[p. 194]
[120] Op de selfde.
- Stemme: O nacht ialoersche nacht.
-
- Apollonia lief! schat-kist van alle deughden!
- Princesse die mijn Ieughd volkomentlijck gebied! 2
- O overschone Maeghd! Fonteyn van alle deughden! 3
- Laet mijn (dit bid ick) doch niet langher in verdriet.
-
- 5
- Loond mijn ghetrouwe min, Meestersse van mijn leven 5
- Oock met ghelijcke liefd' gelijck ick u toe draegh,
- Nu ick mijn heb in 't perck van uwe min gegeven, 7
- Ick bid u, gund my doch het geen daer ick na jaegh.
-
- Aenschoud mijn wesen, lief, mijn oogen, die de boecken 9
- 10
- Van mijn getrouwe min sijn, en mijn heete smart
- Af-beelden, lieve Lam, maeckt u nu niet te soecken, 11
- Neemt voor u dienaer aen, dien ghy staet in het hart. 12
-
- Vrouw van mijn vrije wil, aenschou ick maer u oogen, 13
- Ick voel dan op mijn hart (dat sweer ick) metter vaert, 14
- 15
- Een oven Viers en meer, Baardt dat gheen mede doghen, 15
- (Reviere van mijn pijn) in u sachtmoedigh aert? 16
-
- Siet op mijn fluxe jeughd, ô oorsaeck van mijn klaghen! 17
- En op de heete min, dien ick in 't hart gevoel,
- Niet anders wensch ick, lief, en mach ick u behagen, 19
- 20
- Dan raeck ick (ô mijn Son!) het wit daer ick na doel. 20
|
2 princesse: vorstin; gebied: beheerst.
7 uwe min: mijn liefde voor u; gegeven: begeven.
11 maeckt u niet te soecken: verberg u niet.
12 voor: als; dien: hem, die.
13 wil: verkiezing; aenschou ick maer: als ik maar aanschouw.
14 metter vaert: onmiddellijk.
15 viers: vol vuur; baardt: roept op.
16 reviere: bron, oorsprong.
17 siet: let; fluxe: flinke.
19 niet: niets; mach: kan.
20 het wit daer ick na doel: het doel, waar ik op richt.
|