[p. 179]
[112] Trouw-Dicht,
Ter Eeren Ioncker Gysbert van Aernsma, En Iuffrou Catharina van Walta. *
- Al-eer des Hemels oogh, de veel-besiende Son 1
- De stralen aen syn hooft te vestigen begon,
- En van syn Koetse schoof de duystere gordynen, 3
- Om met syn gulden glans de Wereld te beschynen,
- 5
- Eer self de Dageraed, de blond' Aurora vlood 5
- Van Tithon haren man, onsterffelijck; maer dood:
- Maer dood en krachteloos, en door haer witte Paerden
- Vermaenden Phoebum om syn dagh-reys aen te vaerden; 8
- Tradt ick ter deuren uyt, en gaf my op de straet, 9
- 10
- Recht na de Poorte toe daermen na Weydum gaet. 10
- Maer doen ick op die wegh gegangen had een eyntje, 11
- Bejegende my voort dat soete bolle Feyntje 12
- Cupido, gansch verheughd, och 't Boefjen lachten so,
- Het hippelden en 't sprong gelyck een kleyne vlo.
- 15
- Wel (seyd ick) lieve Lam, ick wensch u goeden morgen,
- Van waer komt ghy dus vroegh, bly-geestigh sonder sorgen? 16
- [113] Dus vrolyck, dus verblyd, wat is u doch ontmoet? 17
- Wat kitteld u soo seer, dat u dus lachen doet? 18
- Waerop Cupido weer, wilt u wat neder stellen, 19
|
* Gysbertus van Arentsma, grietman van Dantumadeel, zoon van Arent, kapitein, huwde in 1619 (drie proclamaties op 12, 19 en 26 dec.) te Leeuwarden met Catharina van Walta.
3 Koetse: leger(stede); duystere: donkere.
5 self de Dageraed: de dageraad zelf.
8 aen te vaerden: te aanvaarden, te beginnen, aan te vangen.
10 recht: rechtuit; na: naar; daermen: waar men.
12 bejegende my: kwam mij tegen; voort: dadelijk; bolle: mollige; feyntje: ventje, kereltje.
16 dus: zo; bly-geestigh: blij van geest.
19 u neder stellen: gaan zitten.
|
[p. 180]
-
- 20
- So sal ick van mijn vreughd de reden u vertellen.
- 't Is u niet onbewust, dat ick op Phoebum ben 21
- Verbeten, so dat ick myn leed nau wicken ken; 22
- Vermits hy (om zyn schicht en schieten te hovaerdigh 23
- Om Pythons dood) my heeft veracht te seer lichtvaerdigh:
- 25
- Waerom ick hem altijd aen doe het hooghste leet.
- En duldelooste smart dien ick t'erdencken weet. 26
- Nu had den Hemel-vooghd, de Vader vande Goden,
- Die alle dingen siet, my door zyn soon ontboden, 28
- Dat dese Sonne-Godt, die my so seer bespot,
- 30
- Was op een aerdsche Maeghd weer op een nieu versot. 30
- Hier was ick in verheughd, ick nam twee taye bogen 31
- En ben van stonden aen nae Phoebi tent gevlogen, 32
- Daer ick, eer Lucifer, de voorbood van de dagh,
- Syn gulden toerts onstack en door de venster sagh 34
- 35
- Van 't wolckige gewulf, Dianam doende schuylen, 35
- Om met de Son haer plaets een wijltjen te verruylen: 36
- Gingh gansch gewapend by zyn trotsche woningh staen,
- En sach zyn Hovaerdy en pracht van verr' eens aen. 38
- Want alte dichte by zyn glans dorst ick niet dalen:
- 40
- Vermits de groote kracht van zyn veer-siende stralen. 40
- Maer Goon wat sagh ick daer! wat was daer al getiers! 41
- De uren van den dagh, als twalef Helbardiers
- Omcingelden zyn lyf, de stadige vier deelen 43
- Des ongeboren daghs, begosten voort te streelen 44
- 45
- Syn Paerden op een ry, een yder greep de syn, 45
- En bond hem voor de koets, elck aen een gulden lijn:
- Dees henxten met gedruys van stampen en van swoegen, 47
- En 't spuwen van het vyer flux vanden Hemel joegen 48
- De Wolcken vande nacht, vercierende zyn krans
- 50
- Met d'heughelijcke dagh, en 't blaeck'ren van haer glans. 50
- Apollo dus gerust sprong yligh op zyn wagen, 51
|
22 verbeten: gebeten; nau: nauwelijks; wicken: wegen, dragen; ken: kan.
23 vermits: daar; schicht: pijl.
26 erdencken: uitdenken, bedenken.
28 ontboden: laten weten.
30 op een nieu: opnieuw, eens; versot: verliefd.
32 van stonden aen: onmiddellijk.
35 't wolckige gewulf: bewolkte (hemel) gewelf.
40 vermits: vanwege; veer: ver.
41 al getiers: niet een drukte.
43 omcingelden: omringden, omgaven; stadige: vaste.
47 swoegen: diep ademhalen.
48 vyer: vuur; flux: voortvarend.
51 dus gerust: zo uitgerust; yligh: ijlings, snel.
|
[p. 181]
-
- Waerop hy door de lucht so schichtigh wierd gedragen, 52
- Dat selfs de snelle wind hem naulijx volgen kon,
- Noch roeren met haer blast het schittren van zyn Son. 54
- 55
- Syn henxten onversaeght, gelijck den Blixem renden,
- Die hy na wil en wens met gulde teugels menden,
- Sy bralden door de locht, sy brieschten overluyt, 57
- En spogen vyer en vlam ten mond ten neusen uyt.
- Waer door de Silv're Douw, waer mee de Nacht de paden
- 60
- En lovers van het veld bevocht had en beladen, 60
- Weer met een soeten reuck na d'hoogen Hemel toogh, 61
- 't Welck Phoebus weder in zyn heete stralen soogh,
- En reckten soo voort an, hem quamen te gemoete 63
- De kleyne vogeltjens met soete deuntjes groeten. 64
- 65
- En ick, ick vloogh hem nae, soo yligh als ick moght, 65
- Dwars door de Wolcken heen, door d'ongebaende locht,
- Tot dat ick endlijck sagh dat hy sich selfs bedaerden, 67
- En schorten op den loop van zyn geswinde Paerden, 68
- Die stampende van vreughd de Wolcken aen een kant, 69
- 70
- Den Hemel in het rond vercierden met haer brandt, 70
- En deden Phoebi glans dwars door de wolcken henen
- (Die in een oogenblick al drijvende verdwenen), 72
- Wtbarsten op het schoonst: daer hiel Apollo stal 73
- Recht boven 't groene Walt aen Weydum by de wal, 74
- 75
- Ick vloogh een reys om laegh, daer vond ick inde weyden 75
- Een Goddelijcke Maeghd haer lieffelijck vermeyden. 76
- Wiens schoonheyd, wiens gelaet, wiens wesen, wiens gesicht 77
- My selven schier het hart had wt het lijf gelicht.
- Doen merckten ick terstond den oorsaeck van zijn wachten
- 80
- Want Phoebus die begon aldus zyn droeve klachten:
- O Hemelsche Goddin! bekleed met menschen vleys, 81
- Voor wien ick alle daegh op schort myn snelle reys, 82
|
52 schichtigh: pijlsnel; wierd: werd.
54 roeren: (aan)roeren, bereiken; blast: geblaas.
57 bralden: schalden, schreeuwden; locht: lucht; overluyt: heel luid.
63 reckten soo voort an: rukte, snelde zo verder vooruit.
te gemoete: tegemoet, bij de ontmoeting.
67 selfs: zelf; bedaerden: beheerste, intoomde.
69 stampende aen een kant: op zij stampen.
70 haer: hun; brandt: gloed.
72 in een oogenblick: ogenblikkelijk.
73 op het schoonst: zo schoon mogelijk; hiel stal: hield stil.
74 recht: vlak; walt: woud, bos; aen: bij.
76 haer vermeyden: zich vermeien.
77 wiens: wier; gelaet: houding, doen en laten; wesen: gelaat; gesicht: blik.
|
[p. 182]
-
- Om in uw's schoonheyds glans myn Godheyd te vermaken: 83
- Hoe langhe sal ick noch in uwe minne blaken? 84
- 85
- O Pronck vande Natuur! Riviere van myn smart!
- Wiens beeldenis ick draegh na 't leven in myn hart. 86
- Waerom is 't niet door de Fatale Schick-Goddinnen 87
- Geschickt, dat ghy my soud aendachtigh weer beminnen, 88
- G'lijck Ariadne deed den Vader van de wijn,
- 90
- 't Welck haer een Coningin deed in den Hemel zyn?
- O kond' ick u daer toe met myne tong bepraten,
- O schoone! woud ghy u so veer geseggen laten, 92
- Ick sweer u by mijn glans dat dit bewolckte Rijck
- Soud' hebben geen Goddin in weelden uws gelijck. 94
- 95
- Ick sou van stonden aen myn wagen laten dalen
- En u, tot een Triumph, met duysend Fackels halen
- [114] In 't Hemelsche Gebouw: daer soud ghy (o myn schoon!)
- Verrijcken door u geest de Rijckdom van myn Throon.
- Myn Susters driemael drie, de Sang-Goddinnen, souwen
- 100
- U vieren alle daegh als uwe Staet-Iuffrouwen. 100
- En wat u lieve mond geliefden te gebien
- In d'Hemel of op d'aerd sou naer u wensch geschien.
- o dwang van myn gemoed! laet ick u doch bekoren, 103
- Tracht niet voor myn geklach te stoppen uwe ooren,
- 105
- Siet hoe ick (die altyd in d' hooghste vlam verkeer)
- Nu door de vlammen van u liefde gansch verteer. 106
- O Nymphe! hebt doch eens med'lijden met myn lyden
- En wilt op dese koets met uwen Phoebo rijden.
- Doe scheelden het niet veel, of hy had afgedaeld, 109
- 110
- En haer met wil of dwang in zyn Palleys gehaeld; 110
- Maer hem quam inde sin hoe Daphne hem ontvluchten, 111
- Verachtende zyn min, bespottende zyn suchten:
- Dies sorghden hy, weerom te worden so beboert 113
- En heeft daerom zyn reys, half swymende, volvoert,
- 115
- Ick lachten in myn vuyst: dan uyt zyn ongenuchten 115
|
83 myn Godheyd: mijn Goddelijkheid, mij als god; vermaken: verheugen.
84 uwe minne: mijn liefde voor u.
86 beeldenis na 't leven: afbeelding naar het leven.
87 fatale: lot aankondigende.
88 geschickt: beschikt; aendachtigh: innig.
94 uws gelijck: aan u gelijk.
100 vieren: eren; staet-iuffrouwen: hofdames.
103 bekoren: verleiden, overhalen.
106 u liefde: de liefde voor u.
110 had uit r. 109 bij gehaeld; met wil of dwang: goedschiks of kwaadschiks.
111 hem quam inde sin: het schoot hem te binnen; ontvluchten: ontvluchtte.
113 dies: daarom; sorghden: vreesde; beboert: voor de mal gehouden.
115 lachten: lachte; dan: want; ongenucht: verdriet, leed.
|
[p. 183]
-
- Schep ick myn hooghste vreughd en aengenaemste kluchten, 116
- Want ick en sagh de Maeghd soo haest niet, of ick wist 117
- Dat Phoebus was verdoold, en ick my had vergist.
- Het is een vreemde klucht, wat cander oock geschieden, 119
- 120
- De schicking van de Goon is (merck ick) niet t' ontvlieden, 120
- Dees overschoone Maeght, die d' harten en gemoet
- Der mannen treckt, gelijck de Zeylsteen 't yser doet, 122
- Deur haer volmaeckte deughd, is Edel in haer zeden,
- Is Edel in haer Stam, en Edel in haer reden, 124
- 125
- Van 't Edel oudt geslacht van Walta affgedaeld,
- Wiens Loflijckheyd ick hier onnodigh acht verhaeld. 126
- Vermids die yder een bekendt is, de Chronijcken 127
- (Al sweegh schoon al de Werlt) doen dat genoechsaem blijcken, 128
- Haer Vader, op het hoogst genegen tot de rust, 129
- 130
- Heeft met de staet-sucht noyt beslommerd zyne lust. 130
- Maer met het zyns vernoeght, gerust, en wel te vreden, 131
- Gelijck een last versmaed des werelts grootsicheden: 132
- En sich benaerstight om zyn kind'ren in de deughd 133
- Te voesteren, gelijck ghy duydlijck mercken meugd 134
- 135
- Aen dese schoone spruyt, van sulcken boom gesproten,
- Die qualijck voor den dagh kon brengen and're loten: 136
- Betonende door deughd, en d'Adel van haer aerd, 137
- Van wien zy is gedaeld, en wie haer heeft gebaerd: 138
- Maer dat ghy nu eens saeght haer welgestelde leden, 139
- 140
- Hoe cierelick sy zyn van boven tot beneden,
- Ick wed ghy seggen soudt, Natura heeft hier aen
- Het wterst van haer Konst en al haer vlijt gedaen, 142
- Haer wesen Princelijck, vol geestige manieren, 143
- Weet sy na tijd en plaets op 't loffelijckst te stieren, 144
- 145
- Haer ooghjes als een git, daerin de deftigheyd, 145
|
117 en sagh: zag; soo haest niet: nauwelijks.
119 klucht: grap; cander: kan er.
120 schicking: beschikking.
124 reden: conversatie, woorden.
126 welks voortreffelijkheden hier naar mijn mening niet behoeven te worden uiteengezet.
128 al sweegh schoon al de Werlt: al zou ook de gehele wereld zwijgen; doen blijcken: bewijzen.
129 op het hoogst: ten zeerste.
130 staet-sucht: heerszucht; beslommerd: verontrust.
131 het zyns: het zijne; vernoeght: tevreden.
132 grootsicheden: trots.
133 benaerstight: beijverd.
134 voesteren: op te voeden.
meugd: kunt.
136 qualijck: moeilijk; voor den dagh brengen: voortbrengen.
139 dat: gesteld dat, als; welgestelde: welgevormde.
143 wesen princelijck: vorstelijk gelaat; geestige: bevallige.
144 op 't loffelijckst: zo voortreffelijk mogelijk; stieren: beheersen.
145 een git: git; deftigheyd: ernst.
|
[p. 184]
-
- De deughd, de liefd', end' eer, so 't schijnt, begraven leyd 146
- Becingeld met een krans van dichte en smalle haeren 147
- Daer by geen ebben houdt mach inde bruynte paren, 148
- Ontsielen schier den mensch, die haer met vlijt aensiet, 149
- 150
- En 't lieffelijck genot van haer gesicht geniet. 150
- Haer voorhooft is het boeck, daer in men leest de gaven
- Dien in haer eel gemoet, Lofwaerdig zyn begraven, 152
- Haer poeselachtigh vel verheerlijckt met een bloos,
- Haer wanghen alle beyd als met een roode roos:
- 155
- Haer mondje, wel gestelt, haer elpenbeenen tanden 155
- Kleyn effen, gaeff en gladt, die schijnen Silv're randen.
- En op haer lipjes sweeft soo honich-soeten douw,
- Dat selfs Jupijn daer voor geen Nectar kiesen souw. 158
- Och dat ick d' ommetreck haers aengesichts affbeelden, 159
- 160
- Ghy soud een werelt sien vol alderhande weelden,
- En haer sneeuwitter hals daer sy dit hooft op swayt, 161
- Schijnt duydelijck wt een Albaster afgedrayt, 162
- In 't kort Natura schijnt met lijff en siel te haken 163
- Om haer in alle deughd en schoonheyd te volmaken.
- 165
- Nu dese Ionge Maeght, eel, deughdelijck, en schoon,
- Had ick een Edelman, een brave Crijghshelds soon,
- Voorsightigh toegevoeght, die wt de wetenschappen 167
- (Gelijck Apollo doet) syn lusten schijnd te tappen: 168
- Ia die in alle kunst in 't minsten hem niet wijckt 169
- 170
- Maer beyd in jeughd, en deughd, en schoonheyd hem gelijck[t]. 170
- Dies heb ick met geweld myn taye pees getogen, 171
- Waer van een Gulden Pijl is krachtelijck gevlogen, 172
- Daer med' ick (soo ick docht) troff 't hart van dese geest 173
- En 't is Apollo juyst selfs in persoon geweest, 174
- 175
- Die qualijck conende zyn oude kuyren laten, 175
- Stond op de selfde tijd by dese Nymph te praten,
|
147 becingeld: omgeven; smalle: fijne.
148 daer by: waarmee; mach: kan; inde bruynte: wat donkerte betreft; paren: vergeleken worden.
149 ontsielen: ontnemen de ziel aan; schier: bijna; met vlijt: lang.
150 haer gesicht: haar te zien.
152 eel: edel; lofwaerdig: voortreffelijk, hoort bij ‘gaven’ (r. 151).
159 dat: gesteld dat, als.
161 sneeuwitter: sneeuwwitte; swayt: beweegt.
162 een Albaster: stuk marmer; afgedrayt: gedraaid, gebeeldhouwd.
163 te haken: er naar te streven.
167 voorsichtigh: met vooruitziende blik.
168 lusten: genoegen; tappen: halen.
169 in 't minsten niet: niet in 't minst, in 't geheel niet; hem wijckt: voor hem (Apollo) onderdoet.
170 beyd ... en: zowel ... als; in: wat betreft.
171 geweld: kracht; getogen: aangehaald.
172 krachtelijck: met vaart.
174 Apollo juyst selfs: precies A. zelf.
175 qualijck: moeilijk; conende: kunnend.
|
[p. 185]
-
- [115] En mids hy Arensma so, wonder wel geleeck, 177
- Kreegh hy voor Arensma oock onverhoeds de steeck. 178
- Dus quam het, dat hy was gansch buyten mijn vermoeden: 179
- 180
- Op dese Nymph verliefd daer ick mijn niet voor hoeden: 180
- Maer doen ick sagh dat ick in 't schieten had gefaeld,
- Hervatten ick mijn boogh, en heb doe niet gedwaeld, 182
- Maer trof de Harten van dees liefkens alle beyde,
- En trachten voorts met een de schoone Nymph te leyden 184
- 185
- Met list van Phebi min waer toe ick dese reen, 185
- Gebruyckten op een tijd als ick haer vond alleen 186
- Beleefde Iuffrou, in wiens liefelijcke oogen 187
- De onbevleckte deughd schynd metter woon gevlogen. 188
- Hoe lange sult ghy hem, die u so seer besind, 189
- 190
- Noch houden inde pyn? noch laten onbemind?
- Of schept ghy u geneughd in sulcken een te plagen 191
- Die door sijn deughden sou Minerva selfs behagen? 192
- Dien de Natura heeft geheel volmaeckt, ey spreeckt,
- Wat eyscht ghy van een man dat dese man ontbreeckt? 194
- 195
- 't Sy dat hy volgen wil syn vrome Vaders sporen 195
- Die als een tweeden Mars scheen tot de krijgh geboren,
- Die nimmer doock van vrees: maer altijd steegh om hoogh,
- En (als den Arend doet) veer boven d' andre vloogh.
- Laet dat so mennigh strijd, laet Vlaendren dat getuyghen,
- 200
- Daer hy, als Capiteyn de troupen wist te buyghen 200
- Van 's vyands krachtigh Heyr: alwaer hy onversaeght
- Tot dienste van het land sijn leven heeft gewaeght,
- En naer dat hy veel roem had loffelijck verwurven, 203
- So inde ste'en als 't veld, is Capiteyn gesturven. 204
- 205
- Of so hy sijn Grootvaer of overgrootvaer tracht 205
- Te volgen tot een roem en lof van zijn geslacht, 206
- Die in geleertheyts gaeff soo hebben uytgesteecken, 207
- Van hare wetenschap en overgroote geest 208
|
178 voor: in plaats van; steeck: prik (v.d. pijl).
179 gansch buyten mijn vermoeden: terwijl ik er niets van vermoedde.
180 hoeden: hoedde, in acht nam.
182 hervatten: vatte ik opnieuw op; gedwaeld: gemist.
184 voorts: verder; met een: dadelijk.
188 metter woon: om er te blijven.
191 sulcken een: zo iemand.
200 buyghen: doen deinzen.
204 so ... als: zowel ... als; Capiteyn: als kapitein.
205 so: zij het dat (sluit aan bij ‘'t sy’ uit r. 195).
206 tot een roem: tot roem.
207 gaeff: gave; uytgesteecken: uitgemunt.
208 van: vanwege; hare: hun; overgroote: zeer grote.
|
[p. 186]
-
- Raedtsheeren van het Hoff van Frieslandt zijn geweest.
- 210
- O Loffelijcke Stam! daer d' een dus nae den ander 210
- In waerdigheden volght, ja daer sy nau malkander
- Verwachten in waerdy van Ampten te bekleen. 212
- So, segh ick, daer u lief zyn lust uyt schept alleen, 213
- Hy is daer toe bequaem, want hy de steyle trappen
- 215
- Met lust beklommen heeft der hooghe wetenschappen,
- En de geleerdheyd is al syn voorneemste lust, 216
- De ledigheyd zyn pijn, en d' oefeningh zijn rust.
- Besiet zijn ommegang, bemerckt sijn brave zeden, 217
- Sijn goedertieren aerd, het vloeyen van zijn reden 219
- 220
- In Talen veelderley, zijn deughdelijck gemoet, 220
- Dat, als een Diamant in 't Goud, hem blincken doet.
- Wat seght ghy van zijn le'en? wat seght ghy van zijn wesen? 222
- Wat seght ghy van zijn ieughd? in alles uytgelesen.
- Tot alle konst bequaem, tot alle deughd gereet,
- 225
- In 't kort, wat is in hem daer ghy een dat op weet? 225
- En dat hy door u leeft, en sonder u moet sterven,
- Daer soud ick voor te pand myn Godheyd setten derven, 227
- En waer het dan niet schaed (seght Edele Iuffrou!) 228
- Dat sulcken Iongman door u toedoen sterven sou?
- 230
- Die u so seer bemind, en die u so sal dienen,
- Dat ghy in 't Paradijs te wesen u sult mienen. 231
- Of prent ghy Phoebi min so vast in u gedacht,
- Die staeg uyt-huysigh is en altyd op de jacht, 233
- Wat vreughd ist voor een maeghd met sulken man te leven,
- 235
- Dus laet sijn liefde staen, wilt my het Iae-woord geven, 235
- Op dat ick Arensma mach helpen uyt de pijn, 236
- En doen u beyden een, en eens van sinnen zyn. 237
- Sy weygerden my wat met krachteloose reden. 238
- Want Vrou-luy willen doch gemeenlijck zyn gebeden: 239
- 240
- Maer namaels heeft sy my het Ia-woord toegeseght, 240
|
210 nae ... volght: navolgt.
212 (malkander) verwachten: voor elkander onderdoen; waerdy: waarde, verdienste.
213 daer ... uyt ... alleen: alleen daarin.
217 brave zeden: edele manieren.
219 reden: woorden, conversatie.
220 deughdelijck: deugdzaam.
225 daer ghy een dat op weet: waar gij ook maar dát op weet te zeggen.
227 Godheyd: Goddelijkheid, Godzijn; setten derven: durven zetten.
228 schaed: jammer; Iuffrou: jonkvrouw.
231 te wesen u sult mienen: zult menen dat ge zijt.
233 staeg: altijd; op de jacht: naar vrouwen n.l.
235 laet staen: zie af van.
237 eens van zinnen: eensgezind.
238 weygerde: verzette zich tegen; reden: woorden.
239 vrouw-luy: vrouwen; gemeenlijck: gewoonlijk; gebeden: gesmeekt.
|
[p. 187]
-
- En ick heb haer te saem door vaste liefd gehecht.
- Den Hemel laet haer so veel vreughds te saem verwerven 242
- Als ick Apollo toewensch vrolijckheyts te derven, 243
- Maer dat noch 't aldermeest is, Phoebo tot een spijt, 244
- 245
- Juyst op een Sonnedagh, die hem is toegewijdt,
- Sal zijn haer Bruydt-lofs-Feest, om zijn verdriet te meeren, 246
- Dus dicht dit lieve paer een Bruyd-lofs dicht ter eeren. 247
- Waer in ghy 't al verhaeld, dat ick u hier verhael. 248
- Wel (seyd ick) arge schalck, hoe weet ghy 't altemael 249
- 250
- So net te leggen uyt? ghy plecht niet aen het seggen, 250
- Maer aen het doen weel eer u tijd te kost te leggen. 251
- Waerop doe wederom het dubbeld-loose kind, 252
- Minerva heeft op 't hooghst dees Edelman besind 253
- Om zijn geleerdheyds wil, die heeft my dese lesse 254
- 255
- Doen daeghlijcks seggen op een mael vijf ofte sesse. 255
- [116] So dat ick die so vast ken als myn eyghen naem. 256
- Hier me vaert wel, tot dat wy komen weer te saem. 257
- Mits vloogh Cupido deur, en ick begon te schryven 258
- 't Geen hy my had geseyd, op dat het mochte blyven
- 260
- In mijn gedachtenis. Wel dan geseghend Paer, 260
- Ick wensch u so veel vreughds en vrolijckheyds te gaer,
- Als Starren aen de Locht, als Grasen op de velden, 262
- En Zanden zyn in Zee, die nimmer yemand telden, 263
- En dat de soete vreughd, daer ghy nu in begind 264
- 265
- Mach duren tot de dood uws levens loop verslind. 265
|
242 laet: late; haer: hen.
246 meeren: vermeerderen.
247 dit lieve paer ... ter eeren: ter ere van dit lieve paar.
249 arge schalck: boosaardige deugniet.
250 net: netjes, precies; plecht: placht.
251 weel eer: veeleer, eerder; te kost te leggen: te besteden.
252 waerop: waarna; dubbeld-loose: dubbel-listige, doortrapte.
253 heeft ... besind: heeft lief; op 't hooghst: zoveel als mogelijk is, zeer.
254 om ... wil: terwille van, vanwege.
255 een mael vijf ofte sesse: wel 5 of 6 maal
258 mits: inmiddels; deur: er van door.
260 gedachtenis: geheugen.
262 starren: sterren; Locht: lucht; grasen: grashalmen.
263 zanden: zandkorrels; telden: geteld heeft.
264 daer ... in: waar ... mede.
|
|
|