[p. 188]
[116] Bruydt-Lofs-Liedt.*
- Stemme: L'Avignone, &c. Fol. 26.
-
- 1.
- Ghy die hier sijt vergaerd
- Als vrienden, van die den Hemel heeft gepaerd, 2
- Om met geneughd, haer ionge ieughd 3
- Te brengen door in eer en deughd
- 5
- Om sedigh, om vredigh, altijd in spijt 5
- Van die 't benijd,
- Te leven beyd,
- Met eerbaerheyd
- In rust, in lust, en vrolijckheydt.
-
- 2.
- 10
- Weest nu doch al verheughd,
- Toont teyckens van u gansch onbeveynsde vreughd, 11
- En drinckt eens om, tot wellekom, 12
- Op d' heyl van Bruydt en Bruydegom.
- Weest lustigh, weest rustigh, wenst haer te gaer, 14
- 15
- So voor als naer, 15
- Gheluck, voorspoet,
- Een bly gemoet,
- Altijd gherust in suyr of soet. 18
-
- 3.
- Wenscht dat de schoone Bruydt,
- 20
- Den Bruygom eer langh een liefelijcke spruyt 20
- Brengh voor den dagh, waer med' hy mach 21
- Met haer om spelen nacht en dagh,
|
5 in spijt van: ten spijt van.
11 onbeveynsde: ongeveinsde, open.
12 om: rond, op de rij af.
14 rustigh: aardig, lief; haer: hen.
15 so voor als naer: altijd.
21 brengh voor den dagh: schenke; mach: kan.
|
[p. 189]
-
- En woelen, en koelen sijn lust, die blust, 23
- Als sy hem kust,
- 25
- En hy haer weer,
- Dat 's leer om leer,
- Nu holla Musa spreeckt niet meer.
-
- 4.
- Wel Maeghden wat is dit?
- Dat ghy nu dus spraeckloos en druloorigh sit, 29
- 30
- Zijt ghy bedroeft, om dat vertoeft 30
- So langh, dien ghy tot troost behoeft? 31
- Ey stelt ongequelt doch u geest, en weest 32
- Vry onbevreest: 33
- 't Sal metter vaerd 34
- 35
- Wel sijn geklaerd; 35
- Want d' eene Bruyloft d' ander baerd. 36
-
- 5.
- Wilt ghy u spieg'len aen
- U Speelnood, de Bruydt, en oock dat pad in slaen. 38
- Als u de ieughd, in eer en deughd 39
- 40
- Aensoeckt, doet wat ghy wesen meughd, 40
- Weest garen, tot paren bereyd, men seyd 41
- Dat eenigheyd 42
- Is arremoed,
- En selden goed,
- 45
- Dus wild ghy wel doen, volghd die voet. 45
|
32 stelt ongequelt doch u geest: bevrijd uw geest toch van pijn.
34 metter vaerd: spoedig.
36 baerd: geeft aanleiding tot, veroorzaakt.
38 speelnood: speelgenoot.
39 de ieughd: de jonge mannen.
40 aensoeckt: naar uw hand dingt; doet wat ghy wesen meughd: doe uw uiterste best.
41 garen: gaarne; seyd: zegt.
42 eenigheyd: alleenzijn.
45 wel: goed; volghd die voet: volgt die voetstap, dat voetspoor, dat voorbeeld.
|