|
[106] [Schone Margariet]*
|
2 genuchtje: vreugde.
3 hartje: liefje.
4 beswaerd u: word bedroefd.
5 ionge iaren: jeugd.
6 vlagen: ogenblikken.
9 haer: hun.
10 ongeneughd: verdriet.
11 Beckje: liefje; verweckje: maak je op.
12 kluchtjes: grapjes.
13 verslyt: breng door.
14 gemackjes: toestand van rust; quackjes: malligheidjes.
15 lusjes: genoegentjes.
17 behartigh: heb lief; dy: u.
18 genoegh: bevredig; voegh: pas bij.
19 vry: doe aanzoek bij; vly: streel.
|
|
22 baerd: verwekt, doet; verquicken: verheugen.
24 sticken: stukken.
26 na: naar, zoals.
27 besin: heb lief.
29 deughd: dienst; gonst: genegenheid.
30 bedien: dien; mien: bemin.
32 waerde: geliefde.
33 vaert voord: maak voort.
34 berae-je: beraad je je; stoe-je: te wachten n.l.
37 lieven: liefhebben.
39 gerieven: van dienst zijn.
40 mienen: menen, denken.
41 verlienen: verlenen, geven.
42 daer ick na doel: waar ik naar streef.
44 wat: waarom.
47 quantjes: vriendjes; brantjes: gloedjes.
48 selfs: zelf.
50 dus: zo; kruyfjes: gekruld.
|
|
53 wesen: gelaat.
54 opgehoopt met: vol.
55 daer: waar.
56 't Ciersel: 't sieraad.
57 mensch: iemand.
58 brave: edele.
59 eeltjes: edel.
60 pas: naar behoren; vetjes: mollig.
62 braefjes: edel.
66 treckjes: rimpeltjes.
68 beroven van hun glans.
70 heb verheven: aanbid.
71 -bietje: bijtje.
72 wild u begeven: wilt er toe overgaan.
76 vlietjes: stroompjes.
77 onbela'en: zonder zorg.
78 hoe vaer-je: hoe is het met je. 88
80 so; dan.
|