[p. 174]
[110] Wellekomst-Gesangh,*
Door De Reden-rijcke Kamer tot Leeuwarden ghesongen op d'inkomste van Wilhelm Ludwich Grave tot Nassou, &c. Stadt-holder van Friesland, Stadt Groeningen en Omlanden, en Drenthe, &c. *
- Stemme: Si tanto gratiosa, &c. Fol. 54.
-
- 1.
- O Vorst! beroemd met reden,
- Voor de Springader onser veyligheden, 2
- Gelucken, voorspoed, vreden,
- Bescherm-Heer onser Landen en Steden,
- 5
- Weest wellekom, hier wederom, 5
- In onse Friessche palen, 6
- Daer wy met sangen
- Vol blijdschaps u ontfangen,
- En in halen.
-
- 2.
- 10
- Door u beleyd grootmoedigh, 10
- Door u vernuft, in alles wel ervaren,
- Blijft onse staet voorspoedigh,
- Gherust in 't midden van des onrust baren, 13
- Ons vreughd, ons vreed, is d' uwe meed, 14
- 15
- En word het weder quader, 15
- In bange tyden
- Beschermd ghy ons van lyden 17
- Als ons Vader.
|
2 voor: als; springader: bron.
5 hier wederom: (nu gij) hier terug (zijt).
6 palen: grenzen, gebied.
10 beleyd grootmoedigh: moedig overleg.
14 vreed: vrede; meed: mede, ook.
15 het weder: het weer; quader: slechter.
|
[p. 175]
-
- 3.
- Doen ghy u Ondersaten, 19
- 20
- Om 't geen ghy had in Zeeland te beslechten, 20
- Alleenigh had gelaten, 21
- Ontbloot van u, die haer sou helpen vechten, 22
- Haer raed, haer daed, in 't quaedste quaed, 23
- Helaes! wat droeve plagen,
- 25
- Sijn op ons allen,
- Gantsch onvoorsiens gevallen,
- In die daghen.
-
- 4.
- De vyand sagh u schapen
- Ontbloot van haren Harder, en daeromme 29
- 30
- Woud' hy daer op niet slapen: 30
- Maer is haer onversiens op d'hals gekommen, 31
- Dat Boxems slagh, wel tuygen mach, 32
- Daer so veel duysend sielen
- In Taxis handen
- 35
- In 't Swaerd onser vyanden
- Droevigh vielen.
-
- 5.
- [111] Doen u (o Vorst!) ten ooren
- Quam 't ongeluck der vry gevochten landen, 38
- Was wel de zee bevrooren:
- 40
- Maer 't hart in 't lijf u seer grootmoedigh branden, 40
- Dwars door de Zee, dan op een slee, 41
- Dan in een schuyt getogen 42
- Met sorgh onmaetlijck, 43
- Quaemt ghy u Vyand daedlijck
- 45
- Onder ooghen.
|
19 ondersaten: onderdanen.
20 beslechten: vereffenen, uit de weg ruimen.
30 daer op slapen: daarmee talmen.
31 onversiens: onvoorziens; is op d'hals gekommen: heeft overvallen.
32 dat: wat; tuygen: getuigen; mach: kan.
38 vry gevochten: door vechten vrij gekomen.
40 in 't lijf u: in uw lijf; grootmoedigh: fier, moedig; branden: brandde.
41 dan ... dan: nu eens ... dan weer.
43 onmaetlijck: bovenmate (groot).
|
[p. 176]
-
- 6.
- Ghelijck de stercke dijcken,
- Des zees geweld al schuymende doen stuyten,
- Liet ghy u grootheyd blijcken,
- En sloot des vyands krachten daedlijck buyten, 49
- 50
- Al u gebied, ons van verdriet
- Bevrydende ten lesten,
- Wat doen geschieden, 52
- Dat weten d' oude lieden
- Noch ten besten. 54
-
- 7.
- 55
- Ghy stelden 't land in ruste,
- En wont daer by veel plaetsen, steden, sterckten,
- Waer aen elck een u luste
- En yver tot des landschaps welvaerd merckten
- 't Welck u gemoed, selfs met u bloed,
- 60
- En Vorstelijcke leden,
- Geschend, geschoten, 61
- Betoond eer wy genoten
- Dese vrede.
-
- 8.
- Dies salmen u ghenade 64
- 65
- (O groote Vorst! vol alle loflijckheden) 65
- Niet stellen, noch u daden 66
- In eeuwigheyd, in de verghetelheden:
- Maer noemen u, so dan als nu: 68
- Ons Vader, Vorst en Heere,
- 70
- Ia naer u leven, 70
- U dat op 't cierlijckst geven 71
- Na ter eeren.
|
52 geschieden: geschiedde.
54 ten besten: heel goed.
61 geschend: geschonden, gekwetst; geschoten: getroffen.
64 dies: daarom; u genade: uw gunstbetoon.
65 loflijckheden: voortreffelijkheden.
66 stellen in de verghetelheden: vergeten.
68 so dan als nu: altijd.
71 geven na: nageven, vertellen van; op 't cierlijckst: zo heerlijk mogelijk.
|
|
|