoort.
33 brenght ... te voorschijn: geeft ten beste.
38 altsaem: allen tezamen.
41 is het dan uit met al uw genoegens.
44 geestigheyd: bevalligheid.
45 soete: liefelijke; blaeckt: straalt.
|
[p. 168]
-
- Laet u Geest, dese Feest, cieren vry, 48
- U geluydt, onse Bruydt, maken bly
- 50
- Met u Gesange,
- Wacht niets te lange:
- Maer singht eens op een ry. 52
|
48 cieren: opvrolijken; vry: maar.
52 op een ry: op de beurt af.
|
|
|