[117] [Schept ghy veel vreughds]*
|
2 't aensien: 't aanschouwen; witte: reine.
4 garen: gaarne.
6 wesen: gelaat.
7 veur-Hof: voorhof, voorhoofd; daer: waar.
9 deftigheden: ernst; steld: opstelt, ten toon stelt.
10 Albaster: ivoor; netjes: keurig.
12 teld: vindt.
14 gemeene: gewone, alledaagse.
17 op 't cierelijckst beladen: zo sierlijk mogelijk bedekt.
|
|
21 onsichtb're deftigheyd: innerlijke ernst.
23 peerle: paarlen.
24 omcingeld: omringd; beleyd: afgezet.
25 wanden schoon: schone wanden.
27 besluyten: insluiten, begrenzen; deurwrocht: doorwerkt.
28 Marbre: marmeren.
29 staen blosen: staan te blozen.
30 varsch: fris, pas; van: door; bevocht: bevochtigd.
31 vensters hoogh: hoge vensters.
33 zijn een gladde en gave magneet.
34 roeren: bewegen.
35 vervoeren: meeslepen, in vervoering brengen.
38 dan: maar.
39 quaed: erg.
40 vertroost: troost; sinnen: gedachten, geest, ziel.
|